ECLI:NL:TADRAMS:2026:12 Raad van Discipline Amsterdam 25-635/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-635/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Getuigen/deskundigen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerder heeft handelingen verricht die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen en hij heeft de cliënten van klager aangeschreven, terwijl hij wist dat zij door klager als advocaat werden bijgestaan. Hiermee heeft verweerder in strijd met de gedragsregel 22 en 25 gehandeld. De raad acht alles overziend de oplegging van een maatregel in de vorm van een waarschuwing aan verweerder passend. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 19 januari 2026
in de zaak 25-635/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 19 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2395047/EvRT/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij
was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de door klager op 22 september 2025 nagezonden stukken en van de door verweerder
op 1 oktober 2025 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De heer S en mevrouw B hebben een conflict met het constructeursbedrijf P
BV (hierna: P BV) en de heer P in persoon, over een aanbouw aan hun woning.
2.3 Klager staat de heer S en mevrouw B in dit conflict bij.
2.4 Verweerder staat P BV en de heer P in persoon bij.
2.5 In opdracht van de heer S en mevrouw B is de heer E als architect (hierna:
de architect) bij het bouwproject betrokken.
2.6 De heer S en mevrouw B hebben P BV en de heer P in privé aansprakelijk gesteld
voor de schade die zou zijn ontstaan als gevolg van vertraging in de bouw. Deze schade
hebben zij laten begroten door een expertisebureau (hierna: het expertisebureau).
2.7 De heer S en mevrouw B zijn een procedure bij de rechtbank Noord-Holland
(hierna: de rechtbank) gestart. Ook hebben de heer S en mevrouw B ten laste van P
BV (inmiddels in liquidatie) conservatoir beslag laten leggen onder de Rabobank.
2.8 Op 22 april 2025 heeft verweerder de architect per e-mail een brief van 20
april 2024 toegestuurd. In de brief van 20 april 2024 heeft verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“(…)
Hierbij meld ik mij als raadsman van [de heer P].
Ik heb uw verklaring van 22-8-2023 gelezen en heb daar wat vragen bij en opmerkingen
over.
(…)
Graag ontvang ik uiterlijk 29 April as. een schriftelijke verklaring van u terzake
die ik kan inbrengen in de procedure. Het gesprek bij de gemeente dd. April 2021 over
de klacht van [de heer S] heeft kennelijk niet tot erkenning van uw aansprakelijkheid
o.i.d. geleid. Ik verneem graag van u welke argumenten de gemeente heeft aangevoerd
om de [de heer S] te doen afzien van een actie om dan,jaren na dato, de schuld voor
alle vertraging te leggen bij [de heer P]. In dat verband stel ik u de vraag of u
op enigerlei wijze betrokken bent geweest bij de rapportage van [het expertisebureau]
of dat enkel [de heer S] deze adviseur heeft gevoed met informatie. Stuurt u mij ook
de planningen, notulen van alle bouwvergaderingen en opleverrapporten. Deze ontbreken
in de rapportage van [het expertisebureau].
Ik verwacht uw inhoudelijke reactie uiterlijk 29 April as.”
2.9 Op 2 mei 2024 heeft verweerder de architect per brief als volgt bericht:
“Op 20 April jl. zond ik u per mail bijgaande tekst met het verzoek om uiterlijk
29 April schriftelijk te antwoorden en mij de gevraagde informatie te verstrekken.
Helaas heb ik nog niets gezien.
Om uit te sluiten dat u, bijvoorbeeld door een digitale storing, mijn bericht niet
heb ontvangen laat ik dit rappel met bijlage vandaag bezorgen.
Ik verzoek u mij uiterlijk 10 Mei aanstaande te berichten, dan kan ik verder.”
2.10 Op 14 mei 2024 heeft verweerder in een e-mailbericht aan een advocaat van
A Rechtshulp (de voormalig advocaat van de heer S en mevrouw B), met klager in de
cc, geschreven, voor zover relevant:
“(…)
Ik sta [de heer P] bij in de procedure die uw opvolger [klager] heeft aangespannen
tegen hem.
Een van de bijlagen bij de dagvaarding betreft uw brief d.d. 9 November 2023.
[De heer P] zegt mij geen van de verzonden exemplaren te hebben binnengekregen.
Dat verbaast mij natuurlijk (ook).
Mag ik u -mede in verband met zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering -vragen
om het bewijs van de aangetekend ter postbezorging? Idem van de mail die er uit is
gegaan?”
2.11 Op 21 mei 2024 heeft klager in een e-mailbericht aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“Naar aanleiding van uw onderstaande e-mail heb ik inmiddels de gevraagde stukken
van [A Rechtshulp] gekregen. Niet alleen is de brief aan uw cliënt per gewone post
verzonden, maar tevens per-gewone mail en per aangetekende email. Dat uw cliënt deze
niet ontvangen heeft lijkt derhalve ongeloofwaardig. (…)
(…)
Klacht
Verder heb ik u reeds bij e-mail van 2 mei jl. (zie bijlage) verzocht de architect
van cliënt niet meer te benaderen, aan welk verzoek u zich niet heeft gehouden, gezien
uw rappèl aan hem. U heeft zelfs niet eens op mijn brief gereageerd. Nu verneem ik
vandaag via [A Rechtshulp] dat u eveneens [het expertisebureau], de door mijn cliënt
ingeschakelde deskundige heeft benaderd, met het verzoek om diens bevindingen aan
de opmerkingen van uw cliënt aan te passen. Uw handelen lijkt mij zonder meer klachtwaardig,
gezien artikel 22 van de gedragsregels, waarbij u mij bovendien niet eens op de hoogte
heeft gesteld van uw correspondentie aan de partijen die door mijn cliënt zijn ingeschakeld
en die ten behoeve van hem een verklaring hebben afgelegd. Ook dit lijkt mij zonder
meer klachtwaardig en ik heb dan ook het voornemen om op die punten klachten tegen
u in te dienen. (…)”
2.12 Op 24 mei 2024 heeft verweerder per e-mail op het bericht van klager gereageerd
met:
“(….) Dank voor uw bericht. [De heer P] zegt mij niets te hebben gevonden, maar
dat houdt waarschijnlijk (mede) verband met de afwikkeling van zijn bedrijf in 2023
en zijn verblijf buitenslands. Zo belangrijk is het ook niet. (…)
De tijdslijn
(…)
De 20ste schrijf ik [de architect] en vraag hem om informatie. Ik hoor niets. Vakantie
wellicht.
Op 2 Mei rappelleer ik hem. Dat werkt in zoverre dat u mij diezelfde dag (18.46
uur) laat weten dat u mijn brief aan hem voor u hebt en de week erop met uw cliënten
in conclaaf gaat. Eerder kan niet, want u hebt weer vertragende tegenslagen(2 x).
Wel gaat u uitvoerig in op mijn rechtstreekse benadering van [de architect]. Klachtwaardig
uws inziens. U wenst binnen 7 dagen een antwoord, waarop ik voorstel telefonisch te
overleggen. Daar hebt u geen behoefte aan en geen tijd voor…..
(…)
Omdat ik maar niets van u hoor en omwille van de tijd ( en vanwege mogelijke processuele
verwikkelingen) toch graag een duidelijk beeld wil krijgen van de ware gang van zaken
in 2019-2021 schrijf ik op 14 Mei een mailtje naar uw voorganger [mr. P] van [A Verzekeringen]
inzake die aangetekende brief van November 2023. Idem stuur ik op 17 Mei ik een brief
met bijlagen naar de heer (…) [expertisebureau].
Dat werkt, want u reageert de 21ste.
(…)
Gedragsregels
Ik wijs u graag op de regels 5,6,en 8 en verzoek u het hierboven geschrevene in
dat licht te bezien.
Mijn rechtstreeks benadering van [de architect] en deskundige [de heer V] –enkel
uw getuigen ? - is zorgvuldig en beoogt zeker geen beïnvloeding. Derhalve niet strijdig
met regel 22. Of had ik de tekst via [de heer P] moeten laten lopen ?
Uw verwijt dat ik u in de cc had behoren te zetten deel ik niet: het zijn niet uw
cliënten, u reageert al 6 weken niet (Gedragsregels 5, 6), en u krijgt sowieso de
stukken wel toegestuurd (doelmatigheid).
Verdere overwegingen: [de architect] vindt het niet nodig mijn cliënt een afschrift
te sturen van zijn onheuse verklaring d.d. 22-8-2023, dus hij kon daar niet op reageren.
En, mijn cliënt mag wel de rekening van [meneer V] betalen maar hem, via mij, niet
vragen om uitleg?
En dan nog: betekent dat ook dat ik uw “getuigen “niet in een voorlopig getuigenverhoor,
of in de (contra-) enquête mag doen horen?
Overigens, naar uw eigen stelling, mocht [de architect] u benaderen dan ga ik er
van uit dat u hem niet te woord zult staan, maar zult adviseren een eigen advocaat
in de arm te nemen.
Tot zover, voorlopig.
Hoe nu verder
(…)
Voor uw informatie, ik overweeg [de architect] een aansprakelijkstelling te sturen
en, zoals het er nu voorstaat, ook een dagvaarding met oproeping in vrijwaring.
Dan hebben we nog art 843Rv, en de mogelijkheid van een voorlopig getuigenverhoor.
Maar ik wacht eerst de uitkomst van uw overleg met uw cliënt af.”
2.13 Op 30 mei 2024 heeft verweerder de architect een ingebrekestelling gestuurd
vanwege het uitblijven van een reactie op het informatieverzoek vervat in de brief
van 20 april 2024.
2.14 De architect heeft hierna in een e-mailbericht van 30 mei 2024 deze ingebrekestelling
aan de heer S en mevrouw B doorgestuurd en daarbij geschreven:
“Dit kreeg ik vandaag binnen. Een officiële ingebrekestelling. Moet ik hier iets
mee?
Moet ik aan [verweerder] melden dat de advocaat van de andere kant heeft aangegeven
dat ik hier niet op moet reageren? Hij heeft natuurlijk die brief gezien van jullie
advocaat dat hij mij niet mag benaderen. Moet ik zelf even contact opnemen met jullie
advocaat?”
2.15 In een vonnis van 13 november 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van
de heer S en mevrouw B afgewezen.
2.16 Op 15 november 2024 heeft verweerder klager in een e-mailbericht verzocht
om het conservatoire beslag te laten opheffen en aangekondigd met een schadeopstelling
te komen.
2.17 Op 19 november 2024 heeft klager in een e-mailbericht aan verweerder geschreven:
“(…) Vanwege een vertraging in de post heb ik het vonnis pas op zaterdag jl. in
de bus gekregen. Ik heb [A Rechtshulp] inmiddels verzocht om de proceskostenveroordeling
naar het door u aangegeven rekeningnummer over te maken. Mocht dat niet binnen de
termijn binnenkomen, dan graag een kort bericht aan mij zodat ik [A Rechtshulp] kan
rappelleren.
Wat betreft het opheffen van het beslag. Ik zal eerst met cliënten overleggen of
hoger beroep zinvol is, zodat dit nog niet aan de orde is. Indien en zodra daarvan
afgezien wordt zal ik cliënten adviseren het beslag zo spoedig mogelijk op te heffen.”
2.18 Op 22 november 2024 heeft verweerder de heer S per e-mail als volgt bericht:
“(…)
Hierbij vraag ik uw aandacht voor het navolgende.
Op 11 Maart 2024 hebt u ten laste van [P BV] beslag laten leggen onder de Coöperatieve
Rabobank U.A. ter zake van vorderingen die u meende op deze vennootschap te hebben.
Bij vonnis dd. 13 November jl. heeft de rechtbank al uw vorderingen afgewezen.
Daarmee staat, behoudens een andersluidende uitkomst in hoger beroep, de onrechtmatigheid
van dit beslag vast.
Bij mailbericht d.d. 15 November jl. heb ik uw advocaat verzocht te bewerkstelligen
dat het beslag onmiddellijk wordt opgeheven (bijlage). Diens reactie van afgelopen
Dinsdag de 19de was dat hij eerst met u wil overleggen over hoger beroep.
[De heer P] wenst daar niet langer op te wachten, temeer niet omdat hij gelet op
de motivatie in het vonnis de kansen op een succesvol hoger beroep nihil acht.
Ik stel u bij deze in gebreke en verzoek u, respectievelijk sommeer u om dit beslag
uiterlijk Woensdag as. te hebben opgeheven, bij gebreke waarvan ik [de heer P] zal
adviseren in kort geding opheffing te vorderen.
Opheffing staat los van de schade ten gevolge van dit beslag.
Ik stel ik u bij deze aansprakelijk voor alle schade die de [heer P], respectievelijk
zijn vennootschap, heeft geleden en nog lijdt.
Een schadeopstelling is in de maak. Ik stuur u die binnenkort toe.”
2.19 Op 4 december 2024 heeft verweerder de heer S en mevrouw B per e-mail als
volgt bericht:
“Op mijn mail d.d. 15 November jl. heb ik geen reactie ontvangen. Ook is het beslag
nog steeds niet opgeheven.
Bijgaand stuur ik u de specificatie van de directe kosten ten gevolge van het onterechte
beslag.
Ik verzoek u het bedrag van € 21.683,- over te maken naar rekeningnummer (…) van
mijn kantoor t.n.v. [verweerder], ref.: [P]
Betaling dient te zijn ontvangen uiterlijk 11 December as, bij gebreke waarvan ik
zonder nadere aankondiging in rechte betaling zal vorderen.
Overigens is genoemd bedrag nog niet definitief.
In afwachting van betaling teken ik”
2.20 Op 14 december 2024 heeft klager twee klachten tegen verweerder ingediend.
2.21 Op 16 december 2024 heeft verweerder klager per e-mail als volgt bericht:
“Op mijn bericht aan u d.d. 5 December jl. heb ik niets gehoord. Ook niet op mijn
voorstel om achter de gemeente aan te gaan. Dat is niet alleen jammer, maar het getuigt
ook van een ongepaste bejegening van ondergetekende, zijnde uw confrère.
Nog even over de schade t.g.v. de beslaglegging: u ziet dat de schadeposten grotendeels
betrekking hebben op alle werkzaamheden in relatie tot de beslaglegging en de noodzaak
de BV’s van cliënt in de lucht te houden. Er kan nu pas worden geliquideerd in 2025.
De liquidatie - werkzaamheden van dit jaar en alles wat daarbij kwam zijn tevergeefs
verricht, maar wel gedeclareerd en betaald.
En wat betreft uw gedachte van opheffing tegen een bankgarantie: het geld was/is
er niet en het zou de opschorting van het liquidatie proces niet ongedaan hebben gemaakt.
Nogmaals mijn voorstel:
(Mail aan [de heer P] van [A Verzekeringen] d.d. 22-11 jl … ) , in uw bezit)
Niet onvermeld mag blijven dat ik ter zitting heb gesteld dat uit die stukken nu
juist blijkt dat als er een aansprakelijke partij is, het wel de gemeente is !! Wat
meer is, men houdt daar zelf ook rekening mee. Mijn voorstel was dan ook dat uw verzekerde
de gemeente aanspreekt, al dan niet in rechte, waarbij de opbrengst aan mijn cliënt
ten goede komt ter dekking van de kosten van juridische bijstand (thans plm. € 22.000,-
). Nb, [de heer S] antwoordde op de vraag van de rechter waarom hij dan toch tegen
[de heer P] was gaan procederen dat hij teleurgesteld was in de ondersteuning die
hij meende van hem te mogen verwachten gedurende het gehele bouwproces. Geen valide
reden en iets wat overigens niet in de offerte van [de heer P] staat …
Mijn stelling is en blijft dat bij gewoon gezond overleg, gelijk advocaten betaamt,
de hele procedure bij de rechtbank overbodig was geweest. Daar doet niet aan af dat
[de heer P] de (2 de en) laatste sommatie- van een jaar later- heeft gemist: ik heb
direct na betekening van de dagvaarding contact met u gezocht om in gesprek te gaan.
Dat zou beide partijen veel tijd frustratie en geld hebben gescheeld.
Over dat geld wil ik het nog een keer hebben: of u/wij gaat/gaan achter de gemeente
conform mijn voorstel, of ik adviseer [de heer P] te gaan procederen over de onnodig
gemaakte kosten van mijn juridische bijstand.
Daarbij staat natuurlijk centraal uw weigering mij, en de rechtbank, en alle geraadpleegde
partijen (…) van de juiste stukken te voorzien.
In dit verband: bijvoorbeeld, noch in het verzoekschrift tot beslaglegging, noch
in de dagvaarding staat iets vermeld over de klacht van [de heer S] richting de OD.
U hebt geweigerd mij daar stukken van te sturen, waardoor ik genoodzaakt was er zelf
achteraan te gaan. Zie het vonnis.
De rechtbank heeft de vorderingen van uw cliënten zonder meer afgewezen en kwam
daarom niet toe aan de DNR (door u als specialist vastgoedrecht ter zitting bij herhaling
BNA genoemd, maar alas…. ).
Mocht u in hoger beroep gaan, dan zal ik incidenteel appelleren over [de architect]
als contractspartij en het niet toekennen van een hogere proceskosten veroordeling.
Dat moet dan maar.
Nb , dit is geen oneigenlijk drukmiddel!
Aangezien u niet of nauwelijks reageert, laat staan inhoudelijk, behalve dan met
het zwaaien van de gedragsregels, acht ik mij,behoudens ommegaand tegenbericht vrij
onze correspondentie integraal in het (appel) geding te brengen. En, wellicht ook
in een klacht.”
2.22 Op 14 december 2024 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij
de deken.
2.23 Verweerder staat sinds 17 juni 2025 niet meer ingeschreven als advocaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij:
a) een door de cliënten van klager aangezochte deskundige heeft benaderd en aansprakelijk
heeft gesteld terwijl de zaak nog onder de rechter was, als gevolg waarvan deze deskundige
zich onder druk gezet voelde;
b) tweemaal rechtstreeks de cliënten van klager heeft benaderd, terwijl verweerder
wist dat klager zijn cliënten nog steeds bijstond.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter moet bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art.
10a Advocatenwet. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gelet op het open karakter van de wettelijke norm, daarbij
wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per
geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
5.2 Op grond van gedragsregel 22 dient de advocaat zich zorgvuldig op te stellen
in zijn contacten met getuigen en zal de advocaat geen handelingen verrichten die
zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen.
5.3 De raad stelt vast dat verweerder in een mailbericht van 22 april 2024 een
brief van 20 april 2024 aan de architect heeft gestuurd. Deze architect was door de
cliënten van klager bij het bouwproject betrokken. Verweerder heeft de architect in
zijn brief van 20 april 2024 vragen gesteld over een door hem opgestelde schriftelijke
verklaring die hij had afgelegd in de procedure. Verweerder heeft de architect gevraagd
of hij een (andere) schriftelijke verklaring kon opstellen, die door verweerder in
de procedure kon worden ingebracht. Hierna heeft verweerder op 2 mei 2024 een rappelbericht
aan de architect gestuurd. Op 30 mei 2024 heeft verweerder de architect nogmaals aangeschreven,
ditmaal met een aansprakelijkstelling wegens het uitblijven van een reactie op zijn
verzoek vervat in de brief van 20 april 2024. Verweerder heeft deze berichten gestuurd
terwijl de zaak nog onder de rechter was.
5.4 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder met voorgaande handelswijze
gedragsregel 22 geschonden. Dat de architect (nog) niet was aangemerkt als getuige,
maakt dit oordeel niet anders. De raad weegt hierin mee dat gedragsregel 22 er (ook)
op ziet dat een advocaat geen handelingen mag verrichten die zouden kunnen leiden
tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen. Vaststaat dat de architect door de cliënten
van klager naar voren was geschoven en dat hij ook op hun verzoek een schriftelijke
verklaring had opgesteld. Met het direct aanschrijven van de architect (die mogelijk
nog als getuige kon worden gehoord), het verzoeken om een (alternatieve) verklaring
en het hierna aansprakelijk stellen, dit alles terwijl de zaak nog onder de rechter
was, heeft verweerder handelingen verricht die ertoe zouden kunnen leiden dat de architect
ongeoorloofd zou worden beïnvloed. Verweerder had kunnen en ook moeten wachten met
het sturen van berichten en de aansprakelijkstelling aan de architect, totdat de zaak
niet meer onder de rechter was. Door dit wel te doen, heeft verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar gehandeld.
5.5 Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.6 Op grond van gedragsregel 25 stelt de advocaat zich met een partij betreffende
een aangelegenheid waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet
anders in verbinding dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem
toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Een uitzondering
geldt voor het doen van een aanzegging met rechtsgevolg. In dat geval mag de advocaat
dit rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift
aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan de partij beperkt blijft
tot deze aanzegging met rechtsgevolg. De uitzondering geldt niet indien de advocaat
het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van
een partij te zenden.
5.7 De raad stelt vast dat verweerder op 22 november 2024 en op 4 december 2024
de cliënten van klager rechtstreeks heeft benaderd, terwijl hij wist dat zij door
klager als advocaat werden bijgestaan. Hiermee heeft verweerder gedragsregel 25 geschonden.
De berichten van verweerder aan de cliënten van klager betroffen geen aanzegging met
rechtsgevolg. Het waren inhoudelijke brieven en klager heeft van deze berichten aan
zijn cliënten ook geen afschrift van verweerder ontvangen. Hetgeen verweerder hierover
in zijn mailbericht van 16 december 2024 aan klager heeft geschreven, maakt zijn handelen
niet minder tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit geldt eveneens voor al hetgeen verweerder
in het kader van deze klachtprocedure ten aanzien van dit klachtonderdeel naar voren
heeft gebracht. Verweerder wist dat de cliënten van klager door klager werden bijgestaan
en hij had hen (daarom) niet rechtstreeks (tot tweemaal toe) mogen aanschrijven. Door
dit wel te doen, heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.8 Klachtonderdeel b) is eveneens gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft handelingen verricht die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde
beïnvloeding van getuigen en hij heeft de cliënten van klager aangeschreven, terwijl
hij wist dat zij door klager als advocaat werden bijgestaan. Hiermee heeft verweerder
in strijd met de gedragsregel 22 en 25 gehandeld. De raad acht alles overziend de
oplegging van een maatregel in de vorm van een waarschuwing aan verweerder passend.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van €1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van €1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.3.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en L.C. Dufour, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026.