ECLI:NL:TADRAMS:2025:202 Raad van Discipline Amsterdam 25-651/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:202 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-10-2025 |
| Datum publicatie: | 03-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-651/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak kennelijk ongegrond; verweerder hoeft als partijdig belangenbehartiger niet op alle berichten van de wederpartij te reageren als dat volgens hem en zijn cliënte niets meer bijdraagt aan het reeds gevoerde overleg. Voor het overige heeft klager zijn verwijten tegenover het gemotiveerde verweer van verweerder onvoldoende onderbouwd. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
27 oktober 2025
In de zaak 25-651/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 25 september 2025 met kenmerk 2391603/ER/FS, door
de raad ontvangen op 25 september 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
1 tot en met 4.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn in 2017 getrouwd in Egypte. Zij hebben twee
minderjarige kinderen. Partijen waren verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Daarnaast
liepen en lopen nog steeds meerdere gerechtelijke procedures over kwesties als de
zorg, omgang en teruggeleiding (naar Egypte) van de kinderen. Verweerder is de advocaat
van de ex-partner van klager.
1.2 Op 31 mei 2024 heeft klager bij de rechtbank Den Bosch een verzoek tot echtscheiding
ingediend. Bij tussenbeschikking van 8 oktober 2024 is de echtscheiding uitgesproken
en zijn de beslissingen ten aanzien van de overige nevenvoorzieningen aangehouden
tot 9 november 2024 met het verzoek aan partijen de rechtbank te informeren over de
stand van zaken met betrekking tot de nevenvoorzieningen gelet op de procedure die
op dat moment aanhangig was bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
1.3 Klager had eerder bij de rechtbank Midden-Nederland een procedure aanhangig
gemaakt over het hoofdverblijf en een zorgregeling ten aanzien van zijn dochter. Bij
beschikking van 28 april 2023 zijn - onder meer - het primaire verzoek om het hoofdverblijf
van de dochter bij klager te bepalen en het subsidiaire verzoek van klager om een
zorgregeling tussen hem en zijn dochter te bepalen, afgewezen. Bij beschikking van
het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is deze beschikking bekrachtigd ten aanzien van
de beslissing over de zorgregeling.
1.4 Op 9 juli 2024 en op 20 september 2024 hebben er zittingen plaatsgevonden.
Tijdens de zitting van 20 september 2024, waarbij de G.I. (gezinsvoogdij-instelling)
het aangehouden verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling had ingetrokken,
heeft verweerder het standpunt van zijn cliënte als volgt uiteengezet:
“Voor de vader (i.e. klager) is duidelijk dat de moeder wil dat de kinderen herenigd
worden. Pas dan wil de moeder ook om de tafel zitten voor een ouderschapsplan. Het
standpunt van vader wisselt per keer. (...) De vader kan er ook voor zorgen dat [de
dochter] naar Nederland komt en dan is moeder bereid om te praten. Het is aantoonbaar
dat de vader steeds zijn standpunt wijzigt (...).”
1.5 Op 30 september 2024 heeft de advocaat van klager verweerder het volgende
geschreven:
“Tijdens de afgelopen ots-zitting heeft u namens uw cliënte aangegeven dat zij mogelijkheden
ziet om in het kader van de echtscheidingsprocedure te komen tot een ouderschapsplan
waaronder begrepen een zorgregeling voor [de dochter]. Graag verneem ik in dat kader
welke zorgregeling uw cliënte in dat kader voor ogen heeft. Ik zal het voorstel vervolgens
met cliënt bespreken en daarop bij u terugkomen. Om te voorkomen dat dit te lang blijft
liggen, vraag ik u binnen een week na heden te reageren. Dat moet voldoende zijn aangezien
uw cliënte al ideeën leek te hebben over het e.a.a. tijdens de afgelopen zitting.”
1.6 Op 14 oktober 2024 en 22 oktober 2024 heeft de advocaat van klager verweerder
om een reactie verzocht.
1.7 Op 29 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.8 Op 22 januari 2025 heeft de advocaat van klager de rechtbank verzocht een
akte van non-appel te doen toekomen. Op 24 februari 2025 is de echtscheiding ingeschreven
bij de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Den Haag.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder weigert zich constructief op te stellen en negeert alle berichten
van de advocaat van klager.
b) verweerder heeft nagelaten om de rechtbank tijdig te informeren over de stand
van zaken en stukken in te dienen.
c) verweerder heeft klager na afloop van de zitting op 9 juli 2024 uitgescholden
en geïntimideerd.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
4.3 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder zich niet constructief op
te stellen en het negeren van alle berichten van zijn advocaat. De berichten gaan
onder meer over klagers verzoeken omtrent het contact met zijn dochter, het opstellen
van een omgangsregeling en het ondertekenen van de akte van berusting in verband met
de echtscheiding, zodat deze ingeschreven kan worden bij de gemeente.
4.4 Verweerder heeft aangevoerd dat hij op de zitting van 20 september 2024 het
standpunt van zijn cliënte al uitvoerig uiteengezet had (zie feiten onder rov. 1.4).
Na de zitting was klager direct vertrokken. Verweerder heeft vervolgens met de advocaat
van klager, in aanwezigheid van zijn cliënte, nogmaals duidelijk aangegeven dat de
bal bij klager ligt en dat zijdens de moeder uitdrukkelijk geen voorstel zou komen
totdat klager zijn toezeggingen gestand houdt. Het was en is de advocaat van klager
volgens verweerder overduidelijk wat het standpunt van de cliënte van verweerder is.
Om dan vervolgens onwetendheid te bepleiten over hetgeen tijdens de zitting alsmede
na afloop daarvan besproken is met de advocaat van klager acht verweerder niet juist.
4.5 De voorzitter overweegt als volgt. Verweerder heeft voldoende onderbouwd
toegelicht dat er - gelet op hetgeen ter zitting naar voren was gebracht en gelet
op zijn gesprek met de advocaat van klager na afloop van de zitting - in dit specifieke
geval geen aanleiding meer was om te reageren op de berichten van de advocaat van
klager. Verweerder hoeft als partijdig belangenbehartiger niet op alle berichten van
de wederpartij te reageren, als dat volgens hem en zijn cliënte niets meer bijdraagt
aan het reeds gevoerde overleg. Van klachtwaardig handelen is het de voorzitter onvoldoende
gebleken. De voorzitter heeft verder op grond van het klachtdossier en hetgeen door
partijen naar voren is gebracht niet kunnen vaststellen dat verweerder zich onvoldoende
constructief heeft opgesteld. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij heeft nagelaten
om de rechtbank tijdig te informeren over de stand van zaken en stukken in te dienen.
Op 8 oktober 2024 is de echtscheiding uitgesproken en klagers advocaat heeft verweerder
meerdere e-mails gestuurd met het verzoek om de akte van berusting te laten ondertekenen
door zijn cliënte en deze te retourneren. Op de e-mails zijn geen reactie gekomen.
Daardoor heeft klagers advocaat na 3 maanden op 22 januari 2025 de rechtbank verzocht
een akte van non-appel te doen toekomen zodat de echtscheiding ingeschreven kon worden,
hetgeen op 24 februari 2025 is gebeurd. Daarnaast zijn volgens klager diverse e-mails
om tot afspraken te komen over een ouderschapsplan genegeerd. Ook richting de rechtbank
heeft verweerder herhaaldelijk termijnen laten verlopen. Verweerder heeft bovendien
zijn verweer op 3 februari 2025 alleen digitaal ingediend. De papieren versie werd
vergeten. Verder is verweerder volgens klager tijdens de schorsing van de zitting
op 20 september 2024 in gesprek gegaan met medewerkers van de GI, waarna zij besloten
het OTS in te trekken. Dit proces was voor klager niet transparant, aangezien klager,
noch zijn advocaat hierin waren betrokken.
4.7 Verweerder voert aan dat de advocaat van klager in de echtscheidingsprocedure
bij de rechtbank Den Bosch pas op 11 november 2024 een zelfstandig nevenverzoek had
ingediend over de zorgregeling. Tot die tijd was er slechts een verzoek tot echtscheiding,
met het verzoek om overige beslissingen aan te houden. Verweerder heeft zijn schriftelijk
verweer tijdig - op 3 februari 2025 - digitaal ingediend, conform de instructies van
de rechtbank. Dat de papieren versie separaat is nagezonden, is administratief en
procedureel gangbaar, en heeft geen invloed gehad op de procespositie van klager.
De rechtbank heeft dit bovendien niet als tekortkoming bestempeld. Tevens is het verwijt
over de gang van zaken tijdens de zitting van 20 september 2024 volgens verweerder
onterecht. Klager insinueert aldus verweerder dat hij de medewerkers van de G.I. zou
hebben beïnvloed ten aanzien van het intrekken van het OTS-verzoek. Deze beschuldiging
mist volgens verweerder elke feitelijke basis.
4.8 De voorzitter overweegt dat van klachtwaardig handelen door verweerder niet
is gebleken. Het separaat nazenden van de papieren versie van het verweer is niet
klachtwaardig. Verder heeft klager zijn verwijten in dit klachtonderdeel tegenover
het gemotiveerde verweer van verweerder onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde
stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers
verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is ook klachtonderdeel b) kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.9 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij hem na afloop van
de zitting op 9 juli 2024 heeft uitgescholden en geïntimideerd. Volgens klager heeft
verweerder gezegd dat hij er persoonlijk voor ging zorgen dat klager zijn kinderen
heel lang niet zou zien en is hij uitgemaakt voor acteur en vuile leugenaar. Ook maakte
verweerder zijn politieke afkeer duidelijk ten aanzien van de president van Egypte.
Zijn advocaat en partner zijn hier getuigen van geweest. Verweerder ontkent dat hij
klager heeft uitgescholden of geïntimideerd. Dergelijke gedragingen zijn niet alleen
in strijd met zijn professionele integriteit, maar hebben zich volgens verweerder
eenvoudigweg niet voorgedaan.
4.10 De voorzitter overweegt dat klager ook dit klachtonderdeel tegenover het
gemotiveerde verweer van verweerder onvoldoende heeft onderbouwd en ook in de overgelegde
stukken geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers
verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, is ook klachtonderdeel c) om die
reden kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025