ECLI:NL:TADRAMS:2026:100 Raad van Discipline Amsterdam 25-915/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:100
Datum uitspraak: 11-05-2026
Datum publicatie: 18-05-2026
Zaaknummer(s): 25-915/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is ongegrond. De raad concludeert dat geen sprake is van een situatie waarin verweerder de rechtbank verkeerd heeft voorgelicht of dat hij informatie aan de rechtbank heeft verstrekt waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist was. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 11 mei 2026
in de zaak 25-915/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over:

verweerder
gemachtigde: mr. S.F. Knijnenburg 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 1 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 
1.2    Op 31 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2484120/JHS/AS van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster is met een ander bedrijf (hierna: D) verwikkeld in procedures die zich afspelen in de Verenigde Staten en in Nederland. 
2.3    Verweerder staat D bij in de procedures in Nederland. 
2.4    Klaagster wordt in de procedures in Nederland ook bijgestaan door advocaten, onder andere door mr. M en mr. E. 
2.5    Partijen laten zich in de procedure in de Verenigde Staten (hierna: de VS) bijstaan door Amerikaanse advocaten. Aan de zijde van klaagster zijn dit onder meer de advocaten H en Mil. D wordt in die procedures onder meer bijgestaan door de advocaten Du en Do. 
2.6    Op 1 mei 2024 heeft de Amerikaanse rechter een summary judgement gewezen in het geschil (hierna ook: Judgement May). 
2.7    Op 16 mei 2024 heeft de Amerikaanse rechter een rechtshulpverzoek gedaan aan de Nederlandse rechter (hierna: de rechtbank) op grond van het Haags Bewijsverdrag. De Amerikaanse rechter heeft hierin gevraagd om in Nederland een aantal getuigen te horen. In de zogenaamde “Letters of Request” heeft de Amerikaanse rechter een “Exhibit” aangehecht, waarin de verschillende onderwerpen (de “Topics”) waarover de getuigen konden worden bevraagd, zijn opgenomen.
2.8    Op 19 december 2024 heeft mr. M namens klaagster bezwaar gemaakt bij de rechtbank tegen de processuele gang van zaken. 
2.9    Op 7 februari 2025 heeft de “Final Pretrial Conference” in de VS plaatsgevonden. Verweerder en de gemachtigde van klaagster hebben via een audiolink aan deze zitting deelgenomen. Namens D was onder andere de Amerikaanse advocaat mr. Du aanwezig. Namens klaagster was onder andere de Amerikaanse advocaat mr. H aanwezig.  
2.10    Blijkens het transcript van deze zitting is hierin het volgende gezegd, voor zover relevant: 
“(…)
[mr. H]: If I may, my client would be upset with me if I didn’t raise this. If we’re going to be modifying the request vis-a-vis the depositions [rogatoire commissies], could it be made clear that copyright is no longer - - I believe the topics that were listed were listed for [getuige mr. K], particularly in both, when copyright was a live claim. Obviously it’s not. We can put together those dots for the Dutch court, but if your Honor is giving revised instructions, it would be helpful to make clear that’s no longer on the table” 
[de rechter]: It wasn’t my intention to try to set out the parameters of what would be covered in the deposition. I mean, Rule 30 is what sets the parameters for the deposition. 
[mr. H]: (…) So either a statement, you’re not taking - - the Court is not taking a position on what is - - should be the subject of the deposition or a revision saying, you know, copyright has been dismissed, would go a long way.” 
(…)
[vraag van de rechter aan mr. Du]: “It’s true you’re not going to ask about copyright?” 
[mr. Du]: “That’s correct, Your Honor. (…)” 
[de rechter]: If you don't ask about it, then what does it matter? 
[mr. H]: It doesn't. I think it would be helpful for the Dutch court to know that's an agreement between counsel, but I'm -- I can pass that along – 
[de rechter]: I'm not inclined to modify parameters. (…) But other than that, for the Dutch judge who is presiding, to do whatever he or she wants. 
(…)
2.11    Bij brief van 28 januari 2025 heeft de rechtbank aan mr. M en aan verweerder geschreven: 
“(…) [mr. M] heeft de rechter-commissaris ook verzocht een regiezitting te bepalen, mede gelet op het door de rechter-commissaris te bepalen probandum. De verzoekende autoriteit heeft in de verzoeken aangegeven over welke onderwerpen de getuigen dienen te worden gehoord. Dit is het probandum. (…)”
2.12    Op 13 februari 2025 heeft de rechtbank de getuigenverhoren bepaald op 2 en op 3 april 2025. 
2.13    Op 31 maart 2025 heeft de griffier van de rechter-commissaris (hierna: de RC) aan verweerder en aan mr. M. een e-mail gestuurd in verband met de geplande getuigenverhoren. In deze e-mail heeft de griffier namens de RC aan de advocaten geschreven, voor zover relevant: 
“(…) Volgens [mr. E] zijn in een Summary Judgement van 1 mei 2024 vorderingen van [D], gebaseerd op “breach of written contract” en “copyright infringement”  afgewezen. Hij stelt dat dat consequenties heeft voor de omvang van het verhoor.
De rechter-commissaris verneemt graag van u (in elk geval van [verweerder]) of dit juist is, welke vordering dan wel vorderingen thans nog aan de orde zijn in de procedure (…) en de consequenties daarvan voor de geformuleerde onderwerpen. Ik verzoek u de rechtbank uiterlijk dinsdag 1 april 2025 om 12:00 uur te informeren. (…)”
2.14    Bij brief van 1 april 2025 (gedateerd op 31 maart 2025) heeft verweerder gereageerd op het verzoek van de rechtbank. In deze brief heeft verweerder geschreven, voor zover relevant: 
“(…) In uw e-mail van 30 maart jl. verzoekt u [D] te reageren op de stelling van getuige [H] dat de bij summary judgement van 1 mei 2024 (Judgement May 2024) afgewezen vorderingen gebaseerd op “breach of written contract” en “copyright infringement” consequenties heeft voor de omvang van het verhoor. 
Ik licht hierna toe dat de Judgement May 2024, van bijna een jaar geleden, geen consequenties heeft voor het verhoor en de daarvoor leidende Topics of Oral Examination A-J (Topics). Hieronder heb ik een door de Amerikaanse advocaten van [D] opgestelde tabel opgenomen, waaruit volgt welke vorderingen (nog) voorliggen (…) en dat de Topics daarmee corresponderen: 
(…) 
Zoals uw rechtbank bekend, heeft de Court zich ruim na het wijzen van zijn Judgment May 2024 veelvuldig uitgelaten over de rogatoire commissie en het getuigenverhoor (deposition), ook in rechtstreekse - niet geheel gebruikelijke - correspondentie met uw rechtbank. Laatstelijk hebben de Court en partijen zich op 7 februari jl. tijdens de Final Pretrial Conference uitgelaten over de verhoren. Ook toen is door de Amerikaanse advocaat van [D] geen bezwaar gemaakt tegen de leidende Topics. Indien en voor zover de door de Court geformuleerde Topics achterhaald zouden zijn, had het op [klaagsters] weg gelegen om dat – na het wijzen van de Judgment May 2024 - voor te leggen aan de Court. Daar heeft [klaagster] ampel gelegenheid voor gehad.
[D] verzoekt uw rechtbank derhalve voorbij te gaan aan het door getuige [H] opgeworpen bezwaren en het verhoor te leiden aan de hand van de Topics zoals verzocht door de Court.
(…)”
2.15    Op 1 april 2025 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend bij de deken.
2.16    In navolging van zijn brief van 1 april 2025 heeft verweerder in een brief van 2 april 2025 aan de rechtbank geschreven, voor zover relevant: 
"(. ..) In navolging van mijn brief gedateerd op 31 maart Jl. en verstuurd op 1 april jl. bericht ik u naar aanleiding van een gisteren kort voor middernacht ingediende klacht door [klaagster] (…)bij de Orde van Advocaten Amsterdam jegens mij als advocaat als volgt.
In mijn brief aan uw rechtbank bericht ik u onder meer dat:
"Zoals uw rechtbank bekend, heeft de Court zich ruim na het wijzen van zijn Judgment May 2024 veelvuldig uitgelaten over de rogatoire commissie en het getuigenverhoor (deposition), ook in rechtstreekse -  niet geheel gebruikelijke -  correspondentie met uw rechtbank. Laatstelijk hebben de Court en partijen zich op 7 februari jl. tijdens de Final Pretrial Conference uitgelaten over de verhoren. Ook toen is door de Amerikaanse advocaat van [klaagster] geen bezwaar gemaakt tegen de leidende Topics. Indien en voor zover de door de Court geformuleerde Topics achterhaald zouden ziin. had het op [klaagsters] weg gelegen om dat - na het wiizen van de Judgment Mav 2024 - voor te leggen aan de Court. Daar heeft [klaagster] ampel gelegenheid voor gehad."
Volledigheidshalve en om misverstanden te voorkomen voeg ik daaraantoe dat de Topics zijn besproken tijdens de Final Pretrial Conference (de Transcript daarvan is hierbij aangehecht): (. ..)
Voor zover mii bekend heeft de Amerikaanse advocaat van [klaagster] daarna geen bezwaar gemaakt tegen de Topics althans getracht de Topics (middels een formeel bezwaar of verzoek) te wiizigen. Om die reden handhaaft [D] haar standpunt dat de Judgment Mav 2024 geen consequenties heeft voor het verhoor van [getuige H]. 
(. ..)”
2.17    Op 2 en 3 april 2025 hebben de getuigenverhoren van de heren H en K bij de rechte-commissaris van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, plaatsgevonden. 
2.18    In een verklaring van 4 juni 2025 heeft mr. Du geschreven, voor zover relevant: 
“(…) Moreover, consistent with my representation to the U.S. Court on February 7, 2025 neither [mr. Do] nor I asked either of the witnesses any questions about copyright, and the lack of precision in describing the conference made no material difference in how the examinations were conducted. Indeed, the only uses of the word "copyright" during the Depositions were those interjected by the witnesses and in the preliminary discussions referenced above.”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij de rechtbank onjuist heeft voorgelicht door te schrijven: 
"Indien en voor zover de door de Court geformuleerde Topics achterhaald zouden zijn, had het op DMA’s weg gelegen om dat - na het wijzen van de Judgment May 2024 - voor te leggen aan de Court. Daar heeft DMA ampel gelegenheid voor gehad". 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 
5.2    In gedragsregel 8 staat dat een advocaat zich zowel in als buiten rechte dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is. 
5.3    De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier het volgende vast. Op 31 maart 2025 heeft de griffier van de rechter-commissaris een e-mailbericht aan verweerder en aan mr. M gestuurd. Hierin is hen gevraagd of de door mr. E ingenomen stelling (te weten dat in de Summary Judgement van 1 mei 2024 vorderingen van D, gebaseerd op “breach of written contract” en “copyright infringement” zouden zijn afgewezen) juist is. Verweerder en mr. M is ook gevraagd of de hierover door mr. E gemaakte opmerking, dat die afwijzing consequenties heeft voor de omvang van het getuigenverhoor, correct is, als ook welke vordering(en) volgens verweerder en mr. M thans nog aan de orde zijn en wat de consequenties daarvan zouden kunnen zijn voor de geformuleerde onderwerpen. 
5.4    Verweerder heeft op het voorgaand bericht gereageerd middels een brief van 31 maart 2025 (gedateerd op 1 april 2025), welk bericht hij op 2 april 2025 heeft aangevuld. Verweerder heeft hierin geschreven dat: “Indien en voor zover de door de Court geformuleerde Topics achterhaald zouden zijn, had het op [klaagsters] weg gelegen om dat – na het wijzen van de Judgment May 2024 - voor te leggen aan de Court. Daar heeft [klaagster] ampel gelegenheid voor gehad.”
5.5    Dat verweerder de rechtbank met deze (cursief gemaakte) uitlating van informatie heeft voorzien, waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist was, is de raad niet gebleken. De raad kan dit niet afleiden uit het door klaagster overgelegde transcript van de Final Pretrial Conference en voor zover de in 5.4 geciteerde passage uit het bericht van verweerder volgens klaagster niet geheel in lijn zou zijn geweest met hetgeen tijdens de Final Pretrail Conference is besproken, had klaagster dat in de onderliggende procedure kunnen aanvoeren. Ook had (de advocaat van) klaagster zelf kunnen reageren op de vraag van de rechter-commissaris. Het bericht van de griffier van 31 maart 2025 was immers aan de advocaten van beide partijen gestuurd. Klaagster heeft daar echter geen aanleiding voor gezien en is in plaats daarvan direct overgegaan tot het indienen van een klacht bij de deken tegen verweerder. 
5.6    Verder heeft verweerder gemotiveerd toegelicht dat hij, naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank van 31 maart 2025, alvorens te antwoorden, informatie heeft ingewonnen bij de Amerikaanse advocaten van zijn cliënte. Verweerder is afgegaan op de juistheid van die informatie en hij had geen reden om daaraan te twijfelen. De informatie kwam overeen met zijn kennis over het debat tussen partijen in de Verenigde Staten betreffende onder meer de omvang van de getuigenverhoren. Ook overigens bestond er naar het oordeel van de raad voor verweerder geen aanleiding op grond waarvan hij was gehouden nader onderzoek te doen naar de door hem aangeleverde informatie. Hij mocht hier dan ook vanuit gaan en dit kan hem tuchtrechtelijk niet worden verweten. 
5.7    De raad concludeert op grond van het voorgaande dat geen sprake is van een situatie waarin verweerder de rechtbank verkeerd heeft voorgelicht of dat hij informatie aan de rechtbank heeft verstrekt waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat deze onjuist was. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De klacht is ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en J.C. Ellerman,    leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026. 

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 11 mei 2026.