ECLI:NL:TADRAMS:2025:209 Raad van Discipline Amsterdam 25-530/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:209 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-11-2025 |
| Datum publicatie: | 17-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-530/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de advocaat van de wederpartij is deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang voor klager. Naar het oordeel van de voorzitter kan niet worden vastgesteld of klager gemachtigd is om mede namens P de klacht in te dienen. Het overige klachtonderdeel is kennelijk ongegrond, nu niet is gebleken dat verweerster klager ten onrechte zou hebben beschuldigd van het vervalsen van een brief, noch dat zij op enige andere wijze de grenzen van de aan haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid zou hebben overschreden. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 10 november 2025
in de zaak 25-530/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 7 augustus 2025 met kenmerk 2372821/JS/AS, digitaal
door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde
bijlagen 1 tot en met 4. Tevens heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 28 augustus
2025 en op 29 september 2025 door klager nagezonden stukken en van de op 6 november
2025 door de deken nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 De heer P (hierna: P) is in meerdere procedures verwikkeld met zijn voormalig
werkgever (hierna: RFH). Klager treedt in deze procedures op als de gemachtigde van
P.
1.2 Verweerster treedt op als de gemachtigde van RFH.
1.3 Ter zitting van 21 augustus 2024 bij de kantonrechter van de rechtbank Den
Haag (hierna: de kantonrechter) is een verzoek van P tot het gelasten van een voorlopig
getuigenverhoor behandeld.
1.4 Bij beschikking van 3 oktober 2024 heeft de kantonrechter het verzoek tot
het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen. De kantonrechter heeft in
deze beschikking overwogen, voor zover relevant:
(5.1) “(…) De kantonrechter overweegt allereerst dat de door de gemachtigde van
[P] op 20 augustus 2024 (…) aan de griffie gestuurde stukken buiten beschouwing worden
gelaten. De gemachtigde van [RFH] heeft tegen deze stukken bezwaar gemaakt. Deze gemachtigde
heeft daarbij terecht naar voren gebracht dat onduidelijk is waarin de laatste reactie
(39 pagina’s) op het verweerschrift verschilt van de eerdere reactie (40 pagina’s)
en ook dat de stukken te laat en in strijd met het betreffende procesreglement zijn
ingediend.
(…). “
(5.5) “Door vast te houden aan de wens om voort te procederen en het onderhavige
verzoek in te dienen, maakt [P] misbruik van zijn recht een dergelijk verzoek in te
dienen. Hij heeft daarbij ook onvoldoende belang.
(…)”
1.5 Op 4 september 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
1.6 Op 10 juni 2025 is klager door de deken gevraagd om een machtiging, waaruit
blijkt dat klager bevoegd is de klachten mede in te dienen namens P.
1.7 Op 20 juni 2025 heeft de deken een herinnering aan klager gestuurd voor het
toesturen van deze machtiging.
1.8 Op 28 augustus 2025 heeft klager een brief aan de raad gestuurd. Dit betreft
een brief van 27 juni 2025, gericht aan de deken, die zich niet in het klachtdossier
bevond. Deze brief is voor akkoord door P ondertekend.
1.9 In een brief van 12 september 2025 heeft de raad de deken in de gelegenheid
gesteld om het onderzoek als bedoeld in artikel 46d Aw en de verslaglegging daarvan
op de gebruikelijke wijze af te ronden. De raad heeft de deken in de brief expliciet
verzocht om de brief van 27 juni 2025 nader te beoordelen en een antwoord te geven
op de vraag of de klacht (op grond daarvan) volgens de deken ook namens P is ingediend
en hierop zo nodig de klacht verder te onderzoeken.
1.10 Hierop heeft de deken klager vanaf 16 september 2025 meermaals in de gelegenheid
gesteld om (alsnog) een machtiging toe te sturen en een kopie van de identiteitskaarten
van hem en van P, dan wel het telefoonnummer van P aan de deken te verstrekken.
1.11 In een e-mailbericht van 30 oktober 2025 heeft de deken klager voor de laatste
maal in de gelegenheid gesteld om een machtiging in te dienen, waarbij aan klager
is medegedeeld dat als klager uiterlijk 5 november 2025 nog geen machtiging had gestuurd,
de deken aan de raad zou gaan berichten dat niet kon worden vastgesteld of klager
gemachtigd is om mede namens P de klacht in te dienen.
1.12 In een brief van 4 november 2025 heeft klager hierop gereageerd. Deze brief
is mede ondertekend door P.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster klachtwaardig te hebben gehandeld door:
a) namens haar cliënte te zeggen dat de stellingen van P onjuist zijn;
b) hem tijdens een zitting te hebben beschuldigd van het vervalsen van een brief
van 12 maart 2023;
c) zaken regelmatig anders voor te stellen dan het beeld dat ontstaat indien
alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen;
d) al in een zeer vroeg stadium te dreigen met een aansprakelijkstelling;
e) te dreigen met een aansprakelijkstelling gebaseerd op het schenden van geheimhoudingsverplichtingen;
f) te stellen dat P regelmatig volstrekt onhaalbare en zinloze procedures zou
starten, hetgeen de conclusie zou moeten dragen dat P zich schuldig zou maken aan
misbruik van recht;
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klachtonderdelen a), c), d), e) en f)
4.1 De voorzitter stelt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen voorop dat
alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat
direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een
klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang
is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Klager verwijt verweerster in de klachtonderdelen a) en f) dat hij in de
procedures ten onrechte heeft gezegd dat de stellingen van P onjuist zijn, als ook
dat P onhaalbare procedures voert, waarmee P misbruik van recht maakt. In klachtonderdeel
c) verwijt klager verweerster dat zij de zaken regelmatig anders en onjuist voorstelt.
In de klachtonderdelen d) en e) ziet het verwijt van klager erop dat verweerster ten
onrechte en al in een vroeg stadium heeft gedreigd met een aansprakelijkheidsstelling
van P.
4.3 De voorzitter stelt vast dat de voornoemde klachtonderdelen zien op het handelen
van verweerster als advocaat van RFH, in relatie tot de wederpartij P, waarvoor klager
als gemachtigde optreedt. Dat (ook) klager door het optreden van verweerster rechtstreeks
in zijn belangen is of kon worden geschaad, heeft klager naar het oordeel van de voorzitter
onvoldoende gemotiveerd gesteld. De enkele stelling van klager dat hij (ook) in zijn
belangen is getroffen door het handelen van verweerster, omdat P niet in staat is
om zelf in de procedures op te treden, is hiervoor in ieder geval onvoldoende en treft
geen doel.
4.4 Evenmin heeft klager zijn stelling dat de klacht mede namens P zou zijn ingediend
en dat de klacht daarom wel ontvankelijk is, nader onderbouwd. Hierin weegt de voorzitter
mee dat klager gedurende, als ook na afloop van het klachtonderzoek bij de deken,
meermaals door de deken in de gelegenheid is gesteld om een machtiging namens P te
verstrekken. Klager heeft niet voldaan aan het verzoek om een door P ondertekend machtingsformulier
aan te leveren - tezamen met een kopie van het identiteitsbewijs van P – zoals is
voorgeschreven in de Leidraad dekenaal onderzoek en zoals gepubliceerd op de website
van de Orde van Advocaten van Amsterdam. Evenmin heeft klager voldaan aan het verzoek
van de deken om de contactgegevens van P te verstrekken zodat de deken zelf contact
kon opnemen met P.
4.5 Het voorgaande leidt ertoe dat naar het oordeel van de voorzitter niet kan
worden vastgesteld of klager gemachtigd is om mede namens P de klacht in te dienen.
4.6 De voorzitter oordeelt daarom dat op basis van de overgelegde stukken niet
is gebleken van een rechtstreeks belang van klager bij de klachtonderdelen a), c),
d), e) en f). Deze klachtonderdelen zullen daarom met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.7 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.8 In klachtonderdeel b) verwijt klager verweerster dat zij hem ter zitting
heeft beschuldigd van het vervalsen van een brief van 12 maart 2023. Het betreft een
brief van verweerster aan de rechtbank, die door klager op 20 augustus 2024 als productie
18 is overgelegd. Volgens klager is de beschuldiging van verweerster dat klager deze
brief zou hebben vervalst, onterecht en daarmee klachtwaardig.
4.9 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster gemotiveerd aangevoerd
dat zij ter zitting slechts heeft opgemerkt dat de stukken te laat door klager waren
ingediend en dat het niet hetzelfde stuk kon zijn, omdat één document 39 pagina's
lang was en het andere document (met dezelfde naam) 40 pagina's omvatte. Deze gang
van zaken wordt onder 5.1 van de beschikking van de kantonrechter van 3 oktober 2024
ook zo bevestigd. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen gronden voor het
in klachtonderdeel b) gemaakte verwijt aan verweerster. Er is niet gebleken dat verweerster
klager ten onrechte zou hebben beschuldigd van het vervalsen van een brief, noch dat
zij op enige andere wijze de grenzen van de aan haar als advocaat van de wederpartij
toekomende vrijheid zou hebben overschreden.
4.10 Klachtonderdeel b) is gelet op het voorgaande kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klachtonderdelen a), c), d), e) en f) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel b) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 november 2025