ECLI:NL:TADRAMS:2025:207 Raad van Discipline Amsterdam 25-307/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:207 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-11-2025 |
| Datum publicatie: | 07-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-307/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 3 november 2025
in de zaak 25-307/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 16 juni 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 januari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/24-465/2383129
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 16 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk
ongegrond verklaard. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4 Op 15 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025.
Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 4 september 2025
door klager nagezonden stukken.
1.7 Ter zitting heeft de raad het verzoek van klager om de door hem bij e-mailbericht
van 24 september 2025 nagezonden stukken afgewezen nu deze stukken buiten de in artikel
2.4.2 van het Landelijk Procesreglement genoemde termijn zijn ingediend.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven en voor zover de raad
begrijpt, in dat klager zich niet met de beslissing van de voorzitter en de gronden
waarop deze berust, kan verenigen.
2.2 Klager noemt enkele in de voorzittersbeslissing opgenomen zinnen die volgens
hem onjuist, onvolledig en onbegrijpelijk zijn, zoals:
“Klager verwijst in zijn klacht en aanvullingen daarbij niet of nauwelijks naar
concrete passages in de bijlagen. Hierdoor is onvoldoende duidelijk wat [verweerder]
nu concreet wordt verweten en waarom dat tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn";
"Voor zover klager klaagt over gedragingen van [verweerder] van voor 22 januari
2022, zijn die klachtonderdelen bovendien verjaard";
Dat klager na het handelen van [verweerder] dakloos is geworden, maakt niet dat
[verweerder] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld";
Dat [verweerder] heeft verklaard dat hij geen huurrechtzaken doet, maakt niet dat
sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.”
2.3 Klager stelt dat hij uitvoerig en concreet heeft verwezen naar bewijsmateriaal,
data, documenten en gedragingen van verweerder. Klager is geen jurist en het is vaste
jurisprudentie dat van een niet-jurist slechts mag worden verwacht dat hij de kernfeiten
en verweten gedragingen voldoende duidelijk naar voren brengt. Bovendien zijn deze
verwijzingen essentieel voor het aantonen van de huidige klachten.
2.4 De voorzitter heeft in de beslissing nagelaten om te vermelden dat het merendeel
van de klachtonderdelen ziet op gedragingen in de periode na 2022. Daarbij zijn eerdere
gedragingen relevant als onderbouwing van een nog lopende opdracht, die pas is beëindigd
in oktober 2023. Van verjaring is geen sprake.
2.5 Tegen de (overige) vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager
in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen. Het verzet van klager slaagt daarom niet. Verder is de raad van oordeel dat
de voorzitter bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en rekening
heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Hij heeft
de klachten dus terecht en op juiste gronden deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk
ongegrond bevonden.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en I.J. de Laat, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025