ECLI:NL:TADRAMS:2026:153 Raad van Discipline Amsterdam 26-459/A/A 26-462/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:153 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 23-07-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; Twee opvolgende klachten over de advocaat wederpartij (van klagers ex-partner) in een familierechtszaak kennelijk ongegrond met waarschuwing misbruik van recht. Klager heeft inmiddels drie klachten ingediend over verweerder. De klachten betreffen stuk voor stuk de bijstand van verweerder aan de ex-partner van klager. De voorzitter is er ambtshalve mee bekend dat klager over de voormalig advocaat van zijn ex-partner ook vier klachten heeft ingediend. Klager is erop gewezen dat het tuchtrecht er niet voor is bedoeld om onbeperkt ruimte te geven aan klagers om hun onvrede over advocaten telkens opnieuw, in iets andere vorm, maar met op hoofdlijnen dezelfde soort klachten, aan de orde te stellen. Klager moet er daarom ernstig rekening mee houden dat een volgende klacht die op enigerlei wijze samenhangt met de eerder ingediende klachten, niet meer (inhoudelijk) in behandeling wordt genomen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juli 2026
in de zaken 26-459/A/A en 26-462/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de twee brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 3 juni 2026 met kenmerken 2499650/ER/MV en 2536361/EvR/MV, door de raad ontvangen op eveneens 3 juni 2026, en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
Feiten klachtzaken 26-459/A/A en 26-562/A/A
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn verwikkeld in een familierechtelijk geschil.
Zij hebben samen een minderjarig kind. Verweerder is de advocaat van de ex-partner
van klager.
1.2 Bij beschikking van 18 december 2024 heeft de rechtbank - voor zover van
belang - bepaald dat de beschikking van de rechtbank van 14 december 2022 voorlopig
wordt gewijzigd, in zoverre dat klager de ex-partner moet betalen een bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van het kind ter hoogte van € 404,- per maand
en dat de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023 voorlopig
wordt gewijzigd, in zoverre dat klager de ex-partner moet betalen een bijdrage in
de kosten van haar levensonderhoud van € 63,- bruto per maand.
1.3 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2025 is het verzoek
van klager tot wijziging van de kinderalimentatie zoals bepaald in de beschikking
van 14 december 2022 afgewezen en is de door klager te betalen uitkering tot levensonderhoud
van de ex-partner op nihil bepaald.
1.4 Bij e-mail van 7 april 2025 heeft verweerder de advocaat van klager het volgende
bericht:
“Wat mijn cliënte vraagt, nog daargelaten of zij gelijk heeft, is niet toewijsbaar.
Daarbij komt dat de rechtbank (bodemzaak), bij het goed bestuderen van de uitspraak,
ten aanzien van de draagkracht i.h.k.v. de kinderalimentatie, heeft overwogen dat
partijen niet hebben betwist dat de behoefte van het kind 404 euro bedraagt, conform
hetgeen enkele maanden geleden (december 2024) is beslist bij de vovo. Derhalve is
dat als vaststaand aangenomen en vervolgens geïndexeerd naar 430 euro per maand.
Daarbij heeft de advocaat wederpartij daags voor de inhoudelijke behandeling wederom
een gewijzigd verzoek ingediend waarbij, hoewel onduidelijk geformuleerd, wordt gevraagd
om de kinderalimentatie te verlagen met 100 euro per maand aan 'natura', omdat de
vrouw onvoldoende kleding zou kopen voor het kind. Dit verzoek is afgewezen. Het door
de vovo rechter vastgestelde en berekende € 404 p/m aan kinderalimentatie blijft,
met dien verstande dat het wordt geïndexeerd naar € 430, en voor het overige worden
de verzoeken toegewezen.
Derhalve is de beschikking correct. Mocht mijn collega het daarmee oneens zijn,
dan staat de weg naar de appelrechter open.”
1.5 Bij e-mail van 20 juni 2025 heeft verweerder de advocaat van klager het volgende
bericht:
“Ik heb de kwestie aan cliënte voorgelegd en zij wil om haar moverende redenen niet
akkoord gaan met de vaststelling dat de kinderalimentatie lager is dan uit de uitspraak,
of de uitspraken in onderlinge samenhang bezien, volgt. Ik kan haar niet dwingen daarmee
akkoord te gaan of dit namens haar toezeggen.
Overigens moet ik toegeven dat de beschikking erg onduidelijk is. Ik heb anderhalf
uur moeten uitzoeken hoe en wat en wat de rechter zal/zou hebben bedoeld.
Hoe ik het zie is dat de draagkrachtruimte van de man € 1089 bedraagt, conform de
meest recente berekening van de rechtbank. Aangezien de partneralimentatie per 1 april
2025 nihil is gesteld, zou daaruit ruim voldoende draagkracht moeten overblijven om
het in de beschikking van december 2022 genoemde bedrag ad € 520,-, zelfs met indexering
naar heden, te kunnen voldoen.
Hoewel niet uit de beschikking blijkt of dit uitdrukkelijk de bedoeling van de rechtbank
is geweest, daarom is het ook een onduidelijke beschikking, kan dit wel de bedoeling
van de rechter zijn geweest.
Ik kan mijn cliënte bij deze stand van zaken dan ook niet dwingen om akkoord te
gaan met het bedrag van € 430,-, aangezien ik niet weet of dat de bedoeling van de
rechtbank is geweest, of dat het de bedoeling is geweest om de man ruim € 600,- geïndexeerd
aan kinderalimentatie te laten betalen. Immers, de draagkrachtruimte inclusief zorgkorting
voor kinderalimentatie, bedraagt conform de berekening van de rechtbank € 674,- per
maand. De door cliënte ingebrachte berekeningen en ingenomen standpunten kunnen ook
daarbij van ondergeschikt belang zijn aan de openbare orde aspecten van kinderalimentatie.”
1.6 Op (eveneens) 20 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend
over verweerder. Deze klacht is geregistreerd onder het kenmerk 26-459/A/A.
1.7 Verweerder heeft op 5 september 2025 namens de ex-partner in hoger beroep
een verweerschrift ingediend. Op 21 november 2025 heeft een mondelinge behandeling
bij het gerechtshof plaatsgevonden.
1.8 Op 24 november 2025 heeft klager opnieuw bij de deken een klacht over verweerder
ingediend. Deze klacht is geregistreerd onder het kenmerk 26-462/A/A.
Eerdere klachtprocedure 25-294/A/A
1.9 Klager heeft eerder - op 28 november 2024 - ook een klacht ingediend over
het optreden van verweerder namens de ex-partner in de alimentatieprocedure. Deze
klacht is bij de raad geregistreerd onder het kenmerk 25-294/A/A. Bij beslissing van
de voorzitter van 16 juni 2025 is deze klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.10 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Dit verzet is behandeld
op de zitting van de raad van 5 september 2025. Bij beslissing van de raad van 20
oktober 2025 is het verzet ongegrond verklaard.
1.11 Bij beslissing van het Hof van Discipline van 12 januari 2026 is het hoger
beroep van klager niet-ontvankelijk verklaard.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
het volgende:
in de zaak 26-459/A/A
a) verweerder heeft in zijn e-mail van 7 april 2025 geschreven dat de beschikking
en het vastgestelde bedrag correct zijn en in zijn e-mail van 20 juni 2025 geschreven
dat de beschikking erg onduidelijk is en het vastgestelde bedrag slechts een mogelijkheid
is;
b) verweerder heeft in zijn e-mail van 20 juni 2025 zonder onderbouwing speculatief
geschreven over de motieven van de rechter;
c) verweerder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid afgewenteld op zijn cliënte;
d) verweerder heeft klager gedwongen in hoger beroep te gaan en klager daarmee
onnodig op kosten gejaagd;
e) verweerder heeft de kernwaarden geschonden;
f) verweerder heeft zich niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt
tijdens de behandeling van het verzet op 5 september 2025 in de klachtprocedure met
kenmerk 25-294/A/A;
g) verweerder heeft in zijn verweerschrift van 5 september 2025 in de onderliggende
procedure tegenstrijdige stellingen geponeerd;
in de zaak 26-462/A/A
h) verweerder heeft in het verweerschrift van 5 september 2025 stellingen ingenomen
die op dat moment feitelijk onjuist waren en waarvoor geen enkel bewijs was;
i) verweerder heeft de rechtbank onjuist en misleidend geïnformeerd door tijdens
de zitting van 21 november 2025 de stelling in te nemen dat zijn cliënte nooit een
beschuldiging heeft geuit, terwijl uit een officiële verklaring het tegendeel blijkt.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klachten verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
26-459/A/A en 26-462/A/A
Klachtonderdelen a) tot en met e)
4.3 De voorzitter ziet aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling van deze
klachtonderdelen. Voorop gesteld wordt dat het niet tot de taak van de tuchtrechter
behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. Een oordeel daarover
is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend of
verweerder zich in zijn bijstand aan de ex-partner van klager ten opzichte van klager
heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelend advocaat.
Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven toetsingskader (4.1) geldt daarbij dat aan
verweerder een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënte te
behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste
van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij
nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Van dit laatste is de voorzitter
niet gebleken.
4.4 Verweerder heeft toegelicht dat klager in de onderliggende procedure de rechtbank
(onder meer) had verzocht om de eerder vastgestelde kinderalimentatie te verlagen.
Dat verzoek is bij beschikking van 3 april 2025 afgewezen. Uit de uitspraak blijkt
volgens verweerder niet duidelijk wat de beweegredenen van de rechtbank voor deze
beslissing zijn geweest. Het is verweerder niet duidelijk of de rechtbank vindt dat
de draagkracht voldoende is om de beschikking niet te hoeven wijzigen, omdat besloten
is de partneralimentatie te beëindigen, of dat de rechtbank vergeten is daarop in
te gaan of concreet te motiveren. Het stond verweerder vrij deze onduidelijkheden
te benoemen in zijn e-mails van 7 april 2025 en 20 juni 2025. Dat verweerder daarmee
een inconsistente en/of misleidende interpretatie heeft gegeven aan de beschikking
van de rechtbank of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld is de voorzitter
niet gebleken. De beoordeling van de vraag of het verzoek van klager tot verlaging
van de kinderalimentatie terecht is afgewezen, is voorbehouden aan de civiele rechter
en valt buiten het bestek van deze klachtprocedure. Klachtonderdelen a) en b) zijn
dan ook kennelijk ongegrond.
4.5 Verweerder heeft verder toegelicht dat hij zijn cliënte heeft uitgelegd dat
het hem niet duidelijk was of de rechtbank een fout heeft gemaakt dan wel de beslissing
onvoldoende heeft gemotiveerd of dat het verzoek bewust is afgewezen vanwege kennelijk
voldoende bevonden draagkracht. Verweerder heeft zijn cliënte de vraag voorgehouden
of zij, ondanks de beschikking van de rechtbank - dus de afwijzing van het verzoek
van klager tot verlaging van de kinderalimentatie - alsnog bereid was om het lagere
bedrag voor de kinderalimentatie aan te houden, maar dat wilde zijn cliënte uitdrukkelijk
niet. Verweerder behartigt uitsluitend de belangen van zijn cliënte en heeft dan ook
terecht aangevoerd dat hij niet tegen de uitdrukkelijke wens van zijn cliënte toch
een lager bedrag kon overeenkomen met de advocaat van klager. Dat verweerder daarmee
- zoals klager stelt - ten onrechte de verantwoordelijkheid op zijn cliënte heeft
afgewenteld is niet het geval. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
4.6 Voor zover klager stelt dat hij door deze beslissing gedwongen was in hoger
beroep te gaan en verweerder hem daarmee onnodig op kosten heeft gejaagd, geldt dat
dit nu eenmaal inherent is aan het systeem van civiele procedures. Er bestond voor
verweerder en zijn cliënte geen verplichting om van de beschikking afwijkende afspraken
te maken over de kinderalimentatie. Als klager het niet eens is met de beschikking
van de rechtbank, staat (of stond) daartegen hoger beroep open. Klachtonderdeel d)
is dan ook eveneens kennelijk ongegrond. Dat verweerder de kernwaarden van de advocatuur
heeft geschonden, is gelet op het voorgaande niet komen vast te staan. Daarmee is
ook klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f)
4.7 Klager stelt dat verweerder zich tijdens de behandeling van het verzet op
5 september 2025 in de klachtprocedure met kenmerk 25-294/A/A niet gedragen heeft
zoals het een behoorlijk advocaat betaamt.
4.8 Naar het oordeel van de voorzitter treft dit klachtonderdeel geen doel. Verweerder
heeft terecht aangevoerd dat hij tijdens de zitting mocht aangeven dat klager weer
een nieuwe klacht had ingediend, terwijl de eerste klacht nog werd behandeld (in verzet).
Verweerder mocht hier bovendien verder op ingaan toen de leden van de raad hierover
doorvroegen. Ook stond het verweerder vrij om aan te geven dat klager meerdere klachten
over de voormalig advocaat van zijn cliënte had ingediend en dat hij - als één inhoudelijke
procedure over alimentatie leidt tot meerdere klachten van de wederpartij - zijn cliënte
niet verder wenste bij te staan nadat de zaak in hoger beroep was afgerond. Dat verweerder
met deze mededelingen de grenzen van het betamelijke heeft overschreden of in strijd
heeft gehandeld met de door klager genoemde gedragsregels, is niet gebleken. Klachtonderdeel
f) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen g) (26-459/A/A) en h) (26-462/A/A)
4.9 Deze klachtonderdelen gaan over het verweerschrift van verweerder van 5 september
2025 en lenen zich daarom voor een gezamenlijke beoordeling. Klager stelt dat verweerder
in dit verweerschrift tegenstrijdige stellingen heeft geponeerd zonder enig bewijs
hiervoor te geven. Zo heeft verweerder in dezelfde paragraaf gesteld dat de ex-partner
vrijgesteld was van de sollicitatieplicht, dat het zoeken naar werk niets opleverde
en dat de gemeente meezocht.
4.10 Deze klachtonderdelen slagen niet. Verweerder heeft toegelicht dat zijn
cliënte niet vanwege ziekte of langdurige arbeidsongeschiktheid vrijgesteld was van
solliciteren, maar op basis van het inzicht van de inkomensconsulent (die een uitkeringsgerechtigde
in zijn/haar portefeuille heeft). Er is gekeken naar wat de ex-partner kan doen en
wat haar wensen en toekomstbeelden zijn, zoals een opleiding, stage, gedeeltelijk
werken met behoud van uitkering of iets anders. Ook is gekeken naar de taalbeheersing
van zijn cliënte. Zijn cliënte kan niet voor altijd een bijstandsuitkering ontvangen,
maar hoeft ook niet vier keer per maand te solliciteren van de inkomensconsulent.
Dit heeft verweerder toegelicht in zijn verweerschrift. Het is de voorzitter niet
gebleken dat verweerder daarmee tegenstrijdige stellingen heeft geponeerd en - zoals
klager stelt - de rechtbank misleidend en onjuist heeft geïnformeerd of de procespositie
van klager onnodig heeft geschaad. De beoordeling van de vraag of hetgeen verweerder
naar voren heeft gebracht inhoudelijk juist is, is voorbehouden aan de civiele rechter
en valt buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. Klachtonderdelen g)
en h) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel i)
4.11 Klager stelt dat verweerder het gerechtshof onjuist en misleidend heeft
geïnformeerd door tijdens de zitting van 21 november 2025 de stelling in te nemen
dat zijn cliënte nooit de beschuldiging heeft geuit dat klager zijn dochter seksueel
heeft betast, terwijl er een officiële verklaring bestaat van Veilig Thuis waarin
deze beschuldiging is opgenomen.
4.12 Naar het oordeel van de voorzitter slaagt dit klachtonderdeel niet. Verweerder
heeft aangevoerd dat klager dit onderwerp bij aanvang van de mondelinge behandeling
op 21 november 2025 zelf aan de orde heeft gesteld. De brief van Veilig Thuis was
volgens verweerder echter geen onderdeel van de alimentatieprocedure, om welke reden
verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de door klager naar de zitting meegenomen
brief niet in het geding mocht worden gebracht en dat het onderwerp niet relevant
was voor de alimentatieprocedure. Verweerder heeft daarmee gehandeld zoals van hem
als partijdig belangenbehartiger mocht worden verwacht. Dat verweerder daarmee de
belangen van klager onnodig heeft geschaad is de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel
i) is daarmee kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.13 De voorzitter komt tot de slotsom dat op grond van de overgelegde stukken
niet is komen vast te staan dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid
van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. Al hetgeen
klager verder heeft gesteld leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel.
Misbruik van recht
4.14 Tot slot wijst de voorzitter op het volgende. Het tuchtrecht kent geen (wettelijke)
verplichting op grond waarvan een klager gehouden is zijn klachten tegen een advocaat
te concentreren en deze tegelijkertijd in één tuchtprocedure aanhangig te maken. Hoewel
het wenselijk is dat een klager zijn klachten zo veel mogelijk bundelt, bestaat daartoe
geen verplichting. Dat laat echter onverlet dat in een concreet geval het indienen
van opvolgende klachten in strijd kan komen met de beginselen van een behoorlijke
tuchtprocesorde (vergelijk Hof van Discipline 10 juli 2023; ECLI:NL:TAHVD:2023:116).
De voorzitter overweegt tegen deze achtergrond het volgende.
4.15 Klager heeft inmiddels drie klachten ingediend over verweerder. De klachten
betreffen stuk voor stuk de bijstand van verweerder aan de ex-partner van klager.
De voorzitter is er ambtshalve mee bekend dat klager over de voormalig advocaat van
zijn ex-partner ook vier klachten heeft ingediend. De voorzitter wijst klager er nadrukkelijk
op dat het tuchtrecht er niet voor is bedoeld om onbeperkt ruimte te geven aan klagers
om hun onvrede over advocaten telkens opnieuw, in iets andere vorm, maar met op hoofdlijnen
dezelfde soort klachten, aan de orde te stellen. Klager moet er daarom ernstig rekening
mee houden dat een volgende klacht die op enigerlei wijze samenhangt met de hiervoor
bedoelde eerder ingediende klachten, niet meer (inhoudelijk) in behandeling wordt
genomen.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klachten met kenmerken 26-459/A/A en 26-462/A/A, met toepassing van artikel
46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026