ECLI:NL:TADRAMS:2026:14 Raad van Discipline Amsterdam 25-846/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-846/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Verweerster is ruimschoots binnen de grenzen van het betamelijke gebleven. Klager vereenzelvigt verweerster met haar cliënte. Verweerster kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor gedragingen van haar cliënte. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
19 januari 2026
in de zaak 25-846/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 10 november 2025 met kenmerk 2499847/EvR/AS, door de raad ontvangen op 10 november 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager ontvangt een uitkering van het UWV. Bij besluit van 3 juni 2025 is
aan klager per 1 mei 2024 een IVA-uitkering toegekend. Als gevolg van dit besluit
ontving klager ongeveer € 660,- minder aan inkomsten per maand. Tussen klager en het
UWV is een geschil ontstaan over de hoogte van de door klager te ontvangen uitkering.
1.2 Verweerster is advocaat in dienstbetrekking bij het UWV en is in het kader
van het geschil met klager als advocaat gaan optreden voor het UWV. Verweerster heeft
klager namens het UWV op 12 juni 2025 een schikkingsvoorstel gedaan. Hierin schrijft
zij, voor zover relevant:
“Het voorgaande laat onverlet dat het u vrij staat om in de thans lopende beroepsprocedure
inzake het besluit van UWV d.d. 3 juni 2025 de vaststelling van de hoogte van de uitkering
aan te vechten, ook als u besluit om akkoord te gaan met het hieronder door UWV gedane
tegenvoorstel”
1.3 Klager heeft een dagvaarding uitgebracht tegen het UWV en verschillende verzoeken
gedaan. Partijen hebben verder onderhandeld over een minnelijke oplossing voor het
geschil. Klager en het UWV verschillen echter van mening over de vraag of tussen partijen
in mei 2024 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) tot stand is gekomen.
1.4 Ook heeft klager beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam tegen het besluit
van 3 juni 2025 en op 13 juni 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige
voorziening te treffen. Volgens klager moet de hoogte van de uitkering 75% van € 4.654,07
zijn. In deze bestuursrechtelijke procedure wordt het UWV niet bijgestaan door verweerster,
maar door mr. S. Op 3 juli 2024 is namens het UWV een verweerschrift ingediend en
op 7 juli 2025 heeft de zitting bij de bestuursrechter plaatsgevonden.
1.5 Op 18 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening
getroffen waarbij aan klager vanaf 13 juni 2025 (datum verzoekschrift) tot zes weken
na de uitspraak in het beroep voorschotten worden verstrekt naar een IVA-uitkering
ter hoogte van € 3.490,55. In de uitspraak is onder meer overwogen:
“10. Verzoeker doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt zich
op het standpunt dat aan hem een hogere uitkering is toegezegd. Hij wijst hiertoe
allereerst op een mail van het Uwv van 23 mei 2025 van de Cliëntondersteuner & Regionaal
klachtenambassadeur Groot-Amsterdam/Landelijke Maatwerkplaats van het Uwv aan hem
en zijn advocaat. In deze mail schrijft het Uwv het volgende:
‘Hetgeen hierboven is aangegeven geldt mutatis mutandis ook voor de berekening van
het WIA-dagloon (en het WIA-maatmanloon). Hetgeen in de onlangs gelopen mediationprocedure
in de concept-vaststellingsovereenkomst door ons werd voorgesteld heeft dan ook geen
juridische basis. Desondanks zijn wij bereid deze overeenkomst (met enige aanpassingen
in de randvoorwaarden) na te komen, ondanks dat de mediation inmiddels beëindigd is’.
(…)
13. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In de mail van 23 mei 2025 staat
duidelijk dat het Uwv bereid is om hetgeen is afgesproken in een eerdere mediationovereenkomst
na te komen. Dit heeft het Uwv vervolgens ook mondeling toegezegd aan de advocaat
van verzoeker. Dat het Uwv zich niet met zekerheid deze toezeggingen kan herinneren,
doet daar niet aan af. Daarnaast volgt de voorzieningenrechter het standpunt van het
Uwv dat wettelijke bepalingen tot de randvoorwaarden horen zoals genoemd in de mail
van 23 mei 2025 niet. Randvoorwaarden kunnen namelijk niet de hele essentie van een
overeenkomst zijn, namelijk dat aan verzoeker een hogere WIA-uitkering wordt toegekend.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat
het beroep van verzoeker op het vertrouwensbeginsel in de bodemprocedure een kans
van slagen heeft.”
1.6 Enkele weken eerder, op 21 juni 2025, heeft klager bij de deken een klacht
ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft namens haar cliënte geweigerd het (juridische) standpunt
te onderbouwen dat de toezegging van 23 mei 2025 (zie uitspraak voorzieningenrechter)
herroepelijk zou zijn. Volgens klager dient verweerster zorgvuldig om te gaan met
de belangen van de wederpartij en dient zij transparant te zijn in haar standpunten;
b) verweerster weigert namens haar cliënte aan klager de mediationbijdrage van
€ 69,- te vergoeden. Volgens klager is het gebruikelijk dat deze kosten door de cliënte
van verweerster worden vergoed. Het zonder motivering afwijzen is volgens klager niet
professioneel;
c) verweerster chanteert klager door het standpunt in te nemen dat haar cliënte
alleen de getekende VSO nakomt indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden;
d) verweerster weigert namens haar cliënte het (juridische) standpunt toe te
lichten dat het nieuwe besluit van 3 juni 2025 niet met terugwerkende kracht is ingegaan
per december 2023, terwijl dit in de VSO van mei 2024 wel wordt verondersteld.
e) verweerster is opzettelijk behulpzaam aan valsheid in geschrifte, racisme
en fraude. Volgens klager weigert verweerster een correctie toe te passen op essentiële
stukken waaronder het verweerschrift van 3 juli 2024 en het besluit van 3 juni 2025.
f) verweerster chanteert klager bij het doen van een voorstel namens haar cliënte;
g) verweerster bedreigt klager door te stellen dat zij namens haar cliënte een
procedure zal starten als hij een geluidsopname openbaar maakt;
h) verweerster is de toezegging die haar medewerker heeft gedaan niet nagekomen;
i) verweerster staat niet toe dat klager rechtstreeks contact met haar cliënte
opneemt, terwijl verweerster zelf weigert inhoudelijk te reageren op de schriftelijke
vragen van klager en de toezeggingen die door haar medewerkers zijn gedaan;
j) verweerster weigert de uitspraak 18 juli 2025 van haar cliënte na te komen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader en inleidende opmerking
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort
om in het onderliggende geschil een oordeel te geven, maar dat in dit tuchtrechtelijk
geschil uitsluitend beoordeeld wordt of verweerster zich in haar bijstand aan het
UWV ten opzichte van klager heeft gedragen op een manier die niet passend is voor
een behoorlijk handelend advocaat.
Klachtonderdelen a) en d)
4.3 Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Klager
verwijt verweerster dat zij weigert namens haar cliënte toe te lichten waarom de ondertekende
VSO niet wordt nagekomen. Ook weigert verweerster toe te lichten waarom het nieuwe
besluit van 3 juni 2025 niet met terugwerkende kracht is ingegaan per december 2023.
Verweerster dient, aldus klager, namens haar cliënte hierover uitleg te geven en binnen
een redelijke termijn te reageren. Verweerster heeft echter geen enkele juridische
onderbouwing gegeven, waarmee verweerster klager in zijn verdediging belemmert en
de norm van zorgvuldige en eerlijke communicatie schendt. Verweerster behoort duidelijk,
correct en met onderbouwing te communiceren, ook als dat juridisch nadelig is voor
haar cliënte. Deze nalatigheid is volgens klager in strijd met gedragsregels 10 en
26.
4.4 Deze klachtonderdelen treffen naar het oordeel van de voorzitter geen doel.
Voor zover klager zich beroept op gedragsregel 26, verwijst de voorzitter naar hetgeen
hierover is overwogen bij de beoordeling van klachtonderdelen c) en f). Verder overweegt
de voorzitter het volgende. Gedragsregel 10, waar klager zich (eveneens) op beroept,
gaat over de verenigbaarheid van activiteiten en die situatie doet zich hier niet
voor. De voorzitter vermoedt -net als verweerster- dat klager zich bedoelt te beroepen
op gedragsregel 12, waarin is bepaald dat de advocaat de hem opgedragen zaken zorgvuldig
behandelt en daarbij steeds het bijzondere karakter van de relatie tussen advocaat
en cliënte voor ogen houdt. Voor zover klager inderdaad een beroep doet op deze gedragsregel,
geldt dat deze alleen van toepassing is op de relatie tussen de advocaat en zijn of
haar cliënt. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat klager niet haar cliënt is en
ook nooit is geweest en dat hij dan ook geen beroep kan doen op deze gedragsregel.
Verder geldt dat op verweerster als de advocaat van de wederpartij geen verplichting
rust om een juridische onderbouwing te geven over het al dan niet nakomen van de VSO
door haar cliënte of over de terugwerkende kracht van het besluit van 3 juni 2025
(of het ontbreken daarvan). Het is aan verweerster om in overleg met haar cliënte
te bepalen of een bepaald standpunt wordt ingenomen en wat hierover wordt gecommuniceerd
met de wederpartij. De reikwijdte van de gegeven opdracht wordt bepaald door de cliënte
van verweerster en hierover hoeft verweerster geen verantwoording af te leggen aan
klager. Klachtonderdelen a) en d) zijn dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.5 Klager stelt in dit klachtonderdeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelt door namens haar cliënte te weigeren de mediationbijdrage te vergoeden. In
zaken waarin een nieuw besluit is genomen, is het gebruikelijk dat deze kosten door
het bestuursorgaan worden gedragen. Het zonder motivering hiervan afwijken acht klager
niet professioneel en in strijd met Gedragsregel 17, waarin aldus van de advocaat
wordt verlangd dat zij zich niet onnodig hard opstelt en rekening houdt met de redelijkheid.
4.6 De voorzitter overweegt als volgt. Gedragsregel 17, waarop klager zich beroept,
gaat over het honorarium van een advocaat. Dat is hier niet in geschil. Ook gedragsregel
15, voor zover daarop een beroep wordt gedaan en die gaat over belangenverstrengeling,
is geen geschilpunt tussen partijen. Verder geldt dat het verweerster vrijstond om
namens het UWV te bepleiten dat de kosten van de mediationbijdrage niet voor rekening
van het UWV komen. De vraag of dit standpunt inhoudelijk juist is, valt buiten het
bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. Het feit dat verweersters cliënte niet
wenst mee te gaan in de eisen van klager, kan klager als vervelend ervaren, maar betekent
niet dat verweerster met dit handelen klagers belangen op ontoelaatbare wijze heeft
geschaad. Klachtonderdeel b) is dan ook eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen c) en f)
4.7 Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Klager
stelt in deze klachtonderdelen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt
door hem te chanteren. Verweerster stelt namens haar cliënte voorwaarden voor de ondertekening
van de VSO, bijvoorbeeld de voorwaarde dat klager afstand zou moeten doen van zijn
ziektewetclaim. Het stellen van dergelijke eisen kan volgens klager gezien worden
als chantage of ongeoorloofde druk. Dit geldt temeer nu klager in een kwetsbare positie
verkeert (klager is volledig arbeidsongeschikt), waar verweerster geen misbruik van
mag maken. Klager vindt het in strijd met de fatsoensnormen dat verweerster haar cliënte
helpt om afspraken te ontlopen en mogelijk ook helpt bij het plegen van een strafbaar
feit. Verweersters handelwijze is niet alleen in strijd met de integriteitsplicht
van een advocaat (gedragsregel 1), maar ook met gedragsregel 26. Op grond van welke
gedragsregel verweerster zich volgens klaagster eerlijk en professioneel dient op
te stellen richting de wederpartij.
4.8 Deze klachtonderdelen treffen naar het oordeel van de voorzitter geen doel.
Allereerst geldt dat gedragsregel 26 gaat over vertrouwelijke mededelingen tussen
advocaten. Klager is geen advocaat, dus er valt niet in te zien welk verwijt klager
verweerster hiermee probeert te maken. Gedragsregel 1 gaat over de betamelijke beroepsuitoefening.
Volgens dit artikel is het handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt,
tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager stelt in dat kader dat verweerster hem heeft gechanteerd
door voorwaarden te stellen aan een minnelijke regeling. Zo zou het UWV hem hebben
meegedeeld dat hij een nabetaling zou krijgen als hij zijn rechtszaken zou intrekken.
4.9 Van een dergelijke toezegging is de voorzitter op grond van het klachtdossier
niet gebleken. Verweerster heeft onderbouwd aangevoerd dat haar cliënte juist heeft
aangegeven dat klager mocht doorprocederen. Verweerster heeft in dat verband verwezen
naar het schikkingsvoorstel dat zij op 12 juni 2025 namens het UWV aan klager heeft
gedaan en waarin zij schrijft dat het klager vrijstond om het besluit van UWV van
3 juni 2025 aan te vechten, ook als hij besluit om akkoord te gaan met het voorstel
van het UWV (weergegeven onder de feiten). Ook als verweerster echter namens het UWV
deze voorwaarde had gesteld, zou dat niet betekenen dat verweerster daarmee tuchtrechtelijk
verwijtbaar zou hebben gehandeld. Het stellen van voorwaarden vormt een normaal onderdeel
van schikkingsonderhandelingen en kan niet als chantage worden aangemerkt. Daarnaast
is de voorzitter niet gebleken dat verweerster zich mogelijk schuldig heeft gemaakt
aan een strafbaar feit. Klachtonderdelen c) en f) zijn daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e)
4.10 Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij opzettelijk behulpzaam
is aan valsheid in geschrifte, racisme en fraude. Volgens klager weigert verweerster
een correctie toe te passen op essentiële stukken waaronder het verweerschrift van
3 juli 2024 en het besluit van 3 juni 2025. Volgens klager zijn er duidelijke aanwijzingen
van medeplichtigheid aan valsheid in geschrifte door het in stand houden van onjuiste
informatie. Dit kan als fraudeleus handelen worden bestempeld. Klager heeft geprobeerd
om dit op te lossen, maar tot op heden heeft verweerster structureel geweigerd te
reageren of haar medewerking te verlenen aan een eerlijke behandeling van de zaak.
Klager heeft ernstige zorgen over de mogelijke discriminatoire motieven die een rol
spelen, gelet op het gebrek aan zorgvuldigheid en empathie. Volgens klager zijn er
overeenkomsten met systematische problemen zoals aangetoond in de toeslagenaffaire.
4.11 De voorzitter overweegt dat klager zijn beschuldigingen aan het adres van
verweerster niet met stukken of ander bewijs heeft onderbouwd. De enige onderbouwing
die klager voor zijn verwijten geeft, is dat verweerster volgens klager heeft geweigerd
om correcties aan te brengen op de door hem genoemde stukken. Nog afgezien van de
vraag of dit juist is -verweerster betwist namelijk de gang van zaken- kan een dergelijke
weigering überhaupt niet aangemerkt worden als valsheid in geschrifte, fraude of racisme.
Verweerster is niet bevoegd om correcties aan te brengen in stukken van haar cliënte,
die bovendien een procedure betreffen waarbij verweerster niet betrokken is. Klachtonderdeel
e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g)
4.12 Klager stelt in dit klachtonderdeel dat verweerster dreigt met een rechtszaak
bij openbaarmaking van een geluidsopname. Een advocaat mag zijn of haar juridische
kennis of positie niet gebruiken om iemand te intimideren, en zeker niet iemand in
een kwetsbare situatie. Het dreigen met juridische stappen omdat klager bewijs wil
leveren in een klacht of procedure (zoals een opname van een gesprek met UWV), kan
worden gezien als machtsmisbruik. Dreigen om die opname onder de pet te houden, ondermijnt
het recht van klager op bewijsvoering, aldus klager.
4.13 Verweerster beaamt dat zij klager namens haar cliënte heeft meegedeeld dat
haar cliënte zich zal beraden op juridische stappen als klager de opname publiceert
op openbare platformen. De voorzitter overweegt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen in dit verband niet is gebleken. Verweerster handelt juist in overeenstemming
met hetgeen van haar als partijdig belangenbehartiger verwacht wordt en van dreiging
en daarmee van onbetamelijk handelen is geen sprake. Klachtonderdeel g) is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel h)
4.14 Klager verwijt verweerster dat zij weigert de toezegging die een medewerkster
van het UWV aan hem heeft gedaan na te komen. Verweerster is volgens klager als de
advocaat eindverantwoordelijk voor het handelen van haar medewerkers en dient zich
zorgvuldig te gedragen in het contact met derden en afspraken na te komen.
4.15 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat
klager haar ten onrechte vereenzelvigt met haar cliënte. Verweerster is niet het UWV
en de toezegging waar klager naar verwijst is niet de toezegging van een medewerker
van verweerster, maar van een medewerker van haar cliënte. Het is niet aan verweerster,
maar aan haar cliënte om te bepalen of zij gevolg wenst te geven aan een opmerking
van haar medewerker. Klachtonderdeel h) is gelet hierop kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel i)
4.16 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerster dat hij uitsluitend via
haar mag communiceren met het UWV. Vervolgens weigert verweerster inhoudelijk te reageren
op schriftelijke vragen van klager en op de toezeggingen die door verweerster en haar
team zijn gedaan.
4.17 Dit klachtonderdeel faalt. Verweerster heeft toegelicht dat haar cliënte
het besluit heeft genomen dat klager geen rechtstreeks contact mag opnemen met haar
cliënte, omdat klager dreigende uitlatingen heeft gedaan richting het bestuur en medewerkers
van haar cliënte. De voorzitter overweegt dat het aan verweerster is om in overeenstemming
met deze instructies van haar cliënte te handelen. Voor zover klager stelt dat verweerster
zelf ook weigerde te reageren op vragen en toezeggingen die zouden zijn gedaan, geldt
dat nog afgezien van het feit dat klager dit verwijt niet concreet heeft onderbouwd,
verweerster niet verplicht is om op elke vraag of e-mail van de wederpartij te reageren.
Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel j)
4.18 Klager verwijt verweerster dat zij geen uitvoering wenst te geven aan de
rechterlijke uitspraak, ondanks dat dat deze bindend is. Deze houding vormt volgens
klager een ernstige schending van de kernwaarden van de advocatuur. Naleving van rechterlijke
uitspraken is de basis van de rechtstaat. Verweerster dient misleiding, vertragingstechnieken
of sabotage van gerechtelijke procedures te voorkomen. Verweerster heeft sinds de
uitspraak op 18 juli 2025 geen enkele actie ondernomen om uitvoering te geven aan
de toegekende rechten waaronder betaling van de achterstallige bedragen. Klager heeft
pogingen ondernomen om in contact te komen met verweerster, maar daarop heeft hij
geen gehoor gekregen. De passieve instelling van verweerster schaadt de belangen van
klager ernstig.
4.19 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft toereikend toegelicht
dat de bestuursrechtelijke procedure waar klager naar verwijst -en waar verweerster
geen bemoeienis mee heeft gehad- een geschil is tussen klager en haar cliënte. De
rechter heeft haar cliënte in een voorlopige voorziening veroordeeld tot een betaling
aan klager. Nog afgezien van het feit dat verweerster deze zaak niet in behandeling
heeft, kan zij haar cliënte niet dwingen om zich te gedragen conform de uitspraak
van de rechter.
4.20 De voorzitter volgt verweerster in haar standpunt en overweegt dat verweerster
niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen van het UWV, en al helemaal
niet in een procedure waarbij verweerster niet betrokken is geweest. Klachtonderdeel
j) is derhalve kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.21 Uit voorgaande overwegingen volgt dat verweerster binnen de ruime grenzen
van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij is gebleven. De voorzitter
zal de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. Al hetgeen klager
verder heeft gesteld, kan de voorzitter niet tot een ander oordeel leiden.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026