ECLI:NL:TADRARL:2021:218 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-811
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2021:218 |
---|---|
Datum uitspraak: | 06-09-2021 |
Datum publicatie: | 09-11-2021 |
Zaaknummer(s): | 18-811 |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Bij tussenbeslissing van 14 april 2020 heeft de raad nader onderzoek opgedragen aan de deken, waarover de deken de raad vervolgens heeft gerapporteerd. De raad oordeelt in deze eindbeslissing dat verweerder de strafzaak van klager in hoger beroep op zorgvuldige wijze heeft behandeld en voldoende met klager heeft voorbereid. Op basis van de stukken is aannemelijk dat tussen partijen was afgesproken dat beiden niet op een proforma strafzitting zouden verschijnen. Verweerder heeft regelmatig telefonisch contact met klager gehad en hem bezocht in de PI. Niet is gebleken dat eventuele onderzoekswensen door klager met verweerder zijn besproken dan wel door klager aan verweerder is gevraagd om getuigen te horen. Van onvrede van klager is de raad niet gebleken die verweerder na de uitspraak van het hof heeft verzocht om cassatie in te stellen. Ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 6 september
2021
in de zaak 18-811/ALMN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE EN TUSSENBESLISSING VAN DE RAAD
1.1 De klachtzaak is aanvankelijk behandeld ter zitting van de raad van 17 februari
2020 in aanwezigheid van klager en verweerder. De raad was toen als volgt samengesteld:
mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. K.F. Leenhouts, A.C.H. Jansen, leden, bijgestaan
door mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink als griffier. Vervolgens heeft de raad op 14
april 2020 een tussenbeslissing genomen.
1.2 In de tussenbeslissing is door de raad aan de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Midden-Nederland opgedragen om aanvullend onderzoek te verrichten.
In afwachting van de ontvangst van de schriftelijke onderzoeksresultaten van de deken
heeft de raad in genoemde samenstelling de behandeling van de klachtzaak voor onbepaalde
tijd aangehouden en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.3 In het dictum van de tussenbeslissing is de zaak terugverwezen naar de deken
met het verzoek het onderzoek naar de klacht en de daarmee samenhangende feiten te
hervatten en aan de raad daarna in ieder geval de volgende onderzoeksvragen te beantwoorden:
- op welke wijze (mondeling of schriftelijk) heeft verweerder klager geadviseerd
over de vraag of het bijwonen van de pro formazitting op 28 maart 2017 bij het gerechtshof
Amsterdam door verweerder en/of klager al dan niet noodzakelijk c.q. aan te bevelen
was?
- kan verweerder nader toelichten op welke wijze hij zijn pleitnota (voor de zitting
van het gerechtshof van 24 mei 2017) vooraf mondeling heeft besproken met klager
en heeft klager de gelegenheid gehad op- of aanmerkingen te maken?
- heeft verweerder klager geantwoord op de brieven/mailberichten die klager aan
verweerder heeft gestuurd in de periode tussen de pro formazitting van 28 maart 2017
en de inhoudelijke zitting van 24 mei 2017, waarin klager onder meer herhaaldelijk
heeft gevraagd om overleg?
- heeft verweerder aan klager het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof
van 24 mei 2017 gestuurd c.q. overhandigd, waarvan klager stelt dat hij dat nimmer
heeft ontvangen.
- heeft verweerder een appelschriftuur opgesteld en in kopie aan klager doen toekomen?
- op welke wijze heeft verweerder zich ervan vergewist dat klager over een afschrift
van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juni 2017 beschikte?
1.4 Per e-mail van 28 april 2020 heeft de deken naar aanleiding van de tussenbeslissing
aanvullende vragen aan verweerder gesteld. Verweerder heeft daarop op 23 juni 2020
gereageerd. Op de daarop volgende aanvullende vraag van de deken van 8 juli 2020 heeft
verweerder per e-mail van 13 juli 2020 gereageerd.
1.5 Bij brief van 14 juli 2020 heeft de deken klager in de gelegenheid om op de
in 1.4 genoemde e-mails van verweerder te reageren. Klager heeft in de periode van
17 juli 2020 tot en met 10 augustus 2020 in een tiental brieven zijn reactie aan de
deken gestuurd.
1.6 Per e-mail van 26 augustus 2020 heeft de deken zijn bevindingen van het aanvullend
onderzoek in deze klachtzaak ter kennis van de raad gebracht.
1.7 De klacht is vervolgens verder behandeld ter zitting van de raad van 28 juni
2021 ten overstaan van de raad in een gewijzigde samenstelling. Klager en verweerder
zijn daarbij verschenen. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt
1.8 De raad heeft kennisgenomen van:
- de stukken zoals genoemd in de tussenbeslissing en de tussenbeslissing zelf;
- de correspondentie betreffende het aanvullend onderzoek van de deken, zoals
genoemd op de inventarislijst bij de e-mail van 26 augustus 2020 van de deken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier,
het aanvullend klachtonderzoek van de deken en op de op de zitting afgelegde verklaringen,
uit van de volgende feiten.
2.2 Bij vonnis van 2 februari 2017 heeft de rechtbank Amsterdam klager schuldig
bevonden aan poging tot doodslag, gepleegd tegen zijn ex-partner. Aan klager is een
gevangenisstraf voor drie jaar opgelegd en terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging
van overheidswege (dwangverpleging).
2.3 De toenmalige advocaat van klager heeft hoger beroep ingesteld. Daarna heeft
klager verweerder verzocht om zijn belangen verder te behartigen.
2.4 Verweerder heeft klager in maart 2017 in de PI bezocht. Ook is er veelvuldig
telefonisch contact tussen hen geweest.
2.5 Per faxbericht van 27 maart 2017 heeft verweerder aan het gerechtshof Amsterdam
laten weten dat klager en hijzelf niet aanwezig zullen zijn op de zitting van 28 maart
2017 vanwege het pro forma karakter ervan.
2.6 In het proces-verbaal van de zitting (pro forma) van 28 maart 2017 van het
gerechtshof in de strafzaak van klager staat, voor zover relevant, vermeld:
“Verdachte: niet verschenen afstand d.d. 28 maart 2017”;
Geen inhoudelijke behandeling: dossier nog niet aanwezig”.
De zaak is aangehouden voor inhoudelijke behandeling op 24 mei 2017.
2.7 Op 22 mei 2017 heeft verweerder klager in de PI bezocht. Daarbij zijn ook de
pleitaantekeningen van verweerder voor de zitting van 24 mei 2017 besproken.
2.8 Op 23 mei 2017 heeft klager telefonisch contact gehad met het secretariaat
van het kantoor van verweerder.
2.9 Op 24 mei 2017 heeft de inhoudelijke zitting in de strafzaak plaatsgevonden.
Klager en verweerder waren daarbij aanwezig.
2.10 Bij arrest van 7 juni 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van
de rechtbank vernietigd en klager onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van
vier jaren en TBS met verpleging van overheidswege. Blijkens het proces-verbaal van
7 juni 2017 heeft het gerechtshof deze uitspraak ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Klager was daarbij aanwezig, verweerder niet. Klager is op de mogelijkheid gewezen
om binnen veertien dagen beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest.
2.11 Per e-mail van 7 juni 2017 om 16:21 uur heeft een kantoorgenoot van verweerder,
mr. H, aan verweerder laten weten dat klager had gebeld met de mededeling dat cassatieberoep
moest worden ingesteld. In zijn verklaring van 18 juni 2020 in het kader van deze
procedure heeft mr. H dit bevestigd en tevens gemeld dat klager hem had laten weten
dat hij het arrest had ontvangen.
2.12 Verweerder heeft het arrest van 7 juni 2017 met klager besproken en namens
klager cassatie ingesteld.
2.13 Per e-mail van 18 juli 2017 heeft verweerder namens klager bij de PI een verzoek
tot incidenteel verlof gedaan om de begrafenis van zijn op 14 juli 2017 overleden
broer te mogen bijwonen. Dit verzoek is ingewilligd.
2.14 In de loop van de cassatieprocedure heeft verweerder op verzoek van klager
het dossier overgedragen aan een opvolgend advocaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) verstek te laten gaan bij de pro forma zitting van 28 maart 2017;
b) klager onaangekondigd twee dagen voor de inhoudelijke zitting in zijn strafzaak
op 24 mei 2017 in de PI te bezoeken en hem te confronteren met een pleitnota, die
zonder enig overleg met klager was opgesteld;
c) na de zitting van 24 mei 2017 niets meer van zich te laten horen en geen proces-verbaal
toe te sturen, ondanks de belofte aan klager dat er nog een gesprek zou komen waarin
ook de door klager toegezonden aanvullende informatie besproken zou worden;
d) geen reactie te geven op de door klager in de periode tussen de pro formazitting
van 28 maart 2017 en de inhoudelijke zitting van 24 mei 2017, toegestuurde brieven/mailberichten
met bijlagen;
e) in de procedure bij het gerechtshof geen verdere onderzoekswensen, dan wel een
verzoek tot het horen van getuigen, waaronder familieleden, in te dienen;
f) onverschillig te blijven omtrent het overlijden van de broer van klager op 14
juli 2017 en daarin geen actie voor klager te hebben ondernomen, waardoor klager dat
zelf heeft moeten regelen bij Justitie;
g) aan klager niet het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juni 2017 te
verstrekken.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 In de week voor de zitting van 28 maart 2017 bij het gerechtshof is verweerder
door klager teruggebeld vanuit de PI. Tijdens dat gesprek heeft verweerder met klager
de zaak besproken en ook meegedeeld dat de zaak uitsluitend pro forma behandeld zou
worden. Volgens verweerder heeft hij klager aangeboden om vanwege de vaak korte duur
van dergelijke zittingen daar namens hem heen te gaan, dan wel een kantoorgenoot te
sturen. Nadat klager daarop had laten weten dat hij niet zelf naar die zitting hoefde
te gaan en dat ook niemand namens hem hoefde te gaan, heeft verweerder het gerechtshof
per fax van 27 maart 2017 over hun afwezigheid op de zitting geïnformeerd. Blijkens
het proces-verbaal van de zitting heeft klager afstand gedaan van zijn recht om op
die zitting aanwezig te zijn. De zitting, die zonder deze afstandsverklaring niet
door had kunnen gaan, heeft kort geduurd, ook omdat het dossier nog niet aanwezig
was bij het gerechtshof. Klager is hierdoor niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.
Klachtonderdeel b)
4.3 Tijdens diverse telefoongesprekken in aanloop naar de inhoudelijke behandeling
van de zaak op 24 mei 2017 heeft verweerder met klager de lijn van de te voeren verdediging
besproken. Op 22 mei 2017 heeft hij tijdens een bezoek aan de PI een langdurig gesprek
met klager gehad. Of hij zijn komst vooraf heeft aangekondigd, kan verweerder zich
niet herinneren. Een onverwacht bezoek aan een PI is niet ongebruikelijk. Hij heeft
in dat gesprek met klager onder meer zijn concept-pleitnota doorgenomen en klager
daarvan een kopie gegeven. Klager was daarover tevreden. Van de nog geboden gelegenheid
om uiterlijk op 23 mei 2017 nog opmerkingen door te bellen, heeft klager geen gebruik
gemaakt. Klager heeft toen wel telefonisch contact gehad met zijn kantoor, maar dat
ging over een andere kwestie, aldus verweerder.
Klachtonderdeel c)
4.4 Doordat klager blijft weigeren om het gehele dossier, zoals verweerder dat
aan hem heeft geretourneerd na beëindiging van de opdracht, aan hem ter beschikking
te stellen, wordt verweerder in zijn verdediging geschaad. Verweerder kan daardoor
niet bevestigen of hij de brieven van klager, die als bijlage bij de klacht zijn gevoegd,
destijds heeft ontvangen en of hij die heeft beantwoord. Uit de vele nog beschikbare
belnotities is volgens verweerder wel af te leiden dat klager in die periode veelvuldig
telefonisch contact heeft gehad met verweerder of kantoorgenoten. Verweerder merkt
daarbij op dat geen van die belnotities de vragen bevatten die in bedoelde brieven
van klager zouden hebben gestaan. Als klager die vragen op die momenten nog had gehad,
dan zou hij zich daar telefonisch over hebben beklaagd.
Klachtonderdeel d)
4.5 Volgens verweerder heeft hij de door klager nagestuurde informatie uitgebreid
met hem besproken. Veel van die stukken waren niet relevant voor zijn zaak, zoals
hij klager ook heeft verteld. Dat gold helemaal voor de cassatieprocedure, waarbij
het niet meer om de feiten van de zaak gaat. Omdat hij niet over een proces-verbaal
van de zitting van 24 mei 2017 beschikte, kon hij die ook niet aan klager toesturen.
Klachtonderdeel e)
4.6 Verweerder stelt dat klager niet onderbouwt welke onderzoekswensen door verweerder
in appel hadden moeten worden ingediend. Verder stelt verweerder dat klager op geen
enkel moment tijdens de belangenbehartiging hem heeft gevraagd om getuigen te laten
horen of bepaalde onderzoekswensen in te dienen. Hij zag daartoe zelf geen aanleiding
zodat hij klager dit niet heeft geadviseerd. In maart 2017 heeft hij de appelschriftuur,
gemaakt en ingediend door zijn voorganger, uitgebreid met klager in de PI besproken.
Vanwege de bekentenis van klager over het strafbare feit en de aanwezige getuigen
daarbij, was het horen van getuigen niet geïndiceerd. Met klager is besproken dat
het appel zich uitsluitend zou richten op de hoogte van de straf en de opgelegde TBS
maatregel. Dat heeft hij, zoals te doen gebruikelijk, daarna ook aan klager schriftelijk
bevestigd, maar verweerder kan dat door het ontbreken van een dossier, niet bewijzen.
Klachtonderdeel f)
4.7 Volgens verweerder mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag. Meteen nadat
hij van klager had vernomen dat zijn broer op 14 juli 2017 was overleden, heeft hij
op 18 juli 2017 een verzoek tot incidenteel verlof namens klager ingediend bij de
PI waar klager toen verbleef. Dat verzoek is ingewilligd.
Klachtonderdeel g)
4.8 Ook dit verwijt mist feitelijke grondslag. Op 7 juni 2017 is klager bij het
uitspreken van het arrest door het gerechtshof Amsterdam aanwezig geweest en heeft
van het arrest een afschrift ontvangen. Direct na de uitspraak heeft klager telefonisch
contact gehad met de kantoorgenoot van verweerder, mr. H. Verweerder verwijst naar
de door mr. H op 18 juni 2020 opgestelde verklaring over de gang van zaken. Hoe dan
ook heeft klager, zoals gebruikelijk, het arrest ook via zijn kantoor ontvangen.
5 BEOORDELING
5.1 In deze zaak staat de vraag centraal of verweerder de strafzaak van klager
heeft behandeld met voldoende zorg voor de belangen van klager, als bedoeld in artikel
46 Advocatenwet. De raad neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking.
5.2 De raad hanteert als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de
kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij
deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat
heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor
de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de
advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes
waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de
eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van datgene wat binnen
de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt
een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende
advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (HvD 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32).
5.3 Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische
kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele
standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden
mag worden verwacht (HvD 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:80).
Klachtonderdeel a)
5.4 Op basis van de door verweerder overgelegde stukken, waaronder zijn fax van
27 maart 2018 en het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2017, is voor de raad
aannemelijk dat voorafgaand aan de pro formazitting op 28 maart 2017 tussen klager
en verweerder is afgesproken dat klager noch verweerder op de pro formazitting op
28 maart 2017 aanwezig zouden zijn. Zoals blijkt uit het proces-verbaal heeft het
gerechtshof ook zelf geverifieerd of klager formeel afstand van zijn recht op aanwezigheid
bij die zitting had gedaan, waarna de zitting buiten zijn aanwezigheid heeft plaatsgevonden.
Gelet op deze aanwijzingen en nu niet is gesteld of gebleken dat de belangen van klager
door zijn verstek tijdens de zitting van 28 maart 2017 op enigerlei wijze zijn geschaad,
is van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder jegens klager geen
sprake geweest. Klachtonderdeel a) wordt ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.5 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de raad gebleken dat verweerder
op 22 mei 2017 in de PI met klager heeft gesproken over de inhoud van zijn op 24 mei
2017 te houden pleidooi. Dat dit voor klager een onverwacht bezoek is geweest, kan
zo zijn maar is niet ongebruikelijk voor strafrechtadvocaten en niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Niet in geschil is dat er vóór 22 mei 2017 ook telefonisch contact tussen
klager en verweerder is geweest ter voorbereiding van de zaak. Evenmin staat ter discussie
dat verweerder op 22 mei 2017 van verweerder een kopie van zijn pleitaantekeningen
heeft ontvangen. Volgens verweerder heeft hij klager, die op 22 mei 2017 liet weten
tevreden te zijn met de inhoud van zijn pleidooi, daarna nog de mogelijkheid gegeven
om uiterlijk op 23 mei 2017 telefonisch opmerkingen door te geven, maar heeft klager
daarvan geen gebruik gemaakt. Klager heeft echter ter zitting toegelicht dat hij uit
onvrede met de pleitaantekeningen op 23 mei 2017 contact met het kantoor van verweerder
heeft gezocht maar verweerder niet heeft kunnen spreken. Daarom heeft klager het gerechtshof
gevraagd om de zitting te schorsen, wat ook kort is gebeurd, zodat hij alsnog de pleitnota
en zijn onderzoekswensen met verweerder kon bespreken. Verweerder heeft dit op zijn
buurt betwist.
5.6 De raad is gebleken dat verweerder op verschillende momenten de inhoud van
de te volgen strategie, zoals door hem later is verwerkt in de pleitaantekeningen
voor de zitting van 24 mei 2017, met klager heeft besproken. Indien klager het met
de door verweerder gekozen insteek niet eens was geweest, had het voor de hand gelegen
dat klager zijn dossier bij klager had weggehaald en een andere advocaat had gezocht.
Ook was een optie geweest dat klager tijdens de zitting op 24 mei 2017 ten overstaan
van het gerechtshof zijn ongenoegen over zijn advocaat had uitgesproken en daaraan
toen gevolgen had verbonden. Dat klager dit heeft gedaan, is de raad echter niet gebleken.
Uit het feit dat klager na het voor hem negatieve arrest van 7 juli 2017 verweerder
zelfs heeft verzocht om cassatie voor hem in te stellen, leidt de raad eerder af dat
toen nog geen sprake van onvrede van klager bestond over de kwaliteit van optreden
van verweerder.
5.7 Op grond van vorenstaande omstandigheden is de raad van oordeel dat verweerder
op zorgvuldige wijze de zaak van klager met hem heeft voorbereid en dat hem daarvan
geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Dat betekent dat klachtonderdeel b) ongegrond
wordt verklaard.
Klachtonderdeel c)
5.8 De juistheid van het verwijt dat verweerder na de zitting van 24 mei 2017 niets
meer van zich heeft laten horen, is tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door
verweerder, niet komen vast te staan. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat
hij niet meer beschikt over het dossier, wat klager ook niet wil afgeven, zodat hij
niet met stukken kan aantonen dat hij de met klager gemaakte afspraken of belangrijke
mededelingen schriftelijk heeft bevestigd, zoals hij dat altijd doet. Los daarvan
is de raad uit de overgelegde stukken gebleken dat klager kennelijk na 24 mei 2017,
namelijk na het arrest van 7 juli 2017 contact met (het kantoor van) verweerder heeft
gehad en verweerder de opdracht heeft gegeven om cassatieberoep in te stellen. Nu
verweerder aldus geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zal de raad klachtonderdeel
c) ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel d)
5.9 Gelet op het gemotiveerde verweer van verweerder, terwijl klager zijn klachten
onvoldoende nader heeft onderbouwd, is de juistheid van het verwijt dat klager geen
reactie heeft gegeven op door klager toegestuurde stukken niet komen vast te staan.
Dat leidt ertoe dat de raad klachtonderdeel d) ongegrond zal verklaren.
Klachtonderdeel e)
5.10 Ter zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat klager het strafbare
feit had bekend en dat daarvan ook getuigen waren. Als klager hem al op enig moment
heeft gevraagd om getuigen op te roepen, verdere onderzoekswensen in te dienen of
het verweer toe te spitsen op de persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van
klager dat kan verweerder zich niet meer herinneren -, dan had hij klager dat zeker
om genoemde redenen en gezien de tenlastelegging van een poging tot moord ten stelligste
afgeraden. Dat kon volgens verweerder alleen maar slechter uitpakken voor klager.
Hij heeft klager wel geadviseerd om zich op zijn zwijgrecht te beroepen, maar daaraan
heeft klager geen gehoor gegeven. Klager heeft betwist dat het zo is gegaan en gesteld
dat verweerder naar zijn mening onvoldoende heeft gedaan met zijn nadere onderzoekswensen
en zijn verzoek om getuigen te horen en stukken in te dienen.
5.11 Ondanks dat partijen hierin lijnrecht tegenover elkaar staan, is de raad van
oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder klager in deze niet naar behoren
heeft bijgestaan. Een gebruikelijke gang van zaken is dat onderzoekswensen en het
eventueel horen van getuigen voor indiening van een appelschriftuur door een advocaat
met de cliënt worden besproken. Indien het belang van de verdediging dat vordert,
kunnen dergelijke verzoeken in het appelschrift worden meegenomen. Verweerder is pas
na indiening van het appelschrift bij de zaak van klager betrokken geraakt. Uit hetgeen
verweerder ter zitting heeft verklaard is de raad gebleken dat hij daarna voor een
bepaalde invalshoek heeft gekozen en dat naar zijn zeggen herhaaldelijk zo met klager
heeft afgestemd. Niet is gebleken dat de onderzoekswensen door klager met verweerder
zijn besproken dan wel door klager aan verweerder is gevraagd om getuigen te horen.
Zoals hiervoor al is overwogen in klachtonderdeel b) had klager, indien hij het daarmee
niet eens was geweest, op verschillende momenten de opdracht aan verweerder kunnen
intrekken. Dat heeft hij niet gedaan.
5.12 Op grond van het voorgaande, in samenhang beschouwd, is de raad van oordeel
dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager heeft gehandeld. Ook
klachtonderdeel e) wordt ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel f)
5.13 Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerder op 18 juli 2017, vanwege
het overlijden van de broer van klager, bij de PI incidenteel verlof voor klager heeft
aangevraagd. Verweerder heeft daarmee als zakelijke belangenbehartiger van klager
in het belang van klager gehandeld. Of verweerder zich daarbij onverschillig richting
klager zou hebben opgesteld, wat door verweerder is weersproken, is voor het tuchtrechtelijk
oordeel over het optreden van verweerder niet relevant.
5.14 Nu de feiten die klager aan dit verwijt ten grondslag legt onjuist zijn, wordt
klachtonderdeel f) ongegrond geoordeeld.
Klachtonderdeel g)
5.15 Uit de overgelegde stukken, waaronder de verklaring van mr. H van 18 juni
2020, is de raad gebleken dat klager bij de openbare uitspraak op 7 juni 2017 door
het gerechtshof aanwezig is geweest en het arrest heeft aangehoord. Ter zitting heeft
verweerder nog aangevoerd dat cliënten standaard een kopie van het arrest ontvangen
zodra het arrest op kantoor is ontvangen, zodat klager op die manier een afschrift
van het arrest zal hebben gekregen. Niet valt in te zien in welke zin verweerder in
dezen een tuchtrechtelijk verwijt treft. Een feitelijke grondslag ontbreekt daarvoor.
Dat leidt ertoe dat de raad ook klachtonderdeel g) ongegrond zal verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. F.E.J. Janzing, C.W.J. Okkerse, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2021.
griffier voorzitter
Verzonden d.d. 6 september 2021