ECLI:NL:TADRAMS:2025:50 Raad van Discipline Amsterdam 24-735/A/A
ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:50 |
---|---|
Datum uitspraak: | 24-03-2025 |
Datum publicatie: | 28-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-735/A/A |
Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat deels gegrond. Verweerster heeft bij haar onttrekkingsbericht nagelaten om de rechtbank actief te informeren over de gewijzigde woonsituatie van klager, terwijl dit in de gegeven omstandigheden wel op haar weg lag. Hiermee heeft verweerster onzorgvuldig gehandeld en dit valt haar tuchtrechtelijk te verwijten. Aan verweerster wordt de maatregel van een waarschuwing opgelegd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 24 maart 2025
in de zaak 24-735/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigden: mrs. L.J. Böhmer en R. Westerhof
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 november 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 oktober 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2283240/JS/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 februari 2025. Daarbij
waren klager met zijn gemachtigden aanwezig. Verweerster is (met bericht) niet ter
zitting verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de nagezonden stukken van klager van 15 januari 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 11 april 2023 heeft verweerster een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd
in verband met juridische bijstand aan klager in een beroepsprocedure. Hierin staat,
voor zover relevant:
“(…) Om de behandeling van uw zaak zo soepel mogelijk te laten verlopen wijs ik
u nog op het volgende.
- u bent, en blijft, zelf verantwoordelijk voor de aanlevering van alle informatie
benodigd voor uw zaak.
- alle correspondentie zal naar het door u opgegeven (e-mail)adres worden verzonden.
Zorgt u dus voor dat u hier bereikbaar bent. Eventuele wijzigingen van (e-mail)adres
of telefoonnummer moet u zo spoedig mogelijk aan mij doorgeven; (…)”.
2.3 Verweerster heeft op verzoek van klager beroep ingesteld tegen de beslissing
van de Gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) van 2 maart 2023 om het bezwaar van
klager tegen de urgentieverklaring ongegrond te verklaren.
2.4 Op 12 april 2023 heeft de rechtbank een ontvangstbevestiging van het beroep
aan verweerster gestuurd, waarin (onder meer) staat dat het de verantwoordelijkheid
van de cliënt, klager, is om de rechtbank op de hoogte te stellen van adreswijzigingen
2.5 In mei 2023 hebben klager en verweerster correspondentie met elkaar gevoerd
over het aanvullen van de beroepsgronden en het verzamelen van alle noodzakelijke
stukken.
2.6 In een e-mailbericht van 21 juli 2023 heeft klager aan verweerster doorgegeven
dat zijn huurwoning zal worden ontruimd, waarbij hij aan verweerster vraagt of dit
gevolgen heeft voor de procedure waarin verweerster klager bijstaat.
2.7 In een e-mailbericht van 19 september 2023 heeft klager aan verweerster geschreven:
(…) Ik probeerde u telefonische te bereiken vandaag. Volgens de ombudsman, waar
ik vandaag op gesprek was, kan ik wellicht met aangehecht ontruimingsbevel aanvoeren
dat er spoedeisendheid is in de zaak die u voor mij behandeld? Klopt dit? Het is nu
dringend, ik sta zo op straat. (..)”
2.8 Op 21 september 2023 heeft verweerster aan klager geschreven, voor zover
relevant:
“Zoals we gisteren telefonisch hebben besproken zie ik naar aanleiding van het ontruimingsbevel
dat u heeft ontvangen helaas geen kansrijke mogelijkheden voor een spoedvoorziening
in de beroepszaak waarin ik u bijsta, betreffende uw urgentieaanvraag. Dit omdat de
rechter m.i. in deze zal oordelen dat sprake is van verwijtbare dakloosheid. Ik wens
u voor nu veel sterkte en zal binnenkort contact met u opnemen over het mogelijke
vervolg van uw beroepsprocedure".
2.9 Op 27 september 2023 is de huurwoning van klager ontruimd.
2.10 Vanaf 10 oktober 2023 beschikt klager over een nieuw postadres.
2.11 Op 8 november 2023 heeft verweerster verhinderdata aan de rechtbank doorgegeven.
2.12 Klager en verweerster hebben hierna op 9 november 2023 en op 13 november
2021 verder met elkaar gecorrespondeerd. In een e-mailbericht van 13 november 2023
heeft verweerster aan klager geschreven, voor zover relevant:
“(…) Zoals ik aangaf is de kans dat het reeds ingestelde beroep gegrond wordt verklaard
bijzonder klein, dus u kunt ervoor kiezen dit in te trekken. Mogelijk dat de gemeente
dan bereid is om verder naar de situatie te kijken. Het enige dat ik kan bevestigen
is dat ze geen nieuwe aanvraag in behandeling kunnen nemen als er nog een procedure
loopt.
(…)
Wellicht - als u aan de gemeente een ondubbelzinnige verklaring kunt overleggen
van een medisch specialist, dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem
- zien zij nu wel mogelijkheden, maar ook daarover kan ik u geen enkele garantie geven.
Zie hiervoor ook de bijlage. (…)”
2.13 Op 29 november 2023 heeft verweerster klager in een e-mailbericht geschreven,
voor zover relevant:
“Ik verwijs u naar mijn eerdere e-mails, waarin ik reeds heb aangegeven wat toen
mijn inschatting van de kansen was - en waarom. (…)
In augustus heb ik inderdaad aangegeven dat er op dat moment geen (financiële) noodzaak
was om het beroep in te trekken. (…)
Op dat moment en ook daarna heb ik u overigens wel meerdere malen verteld dat de
kans op succes van het beroep niet erg groot was.
Dat is niet hetzelfde als hetgeen u in uw e-mail van 19 november stelt, namelijk:
'Eerder adviseerde u mij deze zaak niet in te trekken.'
Ik heb u eerder slechts laten weten dat er geen noodzaak bestond om de zaak in te
trekken.
Daarnaast heb ik u als gezegd wel herhaaldelijk, ook per e-mail, o.a. op 18 augustus,
21 september en 13 november, geïnformeerd over mijn inschatting dat de kans op een
gegrondverklaring van uw beroep gering was. Na nu nogmaals de stukken te hebben bestudeerd,
en alle omstandigheden in overweging nemende, moet ik helaas toch tot de conclusie
komen dat de kans op gegrondverklaring van het door mij namens u ingestelde beroep
m.i. zo minimaal is dat ik de zaak zal neerleggen en u tevens adviseer om het beroep
in te trekken. Ik ben er uiteindelijk van overtuigd geraakt dat voortzetting van deze
beroepsprocedure niet opportuun is. Ik zal mij terugtrekken en de rechtbank daarover
informeren, zodat u - indien u de beroepsprocedure desondanks wilt voortzetten en
u deze dus niet intrekt (zie art. 6:21 Awb) - eventueel een andere advocaat kunt zoeken
om u daarin bij te staan (dit is in het bestuursrecht niet verplicht). (…) ”
2.14 Op 30 november 2023 heeft klager een klacht tegen verweerster ingediend
bij de deken.
2.15 Op 1 december 2013 heeft verweerster de rechtbank bericht dat zij zich onttrekt
als de advocaat van klager.
2.16 Op 5 december 2023 heeft de rechtbank klager een brief aan klager op het
adres van zijn (voormalige) huurwoning gestuurd waarin klager wordt uitgenodigd voor
een zitting op 14 februari 2024 om 09.00 uur.
2.17 Op 6 december 2023 heeft verweerster het dossier aan klager gestuurd. Daarbij
heeft zij klager bericht, voor zover relevant:
“(…) Ik heb geen datum voor de zitting ontvangen, die had ik u in dat geval uiteraard
doorgestuurd. (…)”
2.18 Klager is niet ter zitting van 14 februari 2024 verschenen.
2.19 Bij beslissing van 5 maart 2024 heeft de rechtbank besloten om het onderzoek
te heropenen. In de beslissing staat, voor zover relevant:
“Feitelijke gang van zaken
Op 1 december 2023 heeft [verweerster] zich onttrokken. De rechtbank heeft op 5
december 2023 de uitnodiging voor de zitting aangetekend naar het bij de rechtbank
bekende adres van [klager] verstuurd. Uit het verweerschrift leidt de rechtbank af
dat [klager] toen al niet meer op dat adres stond ingeschreven. Er is voor ontvangst
getekend. Het is de rechtbank niet bekend door wie. Het is de verantwoordelijkheid
van [klager] om de rechtbank op de hoogte te stellen van adreswijzigingen. Dit staat
ook in de ontvangstbevestiging van het beroep die op 12 april 2023 door de rechtbank
naar [verweerster] is verstuurd. Het is niet duidelijk of deze brief [klager] ook
heeft bereikt en of [klager] kon weten dat hij zijn nieuwe adres aan de rechtbank
had moeten doorgeven. [Klager] heeft per mail van 14 februari 2024 laten weten dat
hij niet op de hoogte was van de geplande zitting en heeft verzocht om gehoord te
worden door middel van een nieuwe zitting.
De rechtbank ziet gelet op de gang van zaken zoals hiervoor genoemd en het belang
van [klager] om gehoord te worden aanleiding het onderzoek te heropenen en bepaalt
dat de zaak op een nieuwe zitting wordt gepland. (…)”
2.20 Er is door de rechtbank een nieuwe zittingsdatum gepland op 3 april 2024.
2.21 Op 10 april 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Het beroep van klager
is door de rechtbank afgewezen.
2.22 Op 1 oktober 2024 heeft verweerster zich uitgeschreven als advocaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster dat zij:
a) zich op 29 november 2023 met een ongegronde reden vlak voor de zitting heeft
onttrokken als de advocaat van klager;
b) op 8 november 2023 verhinderdata aan de rechtbank heeft doorgegeven, zonder
klager daarover te informeren;
c) ten onrechte niet de adreswijziging van klager heeft doorgegeven aan de rechtbank,
dan wel klager heeft geïnformeerd over de noodzaak om zelf zijn nieuwe adres door
te geven aan de rechtbank.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter toetst de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen
advocaat in volle omvang. Daarbij wordt rekening gehouden met de vrijheid die de advocaat
heeft bij de manier waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor hij bij
de behandeling kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat daarbij heeft is niet
onbeperkt. Deze vrijheid wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer
in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld. Volgens deze eisen dient zijn
werk te voldoen aan de binnen de beroepsgroep geldende professionele standaard. Die
professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een
redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag
worden verwacht.
5.2 De raad gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de oorspronkelijke
klachtomschrijving zoals deze is weergegeven in de aanbiedingsbrief. De raad betrekt
hierbij hetgeen klager hierover verder nog naar voren heeft gebracht in onder meer
zijn bericht van 1 december 2023 aan de Orde en hetgeen hij in zijn repliek van 29
februari 2023 aan de Orde heeft geschreven. De nadere omschrijving van de klacht die
de gemachtigde van klager in zijn brief van 15 januari 2025 (randnummer 17) heeft
opgenomen, laat de raad buiten beschouwing. De raad dient de te beoordelen klacht
namelijk vast te stellen aan de hand van de klacht zoals deze bij de deken is ingediend
en uit onderzoek door de deken is gebleken. De nadere omschrijving namens klager bevat
deels klachtonderdelen die reeds in de oorspronkelijke klachtomschrijving waren opgenomen,
maar deels ook een uitbreiding buiten de grenzen van de oorspronkelijke klacht, hetgeen
niet is toegelaten. Gelet daarop ziet de raad geen aanleiding af te wijken van de
klachtomschrijving zoals hierboven weergegeven onder 3.1.
Klachtonderdelen a) en c)
5.3 De raad ziet gelet op de inhoud van de klachtonderdelen a) en c) aanleiding
voor een gezamenlijke beoordeling.
5.4 Klager verwijt verweerster in klachtonderdeel a) dat zij zich zonder voorafgaand
overleg met klager op onzorgvuldige wijze heeft onttrokken als advocaat. Het moment
van terugtrekking, de wijze van communiceren door verweerster, en de omstandigheden
waarin klager verkeerde, maken deze onttrekking onzorgvuldig. Klager verkeerde in
een kwetsbare positie en hij beschikte tijdelijk niet over een vaste woon- of verblijfplaats.
Daarbij ondervindt klager psychische problemen. Deze omstandigheden tezamen genomen,
maken dat van verweerster een actievere opstelling mocht worden gevergd.
5.5 In klachtonderdeel c) verwijt klager verweerster dat zij de rechtbank niet
heeft geïnformeerd over de ontruiming van het huurhuis van klager en op het feit dat
hij daarom ook niet meer op dat adres woonde. Ook heeft zij verzuimd klager er op
te wijzen dat hij zijn gewijzigde woonsituatie aan de rechtbank moest doorgeven. Verweerster
had gelet op de kwetsbare situatie waarin klager zich bevond extra zorgvuldigheid
moeten betrachten, maar dat heeft zij niet gedaan. Klager was hierdoor niet op de
hoogte van de datum van de mondelinge behandeling van zijn zitting. Enkel door de
vasthoudendheid van klager heeft de rechtbank besloten om de zaak van klager te heropenen
en een nieuwe zittingsdatum te bepalen.
5.6 De raad stelt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen voorop dat het
een advocaat op grond van gedragsregel 14 vrijstaat om zijn werkzaamheden te beëindigen.
Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij daartoe zelfs gehouden. Wel dient de
advocaat die beslissing zo tijdig kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te
nemen stappen, dat de cliënt daarvan zo min mogelijk schade ondervindt.
5.7 De raad stelt op grond van het feitenrelaas vast dat verweerster klager in
haar e-mailbericht van 21 september 2023 heeft bericht dat zij geen kansrijke mogelijkheden
meer voor hem zag voor een spoedvoorziening in de beroepszaak. Op 13 november 2023
heeft verweerster klager geschreven dat zij de kans op een gegrondverklaring van het
beroep (ook) bijzonder klein achtte. Zij heeft klager in dit bericht in overweging
gegeven om het beroep daarom in te trekken. Uiteindelijk heeft verweerster in haar
e-mailbericht van 29 november 2023 aan klager laten weten dat zij zich onttrok, nu
zij, na nogmaals de stukken te hebben bestudeerd, definitief tot de conclusie was
gekomen dat de kans op gegrondverklaring van het beroep minimaal was. Zij schrijft
daarbij dat zij klager ook hiervoor al “herhaaldelijk” had geïnformeerd over haar
inschatting dat de kans op een gegrondverklaring van het beroep gering was. Verder
merkt verweerster in dit bericht op dat zij de rechtbank zal informeren over haar
terugtrekking, wat zij op 1 december 2023 ook heeft gedaan.
5.8 Verweerster heeft onweersproken aangevoerd dat er op het moment van haar
onttrekking nog geen zittingsdatum was bepaald en uit de inhoud van het zittingsdossier
is de raad ook niet anders gebleken. Het verwijt dat verweerster zich kort voor de
zitting zou hebben onttrokken, zoals klager stelt, treft reeds daarom geen doel. Over
de vraag of verweerster klager vooraf duidelijk had laten weten dat zij geen kansen
meer voor hem zag, bestaat tussen klager en verweerster discussie. Gelet op voornoemde
correspondentie staat echter vast dat verweerster vooraf (te weten op 21 september
2023 over de spoedvoorziening en op 13 november 2023 over het inhoudelijke beroep)
aan klager duidelijk haar twijfels over de slagingskansen van die procedures heeft
gemeld. Verder is ook de inhoud van het uiteindelijke onttrekkingsbericht van 29 november
2023 voldoende duidelijk. Verweerster heeft in dit bericht aan klager geschreven dat
zij tot de conclusie was gekomen dat er geen kansen meer voor klager waren en dat
verweerster zich daarom onttrok, waarbij zij hem heeft gewezen op de mogelijkheid
om een nieuwe advocaat in de arm te nemen. Verweerster heeft daarmee een toereikende
reden gegeven voor haar onttrekking en gezien het bepaalde in voormelde gedragsregel
14, is de raad van oordeel dat het verweerster in de gegeven omstandigheden vrij stond
zich te onttrekken als advocaat en dat haar daarvan als zodanig geen tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt.
5.9 Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande ongegrond.
5.10 Ten aanzien van klachtonderdeel c) stelt de raad vast dat verweerster de
rechtbank bij haar onttrekkingsbericht niet (actief) heeft geïnformeerd over de gewijzigde
woonsituatie van klager en het feit dat hij als gevolg van de ontruiming van zijn
huurwoning niet meer op dat adres woonde. Het oproepingsbericht voor de inhoudelijke
behandeling van de zitting heeft klager daardoor niet bereikt en klager is hierdoor
niet op de zitting verschenen. De raad is van oordeel dat dit verweerster tuchtrechtelijk
valt te verwijten. Dat de zitting hierna is uitgesteld en dat klager daardoor alsnog
op zijn zitting aanwezig kon zijn, maakt dit niet anders. Ook het verweer dat het
klager bekend kon zijn dat hij er zelf zorg voor moest dragen om zijn gewijzigde adresgegevens
aan de rechtbank door te geven, kan verweerster niet baten. Zij heeft zich op eigen
initiatief aan de zaak onttrokken, wetend dat klager uit zijn huis was gezet en niet
meer op dat adres woonde. Zij had de rechtbank hierover actief moeten informeren.
De raad acht hierbij van belang dat verweerster het bericht van de rechtbank van 12
april 2023, waarin stond dat het de verantwoordelijkheid van klager was om de rechtbank
op de hoogte te stellen van adreswijzigingen, niet aan klager heeft doorgestuurd,
zodat klager daarvan niet op de hoogte was. Dat verweerster op het moment van onttrekking
niet wist op welk alternatief (post)adres klager te bereiken was, zoals zij heeft
aangevoerd, doet ook niet af aan de gegrondheid van dit klachtonderdeel. Aangezien
verweerster bij haar onttrekking wist dat klager uit zijn huurhuis was gezet, mocht
op grond van de onder 5.1 bedoelde zorgvuldigheid van haar worden verwacht dat zij
die relevante kennis (met de wel bij haar bekende contactgegevens van klager zoals
zijn telefoonnummer en e-mailadres) aan de rechtbank zou doorgeven of klager zou wijzen
op de noodzaak om de rechtbank te informeren over zijn adreswijziging.
5.11 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat klachtonderdeel c) gegrond
is.
Klachtonderdeel b)
5.12 De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier vast dat verweerster
in haar bericht van 8 november 2023 aan de rechtbank haar eigen verhinderdata heeft
doorgegeven. Zoals verweerster heeft aangevoerd en klager in zijn repliek heeft erkend,
had klager reeds daarvoor al laten weten dat hij niet over verhinderdata beschikte
en dat hier dus ook geen rekening mee hoefde worden te gehouden. Naar het oordeel
van de raad valt mede gelet daarop niet in te zien op welke wijze de inhoud van het
bericht van 8 november 2023 voor klager relevantie had en waarom dit bericht ook aan
hem had moeten worden doorgestuurd. Dat verweerster dit niet heeft gedaan, valt haar
dan ook niet te verwijten.
5.13 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat klachtonderdeel b) ongegrond
is.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft bij haar onttrekkingsbericht nagelaten om de rechtbank
actief te informeren over de gewijzigde woonsituatie van klager, terwijl dit in de
gegeven omstandigheden wel op haar weg lag. Hiermee heeft verweerster onzorgvuldig
gehandeld en dit valt haar tuchtrechtelijk te verwijten. Gelet op het verder schoon
tuchtrechtelijk verleden van verweerster is de raad van oordeel dat de oplegging van
een maatregel van een waarschuwing passend is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. D. Horeman en L.C. Dufour, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 maart 2025