ECLI:NL:TADRAMS:2026:3 Raad van Discipline Amsterdam 25-557/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:3
Datum uitspraak: 05-01-2026
Datum publicatie: 12-01-2026
Zaaknummer(s): 25-557/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening door de eigen advocaat is in alle klachtonderdelen ongegrond. Uit de overgelegde correspondentie blijkt niet dat het duidelijk was dat verweerster namens klaagster hoger beroep zou instellen. Verweerster heeft in dat kader aangevoerd dat een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling haar zinvoller leek, dat zij deze strategie ook zo met klaagster heeft besproken en dat klaagster hiermee heeft ingestemd. Dat dit anders is gegaan, heeft klaagster niet onderbouwd met onderliggende correspondentie. Dat verweerster geen stappen heeft ondernomen voor klaagster of dat klaagster op enige andere wijze nadeel heeft ondervonden van de tijdelijke afwezigheid van verweerster, is de raad verder niet gebleken. Evenmin is het de raad gebleken dat verweerster de berichten van klaagster onbeantwoord heeft gelaten of dat zij hierop (te) laat reageerde.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 5 januari 2026

in de zaak 25-557/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 1 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 19 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2380965/JS/BF van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij waren klaagster samen met mevrouw M. Portier-Koopmans, en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klaagster is verwikkeld in een geschil met haar ex-partner met wie zij een minderjarige dochter (hierna: de dochter) heeft. Verweerster heeft klaagster in het geschil bijgestaan als advocaat.

2.3 Op 6 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) vonnis gewezen in een kortgedingprocedure die door de ex-partner tegen klaagster was aangespannen.

2.4 Klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2.5 Op 23 februari 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) arrest gewezen in het hoger beroep. Het Hof heeft, onder meer, overwogen:

“(…)

3.11. Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding om een dwangsom op te leggen (…).

4.3 veroordeelt de vrouw aan de man voor [de dochter] overeenkomstig met en afhankelijk van de duur van het verblijf van [de dochter] de nodige kledingstukken mee te geven.

(…)”

2.6 Op 15 april 2024 heeft opnieuw een kort geding plaatsgevonden op instigatie van de ex-partner. Op 29 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank vonnis gewezen in het kort geding. Hierin is, onder meer, overwogen:

“(…)

5.3 veroordeelt de vrouw tot nakoming van het door het gerechtshof te Amsterdam vastgestelde regeling, waarbij de vrouw aan de man de nodige kledingstukken voor [de dochter] meegeeft overeenkomstig met en afhankelijk van de duur van het verblijf van [de dochter], op straffe van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel tot een maximum van € 5000;

(…)”

Tegen dit vonnis kon uiterlijk 27 mei 2024 hoger beroep worden ingesteld.

2.7 Op 6 mei 2024 heeft klaagster aan verweerster geschreven:

“I want to appeal this decision (…)”

2.8 Op 14 mei 2024 heeft verweerster in een WhatsApp bericht aan klaagster geschreven, voor zover relevant:

“(…) I wanted to call because I do not think we will succeed at the higher court. Our problem is that we do not have any proof whatsoever to show to court about the fact your daughter suffers from the fact she is longer with her father. I do believe you and your daughter but we do not have actual proof.

In the morning I have to prepare for court tomorrow but in the afternoon we can call and look if we can come up with a strategy.”

2.9 Hierop heeft klaagster per WhatsApp bericht dezelfde dag gereageerd met, voor zover relevant:

“I get that, there are still things in the parenting plan that need to be addressed (…)”

2.10 Op 13 augustus 2024 heeft verweerster in een e-mailbericht aan klaagster geschreven, voor zover relevant:

“(…)

From what I remember we had a second talk and you decided not to appeal because there was no use. You also mentioned that you are ok with the zorgregeling but not the way things were handled. Then is as I have told you not a reason for an appeal because in the end you agree with the outcome. We have talked about this and decided not to appeal. So I do not understand what is written in the email below about no appeal is been submitted in time. We discusses that we would wait for the Jeugdbeschermingstafel and with hopefully a good outcome there ask for a wijziging.

These paper is send because they claim you did not follow court order and that is why you should pay dwangsommen. Is this true? I hope not.

I am back on the 26th and we can discuss further. In the mean time ask the deurwaarder for proof that you have not followed the orders of the judge.”

2.11 Klaagster heeft hierop gereageerd met, voor zover relevant:

“This is actually incorrect, on May 29th I wanted to appeal, I guess to talked me out of it when you called me and on May 3rd I did tell you I was considering it and you went silent until May 14th (check your WhatsApp messages), when it was too late, despite me contacting you again on May 7th. I wanted to appeal because the whole the whole judgement was bs (especially clothes and being prohibited from being on the school ground), but you concentrated on the regeling regarding the visits only. (…)”

2.12 Verweerster heeft hierop gereageerd met, voor zover relevant:

“The clothes part is a decision from the higher court years ago. He only asked the court to put a fine to it. Going to higher court for this would not have any use. (…)”

2.13 In een e-mailbericht van 14 augustus 2024 heeft een begeleidster van klaagster (hierna: mevrouw K) aan een collega van verweerster (hierna: mr. B) geschreven dat zij de deurwaarder die bij klaagster aan de deur was gekomen, uitleg heeft verschaft over de situatie van klaagster.

2.14 In een e-mailbericht van 16 augustus 2024 heeft mevrouw K aan mr. B gevraagd of zij inmiddels in de gelegenheid was geweest om naar het dossier te kijken.

2.15 In een e-mailbericht van 16 augustus 2024 heeft mr. B aan mevrouw K geschreven, voor zover relevant:

“Ik heb het een en ander aan uitspraken teruggevonden. Op basis van wat ik heb gelezen, vraag ik mij af of een hoger beroep enig effect zou hebben gesorteerd. (…) Ik ben vanaf nu met vakantie en begin september weer op kantoor. Mijn kantoorgenoot is in de week van 26 augustus weer op kantoor. (…)”

2.16 In een e-mailbericht van 5 september 2024 heeft verweerster aan mevrouw K (met klaagster in de cc) geschreven:

Ik verkeerd[e] in de veronderstelling dat deze kwestie was afgewikkeld gedurende mijn vakantie. Mijn kantoorgenoot is deze week teruggekeerd. Ik zal met haar overleggen wat er is besproken en er bij u op terugkomen. Ik zal dit begin volgende week doen.”

2.17 Op 1 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster ingediend.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

a) het laten verlopen van een beroepstermijn, ondanks het feit dat klaagster per e-mail, in gesprek en WhatsApp instructie heeft gegeven in beroep te gaan;

b) het onbeantwoord laten van berichten van klaagster en het niet of te laat reageren op verzoeken klaagster bij te staan, ondanks urgentie;

c) het niet ondernemen van stappen na de gedane mededeling dat wat stond te gebeuren een bodemprocedure en een executiegeding betrof.

3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.2 Bij zijn toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.3 Op grond van gedragsregel 16 lid 1 moet de advocaat zijn cliënt op de hoogte brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand daarover moet de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk vastleggen.

Klachtonderdeel a)

5.4 Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij de beroepstermijn heeft laten verlopen, terwijl klaagster per e-mail, in een gesprek en per WhatsApp instructie aan verweerster heeft gegeven om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van 29 april 2024.

5.5 De raad overweegt als volgt. Nadat klaagster op 6 mei 2024 aan verweerster had geschreven: “I want to appeal”, heeft verweerster hier op 14 mei 2024 op gereageerd met de mededeling aan klaagster dat het instellen van hoger beroep haar niet zinvol leek. Verweerster heeft in dit bericht aan klaagster uitgelegd waarom zij deze mening was toegedaan. In een reactie daarop heeft klaagster aan verweerster geschreven: “I get that”. Dat klaagster het (toen) niet eens was met het advies van verweerster om niet in hoger beroep te gaan of dat zij dit toen wel wilde, blijkt hieruit niet. Dit heeft klaagster pas in augustus aan verweerster laten weten, maar toen was de hoger beroepstermijn inmiddels verlopen. De raad overweegt dat het, gelet op het bepaalde in gedragsregel 16 lid 1, op de weg van verweerster had gelegen om duidelijk(er) met klaagster te communiceren en haar op de hoogte te stellen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. In die zin had verweerster de termijn voor het instellen van hoger beroep

5.6 De raad is daarom van oordeel dat klachtonderdeel a) ongegrond is.

Klachtonderdelen b) en c)

5.7 Deze klachtonderdelen lenen zich gelet op hun onderlinge samenhang voor een gezamenlijke beoordeling. Klaagster legt aan deze klachtonderdelen ten grondslag dat verweerster de berichten van klaagster onbeantwoord heeft gelaten en niet of te laat reageerde op verzoeken van klaagster haar bij te staan ondanks de urgentie die er bestond.

5.8 Naar het oordeel van de raad kan verweerster ten aanzien van deze klachtonderdelen geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Verweerster heeft erkend dat zij in verband met privéomstandigheden tijdelijk afwezig was. Dat zij langdurig niet bereikbaar is geweest voor klaagster, wordt door haar betwist en dit blijkt ook niet uit de inhoud van het klachtdossier. Verweerster heeft daarbij gemotiveerd aangevoerd dat zij gedurende haar afwezigheid door haar kantoorgenoot, mr. B, is waargenomen. Mr. B heeft met de begeleidster van klaagster contact onderhouden, waarna er door mr. B is beoordeeld dat de zaak even kon wachten. Toen verweerster weer op kantoor terugkeerde, verkeerde zij (terecht) in de veronderstelling dat de situatie met de deurwaarder (voorlopig) was opgelost. Zij heeft toen nog aan klaagster gevraagd of zij een executiegeschil voor haar moest opstarten, maar hierop heeft klaagster niet gereageerd. Dat verweerster geen stappen heeft ondernomen voor klaagster of dat klaagster op enige andere wi

5.9 De klachtenonderdelen b) en c) zijn ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 5 januari 2026