ECLI:NL:TADRAMS:2026:159 Raad van Discipline Amsterdam 26-114/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:159 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 23-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-114/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadbeslissing; gegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klager rechtstreeks te benaderen, terwijl zij wist dat hij werd bijgestaan door een advocaat. Daarnaast heeft zij zich in haar sommatiebrief ongepast en dreigend uitgelaten. Bij de bepaling van de maatregel heeft de raad meegewogen dat verweerster haar fout ten aanzien van het rechtstreeks aanschrijven van klager zelf heeft ingezien en na ontdekking heeft rechtgezet. Gelet daarop en mede in aanmerking nemend dat verweerster niet eerder met de tuchtrechter in aanraking is gekomen, acht de raad de maatregel van een waarschuwing passend en geboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaak 26-114/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 11 september 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 11 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2522072/EvR/JN
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij
was verweerster aanwezig. Klager heeft voorafgaand aan de zitting aan de griffie laten
weten niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met bijlagen 00 tot en met 04.
Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 16 mei 2026 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De onderliggende kwestie betreft een vermeende inbreuk van klager op de merkrechten
van een cliënte van verweerster, V. BV. Klager heeft in deze kwestie in hoofdzaak
contact gehad met een kantoorgenoot van verweerster, mr. M. en een juridisch medewerkster
van haar kantoor mr. E. Verweerster is patroon van mr. M, die in februari 2025 is
beëdigd. Klager werd in die kwestie bijgestaan door mr. H.
2.3 Op 22 juli 2025 heeft klager een sommatiebrief van zes pagina’s ontvangen
die door verweerster en mr. M. is ondertekend. In deze sommatiebrief komt – voor zover
van belang – de volgende passage voor:
“(…) [Cliënte] heeft ons gevraagd ervoor te zorgen dat deze zaak zo snel mogelijk
wordt opgelost zonder dat een rechtszaak nodig is. (…) Namens [cliënte] verzoeken,
en, voor zover nodig, sommeren wij u dan ook om schriftelijk te bevestigen (…) dat
u:
(…)
D. ermee akkoord gaat om de volledige schade die [cliënte] heeft geleden en nog
zal lijden als gevolg van de inbreuk op de […]-merken te vergoeden, waaronder mede
begrepen de volledige juridische kosten die [cliënte] heeft gemaakt met de inbreuk,
en dat u daartoe binnen drie (3) werkdagen nadat u het rekeningnummer van [cliënte]
van ons toegestuurd hebt gekregen hierop bij wijze van voorschot een bedrag van EUR
2.500,- (vijfentwintighonderd) zal overmaken (…)”
2.4 Op 18 augustus 2025 heeft klager in de onderliggende kwestie een klacht ingediend
tegen mr. M. Deze klacht is eveneens op de zitting van de raad van 1 juni 2026 behandeld
(zaaknummer 26-094/A/A).
2.5 Per brief van 19 augustus 2025 heeft de advocaat van klager, mr. H., aan
mr. M. en zijn advocatenkantoor laten weten dat zij in voornoemde kwestie de belangen
van klager behartigt.
2.6 Op 9 september 2025 heeft verweerster namens haar cliënt rechtstreeks een
brief aan klager gestuurd met daarin een aantal eisen, waaronder het afgeven van een
verklaring waarmee hij toezegt de inbreuk te hebben gestaakt en in de toekomst niet
opnieuw inbreuk te maken met daaraan een boete verbonden zoals opgenomen in de brief.
2.7 Een aantal uren nadat verweerster haar brief een klager had verstuurd, heeft
zij klager een e-mail gestuurd waarin ze haar eerdere brief heeft teruggetrokken.
2.8 Op 11 september 2025 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerster.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) hem rechtstreeks te benaderen terwijl zij weet dat hij in deze kwestie (namelijk,
de vermeende inbreuk op de merkrechten van haar cliënte) wordt bijgestaan door een
advocaat;
b) hem te intimideren en te criminaliseren als persoon en daarmee de grenzen
van professioneel gedrag te overschrijden.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De onderhavige klacht betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij.
Uitgangspunt is dat de advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen
van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt.
Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de
advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat
geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen,
(c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van
de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel.
5.2 De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat
hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt
tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat
zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder
dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel
aan de wederpartij toebrengen.
5.3 Uitgangspunt is voorts dat een advocaat die zich in verbinding wil stellen
met een wederpartij waarvan hij weet dat deze wordt bijgestaan door een advocaat,
dit slechts doet door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze hem toestemming heeft
verleend zich rechtstreeks tot de wederpartij te wenden. Een uitzondering op deze
regel kan worden aanvaard wanneer het gaat om een aanzegging die, om het daarmee beoogde
rechtsgevolg te kunnen bewerkstelligen, niet anders gedaan kan worden dan rechtstreeks
aan de andere partij.
De raad zal de beide klachtonderdelen beoordelen aan de hand van voorgaande uitgangspunten.
Klachtonderdeel a)
5.4 Verweerster heeft erkend zich op 9 september 2025 rechtstreeks tot klager
te hebben gewend terwijl hij op dat moment reeds advocatenbijstand had. Zij heeft
haar fout ingezien en daarover direct contact gezocht met de advocaat van klager.
Dat neemt echter niet weg dat zij met het rechtstreeks verzenden van de brief aan
klager in strijd heeft gehandeld met de gedragsregel. Het feit dat zij dit zelf heeft
ontdekt en daarover contact heeft opgenomen met de advocaat van klager doet aan de
tuchtrechtelijke verwijtbaarheid naar het oordeel van de raad niet af. Dit klachtonderdeel
is gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.5 Dit klachtonderdeel ziet met name op het hiervoor geciteerde gedeelte van
de sommatiebrief. Naar het oordeel van de raad is het niet gepast om wanneer je als
advocaat niet zeker weet of je met een handelaar of met een particulier verkoper te
maken hebt, op een dergelijke, door een particulier begrijpelijkerwijs als dreigend
ervaren, toon een sommatie te versturen. Verweerster had zich bij het schrijven van
haar eerste sommatiebrief moeten realiseren dat haar veronderstelling dat klager
een handelaar was onjuist kon zijn en het om een “gewone” particuliere verkoper kon
gaan die behoorlijk zou (kunnen) schrikken van de inhoud van haar brief. Daarnaast
is het naar het oordeel van de raad disproportioneel om een voorschot op nog niet
vaststaande schade te eisen van EUR 2.500 zeker in het geval het gaat om een SD-kaart
ter waarde van EUR 45,- waarvan er aantoonbaar slechts twee door klager op verschillende
momenten via Marktplaats werden aangeboden. Het feit dat dit volgens verweerster gangbare
praktijk zou zijn – waarvan de raad niet kan vaststellen of dat daadwerkelijk zo is
– maakt deze handelwijze nog niet toelaatbaar. Ook dit klachtonderdeel is derhalve
gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Klachtonderdeel a) en klachtonderdeel b) zijn beide gegrond. De raad zal
verweerster een maatregel opleggen. De raad weegt bij de bepaling van de maatregel
mee dat verweerster haar fout ten aanzien van het rechtstreeks aanschrijven van klager
zelf heeft ingezien en direct na ontdekking daarvan heeft rechtgezet. Gelet daarop
en mede in aanmerking nemend dat verweerster niet eerder met de tuchtrechter in aanraking
is gekomen, acht de raad de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan
hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster
door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in beide onderdelen gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026