ECLI:NL:TADRAMS:2025:49 Raad van Discipline Amsterdam 24-841/A/A
ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:49 |
---|---|
Datum uitspraak: | 24-03-2025 |
Datum publicatie: | 28-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-841/A/A |
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Beide klachtonderdelen worden door de raad ongegrond verklaard. Het was voor klager duidelijk dat verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat optrad als contactpersoon voor de gemeente. Verweerder heeft daarover geen misverstand laten bestaan. Het is de raad voorts niet gebleken dat verweerder bij de invulling van zijn rol als contactpersoon verder zou zijn gegaan dan het zijn van (slechts) aanspreekpunt. Verweerder heeft over de invulling van zijn beide rollen helder gecommuniceerd. Tevens ziet de raad geen reden waarom verweerder als advocaat, naast het zijn van contactpersoon voor de gemeente, in dit geval niet ook als procesadvocaat van de gemeente tegen klager had mogen optreden. Naar het oordeel van de raad conflicteren deze twee hoedanigheden in dit geval niet met elkaar en is van belangenverstrengeling geen sprake. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 24 maart 2025
in de zaak 24-841/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 22 november 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2378717/JS/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 februari 2025. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 6 december 2024 nagezonden stukken van zowel klager als van verweerder.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder is in 2021 door de gemeente Schagen (hierna: de gemeente) aangesteld
als contactpersoon voor alle vragen en kwesties betreffende Park de Horn te Dirkshorn
(hierna: het recreatiepark).
2.3 Op 15 juni 2021 heeft verweerder hierover een offerte aan de gemeente uitgebracht.
2.4 Klager heeft in een brief van 27 augustus 2021 aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“(…) Van [de gemeente] heb ik begrepen dat u door hen ben aangesteld voor het één
en ander.
Daar ik inwoner ben van [de gemeente] zie ik graag dan een contract/overeenkomst
tegemoet waaruit e.e.a. blijkt en wat uw bevoegdheden zijn en of u ook gemandateerd
bent. Verder wat u aan salaris bent overeengekomen en hoe u eventuele uren declareert,
of dat u op jaarbasis bent aangenomen. (…)”
2.5 Op 24 september 2021 heeft klager een e-mailbericht aan een medewerker bij
de gemeente (hierna: de heer K) gestuurd. In dit e-mailbericht heeft klager de rol
van verweerder aan de orde gesteld en opgemerkt dat hij nog geen antwoord van verweerder
heeft ontvangen op zijn e-mailbericht van 27 augustus 2021.
2.6 Op 28 september 2021 heeft klager zijn e-mailbericht van 24 september 2021
ook aan verweerder doorgestuurd op het e-mailadres parkdehorn@avcadvocaten.nl.
2.7 Op 26 oktober 2021 heeft verweerder een e-mailbericht aan klager gestuurd
vanaf het e-mailadres parkdehorn@avcadvocaten.nl en daarin geschreven, voor zover
relevant:
‘Geachte [klager],
Dank voor uw berichten. Ik zal als contactpersoon namens het college uw vragen beantwoorden.
Uw kunt al uw vragen sturen naar parkdehorn@avcadvocaten.nl.
Inzake uw bericht van 27 augustus 2021, bericht ik u als volgt. Ik kan u daar inhoudelijk
niet op antwoorden. U kunt een Wob-verzoek indienen en ik heb begrepen dat dit verzoek
inmiddels is ontvangen. [De gemeente] zal daarop een besluit nemen.
Inzake uw bericht van 28 september 2021, bericht ik u als volgt. U hebt mij een
bericht doorgestuurd dat u op 24 september 2021 aan [de heer K] hebt verstuurd. Ik
maak daaruit op dat u informatie wenst inzake de door u twee gestelde vragen in die
desbetreffende e-mail.
U vraagt aan [de heer K] of het intrekken van een vergunning niet meer aan de orde
is omdat [de heer K] u per e-mail zou hebben laten weten één vergunning af te geven
en u de andere dan zou intrekken.
Antwoord: van [de heer K] heb ik begrepen dat daarover is gesproken maar gen e-mail
is verstuurd. Op de aanvraag zal worden beslist.
U vraagt aan [de heer K] hoe het kan dat een advocatenkantoor in Amsterdam zich
bemoeit met vragen over een niet bestaand recreatieterrein en daaronder stelt u de
daarmee samenhangende vraag waarom [de gemeente] onnodig veel geld overboord gooit
voor iets dan niet meer bestaat.
Antwoord: het college besteedt de beschikbare middelen en legt daarover verantwoording
af aan de raad. (…)”
2.8 Klager heeft op voorgaand bericht dezelfde dag per e-mail geregeerd met,
voor zover relevant:
“(…) Ik heb u gevraagd of u en/of uw kantoor ook gemandateerd is door B&W van [de
gemeente]. Ik heb daar geen antwoord van u op gekregen. Ik verwacht gewoon antwoord
van een gemeente ambtenaar van [de gemeente] en niet van u. Het is al de bloody shame
dat [de gemeente] mijn vragen aan de gemeente zomaar doorzet aan een derde .Dit lijkt
me juridisch gezien ten eerste niet de juiste weg en ten tweede in strijd met de wet.
ik verwacht gewoon van [de gemeente] zelf een antwoord op mijn vragen. U heeft niets
met zaken te maken die ik met [de gemeente] heb. (…)”
2.9 Op 5 november 2021 heeft klager een vraag aan de gemeente gesteld over een
formulier van een door hem gedaan WOB verzoek omdat deze niet leesbaar zou zijn en
heeft hij de gemeente verzocht of hij een leesbaardere versie kon ontvangen. Verweerder
heeft op 19 november 2021 op deze vraag gereageerd.
2.10 Klager heeft hierop (ook) op 19 november 2021 aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“(…) Wilt u mij niet meer benaderen per email
ik heb een vraag aan [de gemeente] gesteld en verwacht van hen een antwoord.
Ook u stuurt zelfs nog onleesbare bijlages retour, terwijl ik om leesbare papieren
heb gevraagd
Mij dus niets meer sturen anders blokkeer ik u
Ik heb namelijk geen enkel bewijs van u ontvangen op mijn vraag of u gemandateerd
bent door [de gemeente] en ook geen contract, cq een opdracht gezien
U kunt de zoveelste oplichter in het circuit wel zijn.U weigert met bewijzen te
komen. (…)”
2.11 Op 20 december 2021 heeft klager een e-mailbericht aan het (kantoor)e-mailadres
van verweerder geschreven waarin hij schrijft dat verweerder geen enkel recht heeft
om zich met de zaken betreffende het recreatiepark te bemoeien. Klager heeft in dit
mailbericht gerefereerd aan de offertebrief van verweerder aan de gemeente van 15
juni 2021, die volgens klager vol met onjuiste informatie zou staan over het recreatiepark.
Klager heeft zijn bericht van 20 december 2021 afgesloten met:
“Het zou u sieren als u toegeeft zich niet met private zaken te bemoeien tussen
340 private eigenaren en de gemeente ,Dat, [verweerder] is een zeer ongewenste inbreuk
op de privacy van 340 private personen. Tenzij de gemeente u inhuurt als advocaat
om een rechtszaak te begeleiden. Dan wens ik u veel succes, Met uw werk als ADVOCAAT.”
2.12 Op 20 mei 2022 heeft klager een e-mail aan verweerder op zijn advocatenmailadres
gestuurd met als bijlage de offerte van verweerder aan de gemeente van juni 2021 met
daarbij het commentaar van klager hierop.
2.13 Op 13 december 2023 heeft de gemeente aan klager geschreven, voor zover
relevant:
“(…) Wij hebben een contactpersoon aangesteld voor kwesties die spelen rondom recreatiepark
de Horn. [Verweerder] (…), is hiervoor het aanspreekpunt namens de gemeente. (…)”
2.14 Op 12 juli 2024 heeft klager een consultvraag aan de gemeente gesteld over
het wijzigingen van zijn perceelbestemming.
2.15 Op 23 juli 2024 heeft het College van Burgemeesters en Wethouders (hierna:
College van B&W) van de gemeente aan klager geschreven, voor zover relevant:
“(…) Al enige tijd geleden is een contactpersoon aangesteld voor kwesties die spelen
rondom recreatiepark Park de Horn. Dit is [verweerder] (…). In onze beantwoording
en besluiten aan u vermelden wij dat u (inhoudelijke) vragen kunt stellen aan [verweerder].
Dit is wellicht niet in al onze correspondentie gemeld, maar deze werkwijze is u bekend
en nog steeds van kracht. (…) Wij verzoeken u (nogmaals) dringend uw (inhoudelijke)
vragen naar aanleiding van onze beantwoording en besluiten, te stellen aan [verweerder].
Bij voorkeur worden deze schriftelijk gesteld via parkdehorn@avcadvocaten.nl onder
vermelding van uw naam en telefoonnummer.
Als u geen gebruik maakt van deze mogelijkheid en de medewerkers op een onprettige
en intimiderende wijze blijft benaderen, zijn wij voornemens een contactverbod af
te geven.
(…)”
2.16 Klager heeft daarna bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank)
een verzoek om voorlopige voorzieningen ingediend tegen het College van B&W.
2.17 Op 13 augustus 2024 heeft verweerder zich in deze procedure gesteld als
advocaat van de gemeente.
2.18 Op 23 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in het
geschil tussen klager en de gemeente. De rechtbank heeft geoordeeld dat klager geen
belanghebbende in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) is en dat
zijn verzoeken daarom kennelijk niet-ontvankelijk zijn. De verzoeken zijn daarom door
de voorzieningenrechter afgewezen.
2.19 In een e-mailbericht van 3 september 2024 heeft klager aan de gemeente geschreven,
voor zover relevant: “
Hierbij wil ik, ondergetekende [klager] (…), u wijzen op een zeer kwalijke praktijk
van [de gemeente].
Dit betreft het advocatenkantoor (…)uit Amsterdam, met als woordvoerder [verweerder].
In iedere brief of email van de gemeente ,UITSLUITEND AAN DE EIGENAREN AAN DE [recreatiepark],
wordt verwezen voor vragen ,kwesties, e.d. naar dit advocatenkantoor. Waarom is mij
onbekend.
Een advocaat en ook zijn gehele kantoor, mag echter niet voor meer dan één partij
werken. Wat is er nu aan de hand. Ik dien alle correspondentie te richten aan de [verweerder]
van bovengenoemd advocatenkantoor, ( niet ik alleen, maar alle 340 eigenaren aan de
straat [recreatiepark]) maar nu heeft de [verweerder] zich ook gesteld NAMENS de gemeente
in enkele bestuurszaken waarin ik de wederpartij ben. Ik dien dus volgens de gemeente
met alle vragen e.d. mij te vervoegen bij de advocaat die door de gemeente is ingehuurd
. [Verweerder] is advocaat en geen gemeenteambtenaar. En het is een advocaat verboden
om voor meer dan één partij te werken. Sterker nog, dit is strafbaar gesteld in de
WET.Te weten de advocatenwet.
Een advocaat dient iedere belangenverstrengeling uit de weg te gaan.Zodra zich dit
voordoet is een advocaat verplicht om zich terug te trekken en geen diensten meer
te verlenen. En hier is zeer duidelijk belangenverstrengeling aan de orde, en strafbaar
gesteld in de advocatenwet.
(…)”
2.20 In een brief van 13 september 2024 heeft de gemeente gereageerd op een adviesaanvraag
van klager. De gemeente schrijft in de brief, voor zover relevant:
“(…) Heeft u vragen?
Wij hebben een contactpersoon aangesteld voro kwesties die spelen rondom recreatiepark
Park de Horn. [Verweerder], (…) is hiervoor het aanspreekpunt namens de gemeente.
(…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder:
a) zich schuldig te maken aan belangenverstrengeling door op te treden als contactpersoon
voor klager en tegelijkertijd als advocaat van de wederpartij.
b) dat hij in zijn contacten met klager er geen zorg voor heeft dat er geen misverstand
bestaat over de hoedanigheid waarin hij optreedt namens de gemeente.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Klachtonderdelen a) en b)
5.1 De raad ziet gelet op de inhoud van de klachtonderdelen a) en b) aanleiding
om deze klachtonderdelen gezamenlijk te beoordelen. De raad dient daarbij uit te gaan
van de in artikel 10a van de Advocatenwet genoemde kernwaarden. Voor de beoordeling
of sprake is geweest van de door klager gestelde belangenverstrengeling (klachtonderdeel
a), biedt gedragsregel 15 een belangrijk gezichtspunt, waarbij het met name gaat om
toetsing aan de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid. Voor de beoordeling
van de vraag of verweerder er voldoende zorg voor heeft gedragen dat er geen misverstand
kon ontstaan over de hoedanigheid waarin hij optrad (klachtonderdeel b), is gedragsregel
9 lid 1 van belang.
5.2 Gedragsregel 15 geeft aan dat een advocaat in het algemeen niet tegelijkertijd
mag optreden voor meer dan één partij in een zaak wanneer deze partijen een tegengesteld
belang hebben. Tevens mag een advocaat in het algemeen niet optreden tegen een voormalige
cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Hij mag zich immers niet in de situatie begeven
waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken.
Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak,
zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot
ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat
vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in
gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet
dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een
advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid
4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie.
Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door
op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle
concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46
Advocatenwet.
5.3 De raad stelt voorop dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerder
op enig moment als advocaat van klager heeft opgetreden. Klager heeft hiervoor geen
feitelijke onderbouwing gegeven en verweerder heeft stellig betwist dat hij op enige
wijze bijstand aan klager heeft verleend. De raad is daarom van oordeel dat klager
niet als een voormalig cliënt van verweerder, zoals bedoeld in gedragsregel 15, kan
worden beschouwd.
5.4 De raad ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder in zijn
hoedanigheid van advocaat op enige andere wijze in een belangenconflict kan zijn geraakt.
Bij de beantwoording van die vraag betrekt de raad onder meer de in het feitenrelaas
genoemde correspondentie, zoals die van 26 oktober 2021 van verweerder aan klager,
als ook de e-mailberichten van 23 juli 2023, 13 december 2023 en van 13 september
2024 van de gemeente aan klager. Uit deze berichten blijkt dat klager duidelijk is
geïnformeerd over de hoedanigheid van verweerder in zijn rol als contactpersoon voor
de gemeente. Klager zette vraagtekens bij deze rol van verweerder en betwistte de
wijze van mandatering (zoals blijkt uit zijn berichten aan de gemeente en verweerder
van 27 augustus 2021, 26 oktober 2021, 19 november 2021, 20 december 2021, 20 mei
2022 en 3 september 2024), maar dat neemt niet weg dat voor hem geheel duidelijk was
dat verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat optrad als contactpersoon voor de
gemeente. Verweerder heeft daarover van zijn kant geen misverstand laten bestaan.
5.5 Het is de raad voorts niet gebleken dat verweerder bij de invulling van zijn
rol als contactpersoon verder zou zijn gegaan dan het zijn van (slechts) aanspreekpunt.
Niet gebleken is dat hij klager (of andere burgers met vragen) bijvoorbeeld ook zou
hebben voorzien van juridische adviezen, waardoor hij niet meer als procesadvocaat
voor de gemeente zou kunnen optreden in het geschil met klager. Voor zover verweerder
aldus enerzijds als contactpersoon voor de gemeente optrad en anderzijds als procesadvocaat
jegens klager, is de raad van oordeel dat verweerder over de invulling van deze beide
rollen helder heeft gecommuniceerd. Tevens ziet de raad geen reden waarom verweerder
als advocaat, naast het zijn van contactpersoon voor de gemeente, in dit geval niet
ook als procesadvocaat van de gemeente tegen klager had mogen optreden. Naar het oordeel
van de raad conflicteren deze twee hoedanigheden in dit geval niet met elkaar en is
van belangenverstrengeling geen sprake.
5.6 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat de klachtonderdelen a)
en b) ongegrond zijn.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. D. Horeman en L.C. Dufour, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025 .
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 maart 2025