ECLI:NL:TADRAMS:2026:57 Raad van Discipline Amsterdam 25-713/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:57 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-03-2026 |
| Datum publicatie: | 23-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-713/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familierechtkwestie. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar e-mail, waarin is vermeld dat haar cliënte aangifte tegen klager heeft gedaan, als productie over te leggen in de procedure zonder dat verweerster bij het overleggen, of op de zitting, heeft gemeld dat haar cliënte geen aangifte had gedaan. Op dat moment, en in ieder geval tijdens de zitting van november 2024, had verweerster kunnen weten dat de informatie van haar cliënte over de aangifte tegen klager niet juist was. Verweerster was voorafgaand aan de zitting van november 2024 op de hoogte van de klacht en zij had voldoende tijd om te controleren of haar cliënte aangifte tegen klager had gedaan. Verweerster heeft dit, om haar moverende redenen, nagelaten. Klacht gedeeltelijk gegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 16 maart 2026
in de zaak 25-713/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 9 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
Op 9 september 2024 en op 9 oktober 2024 heeft klager zijn klacht aangevuld.
1.2 Op 20 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2372824/JS/MV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is met zijn ex-echtgenote verwikkeld in een echtscheidingsprocedure.
Verweerster heeft de ex-echtgenote hierin bijgestaan.
2.3 In augustus 2024 heeft verweerster namens de ex-echtgenote een verzoek voorlopige
voorzieningen bij de rechtbank ingediend.
2.4 Op 24 september 2024 heeft verweerster klager namens de ex-echtgenote gemaild
over de situatie in de gezamenlijke woning en de toestemming van klager voor een verblijf
van de ex-echtgenote met hun kinderen in het buitenland. In haar e-mail heeft verweerster
vermeld:
‘Door uw gedrag voelt zij zich niet meer veilig in uw omgeving. Zij is van mening
dat ook de kinderen niet meer veilig bij u kunnen zijn. Cliënte heeft de politie moeten
benaderen en heeft ook aangifte tegen u gedaan. Door uw gedrag is de toestand thuis
inmiddels dus ondraaglijk geworden.
Het is bijzonder jammer dat u de woning niet vrijwillig wil verlaten terwijl u wel
de mogelijkheid heeft om tijdelijk bij uw ouders onderdak te krijgen. U weet dat cliënte
deze mogelijkheid niet heeft. Zij heeft geen familie in Nederland. Uw gedrag creëert
dus een onhoudbare en ook gevaarlijke situatie.
(…)
‘Ik heb tot op heden niets van uw advocaat vernomen dus ik ga ervan uit dat u deze
nog steeds niet heeft.
Ik raad u echter opnieuw dringend aan toch contact met een advocaat op te nemen
die uw belangen kan behartigen.’
2.5 Op 1 oktober 2024 heeft verweerster klager namens de ex-echtgenote gemaild
over de toestemming van klager voor een verblijf van de ex-echtgenote met hun kinderen
in het buitenland en de verdeling van de feestdagen. In haar e-mail heeft verweerster
vermeld:
‘Omdat de spanningen in huis flink zijn opgelopen (de politie is meerdere malen
moeten komen) heb ik u gevraagd aan cliënte toestemming te geven om de feestdagen
met de kinderen in (…), bij haar familie in (…), te mogen doorbrengen. Ook leden uit
uw gemeenschap hebben met u gesproken en waren zelfs bereid de kosten van deze reis
voor haar en de kinderen te betalen. Het mocht allemaal niet baten. U wilde gewoon
niet meewerken.
(…)
Het wachten is nu op zitting bij de rechtbank over de voorlopige voorziening. Ik
verzoek u tot die tijd uzelf -omwille van de kinderen- in bedwang te houden, zodat
het voor cliënte in ieder geval niet meer nodig zal zijn om weer de politie te laten
komen.’
2.6 Op 12 november 2024 heeft bij de rechtbank een zitting plaatsgevonden. Ten
behoeve van deze zitting heeft verweerster haar e-mails aan klager van 24 september
2024 en
1 oktober 2024 als producties bij de stukken overgelegd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Volgens klager
heeft verweerster ook in strijd gehandeld met gedragsregel 5 (minnelijke oplossing),
gedragsregel 7 (geen ongepaste uitlatingen) en gedragsregel 8 (geen onjuiste informatie).
Klager verwijt verweerster concreet het volgende:
a) verweerster heeft opgetreden voor de ex-echtgenote, terwijl verweerster klager
eerder, in de periode van 1 juli 2015 tot en met 12 juli 2022, van (juridisch) advies
heeft voorzien over persoonlijke zaken die direct verband houden met de echtscheidingsprocedure.
Er is hier sprake van belangenverstrengeling;
b) verweerster heeft bij het naar buiten brengen van de lezing van de ex-echtgenote
aangaande de feiten deze als vaststaand gepresenteerd zonder dat zij heeft vastgesteld
dat deze feiten juist zijn. Dit was ook niet mogelijk omdat de betreffende lezing
niet met de werkelijkheid strookte;
c) verweerster heeft (zware) beschuldigingen van de ex-echtgenote als vaststaand
gepresenteerd zonder dat zij zich er van tevoren van heeft vergewist dat er voldoende
grond voor die beschuldigingen bestaat, terwijl er geen aangifte was gedaan en de
beschuldigingen zijn geuit in het kader van een zogenoemde vechtscheiding;
d) verweerster heeft feiten geponeerd waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs
had behoren te kennen, althans die tot nader onderzoek noopten;
e) verweerster heeft haar medewerking verleend aan het verwoorden van ongeoorloofde
drukmiddelen, namelijk het – in het kader van een concreet verzoek tot toestemming
klager – poneren van het (onjuiste) feit dat er aangifte tegen klager zou zijn gedaan
en tevens het uiten van het dreigement dat de ex-echtgenote weer de politie (voor
klager) zou laten komen.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster betwist dat zij sinds 2015 op regelmatige
basis contact heeft met klager. Volgens verweerster heeft zij rond april 2022 voor
het eerst telefonisch contact gehad met klager in verband met een doorverwijzing van
een cliënte in een echtscheidingszaak. Ook merkt verweerster op dat zij klager in
juni 2022 de hand heeft geschud tijdens een jubileumfeest van het advocatenkantoor
waar klager werkzaam is. Volgens verweerster heeft zij rond juli 2022 nog een keer
telefonisch contact met klager gehad over een vreemdelingenrechtkwestie en heeft zij
hem toen algemene informatie gestuurd over artikel EVRM, maar ging het niet over een
specifieke zaak van klager. Daarna is er volgens verweerster geen contact meer met
klager geweest.
Er is volgens verweerster in totaal drie à vier keer, waarvan een keer in persoon, contact met klager geweest, maar heeft zij hem nooit adviezen gegeven, zijn privézaken van klager niet besproken en is van een advocaat-cliëntrelatie nimmer sprake geweest. In dat verband merkt verweerster op dat klager haar belde nadat de ex-echtgenote bij haar was geweest en dat zij hem toen heeft geadviseerd een advocaat te nemen.
Van invloed op een collega van klager, omdat zij die collega en diens partner heeft geholpen in hun echtscheidingsprocedure is volgens verweerster geen sprake en levert geen (potentiële) belangenverstrengeling op. Volgens verweerster heeft de ex-echtgenote haar later verteld dat zij bij hetzelfde advocatenkantoor heeft gewerkt als waar klager nu werkt, maar levert dat volgens haar ook geen belangenverstrengeling op.
Daarnaast merkt verweerster op dat zij in haar e-mails van 24 september 2024 en
1 oktober 2024 het standpunt van haar cliënte heeft weergegeven en dat zij geen
reden had om daaraan te twijfelen. Volgens verweerster was het haar bekend dat de
politie betrokken is geweest en had zij geen reden om te twijfelen aan de informatie
van haar cliënte dat zij tegen klager aangifte heeft gedaan. Daarbij merkt verweerster
op dat later bleek dat de politie van het contact met de ex-echtgenote meldingen/mutaties
had gemaakt, maar dat het wel de bedoeling van haar cliënte is geweest om aangifte
te doen.
Tot slot is volgens verweerster in haar e-mail van 1 oktober 2024 geen sprake van
een dreigement. Volgens verweerster was de situatie tussen partijen geëscaleerd en
heeft zij klager in haar e-mail proberen te overtuigen van de noodzaak om de situatie
niet verder te laten escaleren.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46
Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.3 In familierechtkwesties moet de advocaat er bovendien voor waken dat de verhoudingen
tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden
verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.4 De raad stelt voorop dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen
een (voormalig) cliënt van de advocaat of van een kantoorgenoot, zoals verwoord in
gedragsregel 15. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin zij
de kans loopt ten koste van haar (voormalig) cliënt in een belangenconflict te raken.
Daarnaast moet de (voormalig) cliënt er volledig op kunnen vertrouwen dat gegevens
over zijn zaak die de (voormalig) cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter
beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit
al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat.
5.5 De raad kan niet vaststellen dat ten aanzien van de bijstand door verweerster
aan de ex-echtgenote van klager sprake is van een belangenconflict en dus van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen van verweerster. Klager heeft zijn standpunt hierover niet met
e-mails of andere stukken onderbouwd en verweerster heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd
betwist dat zij voorafgaand aan haar bijstand aan de ex-echtgenote juridisch advies
aan klager heeft gegeven over persoonlijke zaken die direct verband houden met de
echtscheidingsprocedure. Het klachtdossier biedt verder ook geen aanknopingspunten
voor de juistheid van het verwijt van klager. Bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing
is klachtonderdeel a) ongegrond.
Klachtonderdelen b), c), d) en e) zijn gedeeltelijk gegrond
5.6 Klachtonderdelen b), c), d) en e) gaan in de kern over de standpunten die
verweerster namens de ex-echtgenote heeft ingenomen op basis van de informatie die
zij van haar cliënte kreeg. De raad zal deze onderdelen dan ook gezamenlijk beoordelen.
5.7 De raad stelt, mede op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht,
vast dat het klager er bij klachtonderdelen b) tot en met e) om gaat dat verweerster
in haar e-mails van 24 september 2024 en 1 oktober 2024 beschuldigingen aan zijn adres
heeft geuit, dat zij in haar e-mail van 24 september 2024 ten onrechte heeft vermeld
dat de ex-echtgenote aangifte tegen hem heeft gedaan, dat verweerster in haar stukken
aan de rechtbank ten onrechte heeft vermeld dat aangifte tegen klager is gedaan en
dat verweerster tijdens de zitting bij de rechtbank ten onrechte heeft volgehouden
dat aangifte tegen klager is gedaan.
5.8 De raad oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
ten aanzien van de inhoud van haar e-mails aan klager van 24 september 2024 en 1 oktober
2024. Verweerster behartigt in de echtscheidingsprocedure uitsluitend de belangen
van haar cliënte, de ex-echtgenote, en zij mocht in dat kader afgaan op de informatie
die zij van haar cliënte kreeg over de onderlinge verhoudingen tussen haar en klager,
de situatie in de gezamenlijke woning en van de mededeling van haar cliënte dat zij
aangifte tegen klager heeft gedaan. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
verweerster de informatie van haar cliënte toen had moeten verifiëren is de raad niet
gebleken. De omstandigheden dat klager het niet eens is met de inhoud van de bewuste
e-mails van verweerster en dat later is gebleken dat van een aangifte tegen klager
geen sprake was, betekenen niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. In
zoverre zijn klachtonderdelen b), c), d) en e) ongegrond.
5.9 De raad oordeelt dat verweerster tuchtrechtelijk wel verwijtbaar heeft gehandeld
door haar e-mail van 24 september 2024, waarin is vermeld dat haar cliënte aangifte
tegen klager heeft gedaan, als productie over te leggen in de procedure. Op dat moment,
en in ieder geval tijdens de zitting van november 2024, had verweerster kunnen weten
dat de informatie van haar cliënte over de aangifte tegen klager niet juist was. Verweerster
was voorafgaand aan de zitting van november 2024 op de hoogte van de klacht, die op
9 september 2024 is ingediend, en zij had voldoende tijd om te controleren of haar
cliënte aangifte tegen klager had gedaan. Verweerster heeft dit, om haar moverende
redenen, nagelaten. Klachtonderdelen b), c), d) en e) zijn gegrond, voor zover die
gaan over het overleggen van de e-mail 24 september 2024 in de procedure, zonder dat
verweerster bij het overleggen, of op de zitting, heeft gemeld dat haar cliënte geen
aangifte had gedaan.
5.10 De raad kan niet vaststellen of de e-mail van verweerster van 24 september
2024 over de aangifte tegen klager tijdens de zitting bij de rechtbank ter sprake
is gekomen of dat deze e-mail een rol heeft gespeeld bij het oordeel van de rechtbank,
omdat het proces-verbaal van die zitting en de beschikking van de rechtbank niet zijn
overgelegd. In zoverre zijn klachtonderdelen b), c), d) en e) ongegrond.
5.11 Tot slot oordeelt de raad dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door klager in haar e-mail van 1 oktober 2024 te verzoeken zich ‘in
bedwang te houden, zodat het voor cliënte in ieder geval niet meer nodig zal zijn
om weer de politie te laten komen.’ Het stond verweerster vrij om dit in het belang
van haar cliënte zo op te schrijven. De omstandigheid dat klager deze zin als een
dreigement opvat betekent niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. In zoverre
is klachtonderdeel e) ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Hoewel verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door voorafgaand
aan de zitting in november 2024 niet te verifiëren of haar cliënte aangifte tegen
klager had gedaan, ziet de raad aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel.
Het is niet duidelijk of en zo ja welke gevolgen de e-mail van 24 september 2024 met
daarin de achteraf gezien onterechte vermelding van de aangifte tegen klager heeft
gehad voor het verloop van de zitting van november 2024 en de procespositie van klager.
De daarvoor van belang zijnde stukken, het proces-verbaal van de zitting en de beschikking
van de rechtbank, zijn niet overgelegd. De aard en ernst van de verwijtbaarheid van
verweerster rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht
van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door te geven.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;
- verklaart klachtonderdelen b), c), d) en e) gegrond voor zover die gaan over het
overleggen van de e-mail 24 september 2024 in de procedure, zonder dat verweerster
bij het overleggen, of op de zitting, heeft gemeld dat haar cliënte geen aangifte
had gedaan, en voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel aan verweerster wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. C.C. Horrevorts en J. Schulp,
leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar
op
16 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 16 maart 2026