ECLI:NL:TADRAMS:2026:61 Raad van Discipline Amsterdam 26-060/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:61 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-03-2026 |
| Datum publicatie: | 23-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-060/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder procedures onnodig heeft gerekt en onnodige procedures namens zijn cliënte heeft gevoerd en daarbij escalerend heeft opgetreden. (Proces)keuzes van de cliënte kunnen verweerder niet worden aangerekend. In de processtukken heeft verweerder het standpunt van zijn cliënte opgenomen. Van grievende of onbetamelijke uitlatingen over klager is geen sprake. Klager miskent dat het contactverbod met zijn ex-partner ook verweerder betreft. Klachten kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
16 maart 2026
in de zaak 26-060/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 22 januari 2026 met kenmerk 2499652/EvR/JN, door
de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
1 tot en met 4. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van
klager van 9 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft de ex-partner van klager in verschillende procedures bijgestaan.
Klager en de ex-partner hebben vier minderjarige kinderen.
1.2 Bij vonnis van 16 december 2022 heeft de politierechter klager veroordeeld
voor mishandeling van zijn ex-partner en is hem voor twee jaar een contact- en locatieverbod
opgelegd.
1.3 Bij beschikking van 1 november 2023 heeft de rechtbank Gelderland onder meer
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De ex-partner van klager heeft hiertegen
hoger beroep ingesteld en verzocht de beschikking van de rechtbank in zoverre te vernietigen
dat zij alsnog met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt belast. Klager heeft
tegen de beschikking incidenteel hoger beroep ingesteld en aanvullend verzocht om
de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de uitgesproken echtscheiding te vernietigen
en een deskundige te benoemen om de werkelijke wil van de vrouw vast te kunnen stellen.
1.4 De echtscheidingsbeschikking van 1 november 2023 is op 19 april 2024 ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente L.
1.5 Bij beschikking van 16 juli 2024 heeft het gerechtshof klager niet-ontvankelijk
verklaard in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep dat ziet op de uitgesproken
echtscheiding en de beschikking van de rechtbank van 1 november 2023 bekrachtigd.
1.6 Bij vonnis van 13 december 2024 heeft de rechtbank Gelderland het contact-
en locatieverbod van klager met een jaar verlengd. Het contactverbod houdt in dat
het klager is verboden via derden, direct of indirect contact op te nemen met zijn
ex-partner en/of de minderjarige kinderen, met uitzondering van de begeleide omgangscontacten
met de kinderen.
1.7 Bij beschikking van 13 januari 2025 heeft de rechtbank Gelderland de ambtenaar
van de burgerlijke stand in de gemeente L gelast om de akte van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking van 1 november 2023 tussen klager en de ex-partner door
te halen en bepaald dat de griffier daartoe een afschrift van die beschikking aan
de gemeenteambtenaar zal sturen zodra de beschikking van 13 januari 2025 in kracht
van gewijsde is gegaan. Klager heeft op 11 april 2025 tegen de beschikking van 13
januari 2025 hoger beroep ingesteld.
1.8 Op 14 april 2025 is de ex-partner een kort geding tegen klager gestart. Zij
heeft onder meer gevorderd om klager te gebieden mee te werken aan doorhaling van
de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 19 april 2024 vanwege een kennelijke
misslag in de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2023 en ook gevorderd te bepalen
dat die echtscheidingsbeschikking uiterlijk 17 april 2025 weer wordt ingeschreven;
dit om te voorkomen dat de echtscheidingsbeschikking en de getroffen nevenvoorzieningen
hun kracht verliezen. Klager heeft verzocht om afwijzing van de vorderingen van zijn
ex-partner en gesteld dat hij er belang bij heeft dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking
niet wordt doorgehaald en daarna niet meer kan worden ingeschreven, zodat de echtscheiding
en de getroffen nevenvoorzieningen opnieuw beoordeeld moeten worden.
1.9 Bij vonnis van 15 april 2025 heeft de voorzieningenrechter een deel van de
vorderingen van de ex-partner van klager toegewezen, in die zin dat klager zijn medewerking
moet verlenen aan de doorhaling en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking,
dan wel dat het vonnis in plaats treedt van zijn wilsverklaring. De echtscheidingsbeschikking
is uiterlijk op 17 april 2025 op juiste wijze in de gemeenteregisters ingeschreven.
1.10 Op 20 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder
dat hij:
a) procedures onnodig rekt en/of onnodige procedures voert en daarbij elke vorm
van overleg en bemiddeling weigert, wat tot toenemende escalatie en schade heeft geleid
voor - onder meer - de vier zeer jonge betrokken kinderen;
b) een vals narratief van zijn cliënte, waaronder aantijgingen van strafbaar
handelen door klager, in stand houdt en dit propageert in processtukken en geen medewerking
verleent aan verzoeken van klager om dit valse narratief door zijn cliënte in een
verklaring te laten corrigeren, waardoor verweerder medeverantwoordelijk is voor het
op ernstige wijze schaden van de belangen van klager.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager.
Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt
hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde
voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat
in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen
van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich
bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet
bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder
geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben
gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel
dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen,
opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, het belang
van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, het verloop van
het geschil tot dan toe en de kans op succes van de procedure afwegen.
4.3 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten verder
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel
46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en
wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.4 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a)
4.5 Verweerder betwist dat hij namens zijn cliënte onnodig procedures tegen klager
heeft gevoerd, heeft gerekt of escalerend heeft opgetreden. Als er al vertraging is
opgetreden, dan is dat volgens verweerder met name het gevolg van door klager gemaakte
(proces)keuzes. Zo heeft klager hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking.
Om de echtscheiding snel te realiseren moest zijn cliënte een kort geding voeren.
Haar vorderingen zijn toegewezen met veroordeling van klager in de proceskosten. Ook
daarna heeft klager geweigerd om de hogerberoepprocedure in te trekken. Daardoor wordt
juist de cliënte van verweerder in haar vervolgstappen gefrustreerd. Verder voert
verweerder aan dat klager niet openstaat voor herstel van contact op de wijze zoals
is geadviseerd door de Gecertificeerde Instelling. Verweerder heeft klager kenbaar
gemaakt dat dit voor zijn cliënte de enige optie is voor herstel van contact en dat
als hij dit op de door hem voorgestane wijze wenst te doen, het hem vrijstaat dit
voor te leggen aan de rechter. Daarbij benadrukt verweerder dat het niet zijn taak
is om zijn cliënte ervan te overtuigen dat er moet gebeuren wat klager wil.
4.6 De juistheid van het in dit onderdeel door klager gemaakte verwijt kan de
voorzitter tegenover de betwisting daarvan door verweerder niet vaststellen. Bij het
optreden voor de eigen cliënt mag een advocaat niet de belangen van een wederpartij
nodeloos of onevenredig schaden. Dat daarvan sprake is geweest door de handelwijze
van verweerder, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Het stond verweerder
vrij om als partijdig advocaat te handelen voor zijn cliënte zoals hij dat heeft gedaan.
Dat klager het daarmee niet eens is, maakt nog niet dat verweerder een tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt. Concrete feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat
verweerder anderszins onbetamelijk heeft gehandeld, zijn de voorzitter niet gebleken.
Dit betekent dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond zal worden verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.7 Verweerder betwist de in dit klachtonderdeel gemaakte verwijten. (Proces)keuzes
van zijn cliënte kunnen verweerder niet worden aangerekend. Hij heeft in zijn processtukken
het standpunt van zijn cliënte opgenomen, waarop klager heeft kunnen reageren. Van
grievende of onbetamelijke uitlatingen over klager van de kant van verweerder is geen
sprake. Verweerder verwijst verder naar het aan klager opgelegde straat- en contactverbod.
Sinds de start van deze klachtprocedure heeft verweerder van klager ruim 100 berichten
ontvangen waarin klager van hem verlangt dat hij een chatgroep maakt. Daarmee handelt
klager in strijd met het geldende contactverbod. Voor zover klager het met dat contactverbod
niet eens is, staan daar andere wegen voor open dan de tuchtrechtelijke.
4.8 Naar het oordeel van de voorzitter is verweerder niet (mede)verantwoordelijk
voor een door zijn cliënte ingenomen standpunt. Klager heeft tegen het vermeende valse
narratief van zijn ex-partner ook verweer kunnen voeren. Niet valt in te zien op welke
(rechts)grond door klager van verweerder kan worden verlangd dat verweerder zijn cliënte
vraagt om haar standpunt te corrigeren. Het behoort verder niet tot de taak van de
tuchtrechter om over de juistheid van het contact- en straatverbod een oordeel te
geven. Dat is voorbehouden aan de behandelend rechter, tenzij duidelijk is dat de
verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de
voorzitter uit de stukken niet gebleken.
4.9 Nu verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt treft, zal ook klachtonderdeel
b) kennelijk ongegrond worden verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 16 maart 2026