ECLI:NL:TADRAMS:2026:78 Raad van Discipline Amsterdam 26-197/A/A 26-206/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-04-2026 |
| Datum publicatie: | 23-04-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; de klacht van klager over verweerders is kennelijk niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
13 april 2026
in de zaak 26-197/A/A en 26-206/A/A
naar aanleiding van de klachten van:
klager
over:
verweerders
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 11 maart 2026 met kenmerken 2519884/ER/AS en 2534539/EvR/AS, door de raad ontvangen op eveneens 11 maart 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 05.2. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door verweerders op 2 april 2026 nagezonden stukken en van de e-mail van klager van 6 april 2026 en twee e-mails van 8 april 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter uit van feiten uit het klachtdossier
en feiten die haar ambtshalve bekend zijn.
1.1 Klager was in het verleden docent bij de onderwijsinstelling Fontys Hogescholen
(hierna: Fontys). Op 19 juli 2016 is klager ziek uitgevallen.
1.2 In oktober 2017 heeft klager met bijstand van DAS Rechtsbijstand, Fontys
aansprakelijk gesteld voor zijn uitval. Fontys heeft deze aansprakelijkstelling aan
haar aansprakelijkheidsverzekeraar Allianz doorgestuurd. Begin 2024 heeft Allianz
verweerders gevraagd haar bij te staan in het geschil met klager.
1.3 Op 1 juni 2024 heeft klager eerder bij de deken klachten over verweerders
ingediend over hun bijstand aan Allianz. Deze klachten, bij de raad bekend onder de
zaaknummers 24-929/A/A en 24-930/A/A, zijn door (de voorzitter van) de raad bij beslissing
van 27 januari 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Het door klager hiertegen ingestelde
verzet is bij beslissing van de raad van 26 mei 2025 ongegrond verklaard, waarmee
de beslissing onherroepelijk is geworden.
1.4 Op 26 juli 2025 heeft klager verweerders persoonlijk aansprakelijk gesteld
voor het feit dat Allianz de door hem geleden letselschade niet wilde uitkeren.
1.5 Op 3 september 2025 heeft klager bij de deken onderhavige klacht over verweerders
ingediend.
Andere (klacht)procedures
1.6 De voorzitter is (ambtshalve) ook bekend met de volgende feiten. Op 18 januari
2019 heeft Fontys de arbeidsovereenkomst met klager vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid
met ingang van 1 mei 2019 opgezegd. Klager heeft ook een procedure gevoerd tegen Fontys.
Deze procedure is geëindigd met een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van
6 augustus 2020. In deze procedures werd Fontys bijgestaan door de advocaten, mrs.
Van H en Van den H. Klager werd zelf (in het hoger beroep) bijgestaan door mr. S.
1.7 Klager heeft over mrs. Van H en/of Van den H vijf klachten ingediend bij
de raad bekend onder de zaaknummers 20-843/A/A, 20-925/A/A, 22-695/A/A, 22-696/A/A,
24-309/A/A en 26-033/A/A. Deze klachten zijn door (de voorzitter van) deze raad (kennelijk)
ongegrond, danwel niet-ontvankelijk verklaard.
1.8 In de zaaknummers 24-309/A/A en 24-311/A/A heeft de raad bij beslissing van
28 oktober 2024 onder 4.8 overwogen, voor zover relevant:
“Uit de gegeven toelichting van verweerders leidt de raad af dat klager het advocatentuchtrecht
gebruikt om zijn ongenoegen over zijn geschil met verweerders onder de aandacht te
blijven brengen. Zijn klachten gaan daarbij vrijwel steeds om dezelfde dan wel vergelijkbare
gedragingen die verweerders worden verweten. Geen van de door klager ingediende klachten
heeft tot gegrondverklaring van enig klachtonderdeel geleid. Klager moet er dan ook
rekening mee houden dat een volgende klacht over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen
niet meer in behandeling zal worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik
van recht.”
1.9 Daarnaast heeft klager klachten ingediend over mr. S (die hem heeft bijgestaan
in het hoger beroep tegen Fontys), mr. Z, in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris
op het kantoor van mr. S en over mr. K die mrs. S en Z in de tuchtrechtelijke procedure
als gemachtigde heeft bijgestaan. Verwezen wordt naar de beslissing van de Raad van
Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 18 november 2024, ECLI:NL:TADRSHE:2024:164,
waarin een overzicht is gegeven van (de tot dan toe) tien door klager over deze advocaten
(en over mrs. Van den H en Van H) ingediende klachten. Deze klachten houden allemaal
verband met het geschil van klager over zijn ontslagprocedure. In deze beslissing
is onder 3.7 het volgende overwogen:
“In navolging van de raad van discipline Amsterdam (RvD Amsterdam 28 oktober 2024,
ECLI:NL:TADRAMS:2024:182, overweging 4.5) overweegt de voorzitter dat klager er rekening
mee dient te houden dat nieuwe klachten over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen
niet meer in behandeling zullen worden genomen door de deken en/of de raad vanwege
misbruik van recht. Dit geldt zowel ten aanzien van de dienstverlening in de procedure
tegen de hogeschool, als over de klachtbehandeling en aansprakelijkstelling van nadien.
Het voorgaande zal daarbij niet alleen worden beperkt tot verweerder, maar geldt ook
voor nieuwe klachten tegen mr. [S] of andere advocaten die voor hem hebben opgetreden
in (tucht)procedures.”
1.10 De voorzitter van het Hof van Discipline heeft bij uitspraak van 8 mei 2025
(ECLI:NL:TAHVD:2025:76) geoordeeld in een procedure waarin, naar aanleiding van een
klacht van klager tegen een voormalig deken, werd verzocht om verwijzing op grond
van artikel 46c lid 5 van de Advocatenwet. Onder verwijzing naar de beslissing van
18 november 2024 heeft de voorzitter overwogen dat klager stelselmatig klachten blijft
indienen tegen advocaten die betrokken waren bij procedures rondom en na de beëindiging
van zijn dienstverband. Daarmee maakt klager misbruik van de toegang tot het klachtrecht.
Om die reden heeft de voorzitter besloten de klacht tegen de deken niet te verwijzen
naar een deken van een andere orde. De dragende overwegingen onder 2.4 en 2.5 van
het Hof luiden als volgt:
“2.4 De voorzitter stelt vast dat deze klacht zodanig gebrekkig is geformuleerd
dat deze als onbegrijpelijk en daarmee als lichtvaardig ingediend moet worden gekwalificeerd.
De onderbouwing maakt een en ander niet bepaald inzichtelijker.
2.5 Met deze klacht, die zoals uit het overzicht in de uitspraak van de Raad van
Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 18 november 2024, met nummer 24-692/DB/ZWB
blijkt, verband houdt met klachten die klager blijft indienen tegen advocaten die
hebben opgetreden in procedures rondom en na de beëindiging van klagers dienstverband
bij [de werkgever], maakt klager naar het oordeel van de voorzitter misbruik van de
toegang tot het klachtrecht. Het hof zal de klacht daarom niet verwijzen.”
2 BEOORDELING
2.1 De voorzitter stelt vast dat onderhavige klacht over verweerders wederom
betrekking heeft op de bijstand van verweerders aan Allianz in het geschil met klager.
Zoals volgt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is klager er inmiddels
bij herhaling op gewezen dat hij er rekening mee moet houden dat nieuwe klachten over
(ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen niet meer in behandeling zullen worden genomen
door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht. Dit geldt zowel ten aanzien
van de dienstverlening in de procedure tegen de hogeschool, als over de klachtbehandeling
en de aansprakelijkstelling van nadien.
2.2 Ondanks deze waarschuwingen blijft klager klachten indienen over advocaten
die hebben opgetreden in procedures rondom en na de beëindiging van klagers dienstverband
bij Fontys. Naar het oordeel van de voorzitter maakt klager hiermee misbruik van de
toegang tot het klachtrecht.
2.3 De klacht over verweerders wordt daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard
wegens misbruik van recht. Daarmee komt de voorzitter niet toe aan de inhoud van de
klacht. De voorzitter wijst klager er op dat hij er ernstig rekening mee moet houden
dat een volgende klacht over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen (ook) niet
meer in behandeling zal worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik
van recht.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht over verweerder met kenmerk 26-197/A/A met toepassing van artikel
46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- de klacht over verweerster met kenmerk 26-206/A/A met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Abu Ghazaleh-Borgers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026