ECLI:NL:TADRAMS:2025:200 Raad van Discipline Amsterdam 25-524/A/A 25-525/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:200 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-10-2025 |
| Datum publicatie: | 03-11-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de dienstverlening door de eigen advocaten. De zaak is behartigd met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. De kosten die in rekening zijn gebracht kwalificeren, afgezet tegen de verrichte werkzaamheden, niet als excessief. Verweerder is wel klachtwaardig tekortgeschoten in zijn informatieplicht (gedragsregel 16). De raad mist een overzicht van de mogelijke juridische stappen, een advisering over de daarbij behorende kansen en risico’s en een inschatting van de daaraan verbonden kosten. De klacht hierover is gegrond. Aan verweerder is een waarschuwing met kostenveroordeling opgelegd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 27 oktober 2025
in de zaken 25-524/A/A en 25-525/A/A
naar aanleiding van de klachten van:
klaagster
over
verweerders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 september 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 18 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.3 Op 5 augustus 2025 heeft de raad de beide klachtdossiers met kenmerken 2384320/JS/FS
en 2463400/JS/FS van de deken ontvangen.
1.4 De klachten zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van de raad van 15
september 2025. Daarbij waren klaagster met haar gemachtigde en verweerders aanwezig.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.3 genoemde klachtdossiers en van
de op de inventarislijsten genoemde bijlagen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
Klacht over verweerster
2.2 Klaagster beschikt over een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19
oktober 2022 waarbij haar verzoek tot voornaamswijziging is toegewezen. Haar voormalig
advocaat (mr. M) heeft klaagster in deze procedure bijgestaan. Omdat de inschrijving
van de voornaamswijziging en communicatie hierover vervolgens uitbleef, heeft klaagster
zich in de zomer van 2023 gewend tot het kantoor van verweerders (hierna: het kantoor)
met het verzoek de behandeling van de zaak van mr. M over te nemen en voor inschrijving
van de voornaamswijziging bij de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) zorg te dragen.
2.3 Op 10 juli 2023 heeft klaagster een terugbelverzoek bij het kantoor achtergelaten.
De notitie van dit terugbelverzoek luidt:
“Ze belde m.b.t. een naamswijziging die ze wil aanvragen. Ze weet van het uurtarief.
Svp bellen.”
2.4 Mevrouw V, een juridisch medewerkster van het kantoor (hierna: de juridisch
medewerkster), heeft klaagster teruggebeld en de zaak van klaagster onder supervisie
van verweerder in behandeling genomen.
2.5 Op 12 juli 2023 heeft de juridisch medewerkster een opdrachtbevestiging aan
klaagster gestuurd. Deze luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Omschrijving zaak
U wenst uw voornaam te wijzigen van H(…) naar M(…). In het kader daarvan is er namens
u door een andere advocaat een procedure gestart. U gaf aan dat middels een beschikking
(…) uw naamswijziging is uitgesproken door de rechter. Nu heeft u van uw advocaat
begrepen dat uw voornaamswijziging niet kan worden ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand. Het lukt u echter niet meer om in contact te komen met uw huidige
advocaat, maar u wilt wel dat de inschrijving van uw voornaamswijziging zo spoedig
mogelijk word[t] geregeld. U zou graag willen dat [het kantoor van verweerders] de
zaak overneemt en u bijstaat in deze.
Om u zo goed mogelijke te kunnen adviseren ontvang ik graag van u de volgende stukken:
-de beschikking van de rechtbank waarin uw voornaamswijziging is uitgesproken;
-de relevante correspondentie tussen u en uw huidige advocaat;
-de eventuele brieven van de ambtenaar van de burgerlijke stand waaruit blijkt waarom
uw voornaamswijziging niet kan worden ingeschreven;
-de volledige naam en contactgegevens van uw huidige advocaat.
(…)
Honorarium
Over de honorering van de werkzaamheden hebben we het navolgende afgesproken: Uurtarief
van € 195,00 te vermeerderen met 21% B1W en 5% kantoorkosten. Facturering van het
honorarium zal maandelijks geschieden. Aan u zal een voorschot in rekening worden
gebracht van € 500,- ex btw en kantoorkosten.”
2.6 Op 15 augustus 2023 heeft klaagster een voorschot van € 625,- betaald.
2.7 Bij bestudering van het dossier bleek het de juridisch medewerkster dat de
gemeente bij brief van 14 februari 2023 aan klaagster had meegedeeld dat voor de inschrijving
naast de beschikking van de rechtbank, een volledig afschrift van haar geboorteakte
voorzien van vertaling en apostille en (indien van toepassing) een huwelijksakte van
haar ouders vereist was.
2.8 Op 19 oktober 2023 heeft de juridisch medewerkster aan de gemeente laten
weten dat klaagster inmiddels beschikt over de ontbrekende akten en aan de gemeente
gevraagd of met het nasturen van deze documenten de voornaamswijziging alsnog kon
worden afgehandeld. Omdat de gemeente niets van zich liet horen heeft de juridisch
medewerkster op 27 november 2023 gebeld met de gemeente. Een medewerkster van de gemeente
gaf aan dat de gemeente binnen vijf werkdagen alsnog zou reageren. Op 30 november
2023 heeft de juridisch medewerkster vervolgens aan klaagster laten weten dat zij
het kantoor zou verlaten en dat verweerster de behandeling van de zaak van haar zou
overnemen. Op dat moment was de juridisch medewerkster nog in afwachting van een antwoord
van de gemeente op haar vraag van 19 oktober 2023.
2.9 Op 12 december 2023 heeft klaagster verweerster om een update over haar zaak
gevraagd. Verweerster heeft klaagster op 13 december 2023 geantwoord dat zij klaagster
nog niets had laten weten omdat zij nog in afwachting was van een antwoord van de
gemeente. Verweerster heeft aan klaagster een concept-rappel aan de gemeente voorgelegd
met de vraag of klaagster akkoord ging met verzending van deze e-mail aan de gemeente.
2.10 Op 10 januari 2024 heeft klaagster gereageerd op de vraag van verweerster.
Zij schrijft in haar e-mail:
“Uw e-mail is mij helaas ontgaan. Excuus voor de late reactie, is er ondertussen
al iets vernomen van de gemeente? Zo niet, dan heeft u mijn toestemming om de bovenstaande
e-mail te verzenden naar de gemeente mocht dit nog nodig zijn. Ik hoor graag hoe het
staat met de zaak.”
2.11 Op 16 januari 2024 heeft de gemeente aan verweerster bericht dat er scans
van beide akten naar de gemeente konden worden gestuurd zodat de gemeente kon beoordelen
of de geboorteakte voor inschrijving in aanmerking kwam.
2.12 Op 26 januari 2024 heeft verweerster de e-mail van de gemeente aan klaagster
doorgestuurd. Daarbij heeft zij klaagster ook gewezen op een aantal openstaande facturen
en op het beleid van het kantoor om werkzaamheden die kunnen wachten stil te leggen
op het moment dat declaraties niet zijn betaald.
2.13 Op 2 februari 2024 heeft verweerster klaagster opnieuw aangeschreven:
“Ik wil u graag op onderstaande mail wijzen. Zolang deze documenten niet zijn opgestuurd
naar de gemeente is uw voornaamwijziging nog niet doorgevoerd bij de Burgerlijke Stand.
Zoals u kunt zien ben ik volgende week afwezig. Ik stel voor dat u de komende week
de openstaande facturen overmaakt en dat wanneer ik terug ben op kantoor ik hiermee
verder aan de slag kan gaan.”
2.14 Op 14 februari 2024 hebben klaagster en verweerster telefonisch contact
gehad over de openstaande facturen.
2.15 Bij e-mail van 23 februari 2024 heeft verweerster klaagster verzocht haar
terug te bellen, omdat zij klaagster niet kon bereiken. Op 7 maart 2024 had verweerster
nog steeds niets van klaagster vernomen en heeft verweerster klaagster per e-mail
laten weten dat zij haar tegemoet wilde komen met betrekking tot de openstaande facturen
en dat het haar tijd leek om de stukken naar de gemeente te sturen.
2.16 Op 7 maart 2024 hebben verweerster en klaagster telefonisch contact gehad.
Verweerster heeft dit gesprek per e-mail aan klaagster bevestigd:
“Zoals telefonisch besproken zal ik de boekhouder verzoeken de reeds openstaande
facturen te crediteren. Daarbij moet ik wel opmerken dat voor het afhandelen van de
inschrijving van uw voornaamswijziging u hier nog wel een factuur voor zult ontvangen.
U gaf aan dat u het bedrag dat u reeds heeft betaald aan de hoge kant vindt en om
u tegemoet te komen hebben we besproken dat dus de openstaande facturen niet door
u betaald hoeven te worden. (…)
Wat betreft de verdere stappen in uw zaak (…) stel ik voor om op de mail van de
gemeente d.d. 16 januari 2024 te reageren. Mevrouw (…) heeft aangegeven dat we op
voorhand een scan van de documenten kunnen opsturen omdat zij aan de hand van deze
documenten kan bezien of de geboorteakte en daarbij uw voornaamswijziging nu wel voor
inschrijving in aanmerking komt. Bijgevoegd treft u de scan aan de beëdigde vertaling
van de huwelijksakte van uw ouders en de beëdigde vertaling van uw geboorteakte. Ik
stel voor deze twee documenten naar de gemeente te versturen met de volgende mail:
(…) Ik verneem graag uw akkoord op de mail voor de gemeente.”
2.17 Op 13 maart 2024 heeft verweerster klaagster nogmaals verzocht om zo snel
mogelijk akkoord te geven om haar e-mail inclusief de in gescande stukken naar de
gemeente te sturen. Verweerster wijst klaagster er op dat zij op haar e-mails moet
reageren, zodat alles zo snel mogelijk geregeld kan worden.
2.18 Op 14 maart 2024 heeft klaagster haar akkoord gegeven en heeft verweerster
haar e-mail met bijlagen aan de gemeente gestuurd. Nadat de gemeente verweerster had
bericht dat de apostille ontbrak, heeft verweerster op 2 april 2024 alsnog de volledige
scans van beide akten naar de gemeente gestuurd. Daarna heeft verweerster de gemeente
op 19 april 2024 gerappelleerd.
2.19 Op 22 april 2024 heeft verweerster een reactie van de gemeente ontvangen.
De toegezonden documenten kwamen voor inschrijving in aanmerking. Klaagster kon zelfstandig
een verzoek doen via de website van de gemeente. Verweerster heeft de e-mail van de
gemeente met instructies diezelfde dag aan klaagster doorgestuurd. Zij schrijft aan
klaagster:
“U kunt het beste direct een verzoek tot inschrijven bij de gemeente Den Haag doen,
aangezien hier een lange wachttijd voor is. Hiertoe dient u de geboorteakte en de
huwelijksakte van uw ouders alsmede de beschikking voornaamswijziging van de rechtbank
in te dienen bij de gemeente. De gemeente Den Haag gaat hiermee aan de slag.
In de tussentijd is het van belang dat u de geboorteakte laat registeren in het
BRP van de gemeente Amsterdam. [De contactpersoon bij de gemeente] gaf mij aan dat
dit in deze gemeente moet omdat u hier staat ingeschreven. Echter, zijn dit twee losse
trajecten.
Stap 1 lijkt dus het verzoek om inschrijving van de geboorteakte bij de gemeente
Den Haag te doen via de link in onderstaande mail.
Stap 2 lijkt om de gemeente Amsterdam te benaderen om de geboorteakte te laten registeren
in de BRP van uw woongemeente. Dit lijkt te moeten op de wijze zoals is aangegeven
op de website van de gemeente Amsterdam (…).”
2.20 Op 1 mei 2024 heeft verweerster klaagster nogmaals haar e-mail met instructies
van 22 april 2024 met de benodigde scans toegezonden en uitgelegd dat zij deze moest
uploaden in het portaal van de gemeente. De e-mail luidt als volgt:
“Onderstaande mail heb ik op 22 april 2024 naar u toegestuurd. Hierin treft u ook
de stappen die u moet nemen om zowel de buitenlandse akten te laten inschrijven bij
de gemeente (…) als mede de stappen die u dient te nemen met betrekking tot de BRP
bij de gemeente Amsterdam. Bijgevoegd treft u ook nogmaals de scans van de akten zodat
u deze gemakkelijk kunt uploaden in de portaal van de gemeente.”
2.21 Klaagster heeft een afspraak gemaakt met de gemeente om de akten persoonlijk
te overhandigen. De gemeente weigerde echter de documenten in ontvangst te nemen,
aangezien deze online via het gemeenteportaal moesten worden ingediend.
2.22 Op 1 mei 2024 heeft klaagster verweerster hiervan op de hoogte gebracht
en haar gevraagd welke stappen zij moest volgen voor de onlineregistratie. Verweerster
heeft klaagster geantwoord niet bekend te zijn met de details en de e-mail van de
gemeente met instructies nogmaals aan klaagster doorgestuurd. Verder heeft verweerster
klaagster meegedeeld dat wanneer haar hulp alsnog nodig was, zij wel haar uurtarief
in rekening moest brengen en dat klaagster daarom wellicht beter geholpen was met
de hulp van een maatschappelijk werkster.
2.23 Diezelfde dag, op 1 mei 2024, heeft klaagster een factuur ontvangen voor
de werkzaamheden van verweerster in april 2024.
2.24 Op 6 mei 2024 heeft klaagster bij het kantoor van verweerders een klacht
ingediend over verweerster. Verweerster heeft bij e-mail van 19 mei 2024 inhoudelijk
gereageerd op deze klacht.
2.25 Op 29 mei 2024 hebben klaagster en verweerster telefonisch contact gehad,
waarna verweerster de inhoud van dit gesprek per e-mail heeft bevestigd:
“Zojuist hebben wij elkaar telefonisch gesproken over uw brief d.d. 6 mei en mijn
reactie hierop. U gaf aan dat u enigszins het gevoel heeft dat u van het kastje naar
de muur wordt gestuurd omdat de gemeente aangeeft uw stukken niet te kunnen aannemen,
maar u wel alles in uw bezit heeft om uw geboorteakte te laten inschrijven zodat uw
voornaamswijziging kan worden doorgevoerd.
U gaf aan dat de gemeente heeft gezegd dat alleen een advocaat een voornaamswijziging
kan verzoeken. Het klopt dat u een advocaat nodig had om een voornaamswijziging bij
de rechtbank te verzoeken. Normaliter verstuurt de rechtbank vervolgens de beschikking
met de voornaamswijziging naar de gemeente en stuurt de gemeente uiteindelijk een
bevestiging van de inschrijving van de voornaamswijziging naar de advocaat. Bij u
verliep dit bij uw vorige advocaat helaas anders omdat uw Marokkaanse geboorteakte
niet leek ingeschreven bij de gemeente (…).
De gemeente (…) heeft na correspondentie met mijn kantoor aangegeven dat u in bezit
lijkt te zijn van de juiste documenten om uw Marokkaanse geboorteakte te doen inschrijven
bij de gemeente. Daarbij gaf de (…) de gemeente mij aan dat u ook direct de beschikking
van uw voornaamswijziging kunt toevoegen zodat ook dit kan worden doorgevoerd. Hiertoe
stuurde (…) de gemeente een link naar mij, welke ik naar u heb doorgestuurd. In deze
mail van de gemeente geeft zij ook aan dat u zelfstandig een verzoek kan doen (…)
via de website van de gemeente Den Haag. Zoals aangegeven kan ik dit dus niet voor
u doen. (…) dit kan alleen door u persoonlijk via uw eigen DigiD. (…)
U gaf aan dat u met een maatschappelijk werker gaat kijken of u er nu wel uit gaat
komen. Mocht dit niet het geval zijn dan hebben wij afgesproken dat ik nogmaals contact
ga zoeken met (de gemeente) om aan te geven dat het niet lukt om de inschrijving te
bewerkstelligen en te vragen naar een concreet en duidelijk stappenplan hoe dan wel.
Na dit gesprek gaf u aan blij te zijn dat ik u had gebeld en dat u zich gehoord
voelde. U kon zich vinden in bovengenoemde gang van zaken en u gaf aan contact met
mij te zoeken op het moment dat u er ook met de maatschappelijk werker niet uit zou
komen.”
2.26 Verweerster heeft op 6 juni 2024, 8 juli 2024 en op 30 juli 2024 nog gevraagd
naar de stand van zaken omtrent de aanvraag. Op 13 augustus 2024 heeft de afdeling
debiteurenbeheer van het kantoor klaagster aangeschreven over de nog openstaande factuur.
2.27 Op 15 augustus 2024 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat zij
het dossier naar de gemeente had opgestuurd en dat zij hoopte op een snelle reactie
van de gemeente.
2.28 Eind augustus 2024 heeft de afdeling debiteurenbeheer van het kantoor met
klaagster gebeld over de openstaande factuur. Klaagster heeft toen geantwoord dat
verweerster had gezegd dat zij de facturen niet meer hoefde te betalen. Hierop heeft
verweerster klaagster op 21 augustus 2024 als volgt bericht:
“Van onze debiteurenbeheer begreep ik dat ze u telefonisch hadden gesproken vanwege
de openstaande factuur ad € 312,54. U heeft hen aangegeven dat ik u zou hebben gezegd
dat het u deze niet hoefde te betalen.
Mijns inziens is dit niet op deze manier besproken en heb ik simpelweg aan u uitgelegd
waar de factuur vandaan kwam. Ook heb ik u aangegeven dat ik juridisch weinig meer
voor u kon doen in uw zaak, aangezien de inschrijving van uw voornaamswijziging slechts
nog via een portaal bij de gemeente moet worden aangevraagd. Ik heb u hierover na
de laatste factuur van 1 mei 2024 regelmatig gebeld om te vragen wat de stand van
zaken is en of ik u hiermee nog kon helpen. In ons contact van de laatste maanden
gaf u aan tevreden te zijn omdat u het gevoel had dat ik met u meedacht en in de gaten
hield wat de stand van zaken was in uw dossier. Deze telefoontjes en mailtjes van
de laatste 9 maanden heb ik allemaal niet gedeclareerd omdat u aangaf dat u al veel
heeft betaal[d] en ik u hierin tegemoet wilde komen.
In uw laatste mail van 15 augustus gaf u aan dat u alleen nog op een bevestiging
van de gemeente wacht dat uw geboorteakte en de voornaamswijziging zijn ingeschreven.
Uit deze mail maak ik op dat u dit alles eerder met de maatschappelijk werker heeft
opgepakt en dat u mijn werkzaamheden niet langer nodig heeft. De originele akten heeft
u reeds op 29 april 2024 opgehaald.
Hoewel ik dus mijns inziens niet met u heb afgesproken dat u de factuur niet hoeft
te betalen, ben ik bereid om de factuur af te boeken. Dit is wel op voorwaarde dat
we het hierbij laten en beide partijen het boek sluiten. Ik verneem hierop graag uw
bevestiging, waarop ik de factuur zal afboeken en het dossier zal sluiten.”
2.29 Op 10 september 2024 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend
bij de deken.
Klacht over verweerder
2.30 Op 18 februari 2025 heeft klaagster ook over verweerder een klacht bij de
deken ingediend. De klacht over verweerder betreft de werkzaamheden van de juridisch
medewerkster. Aangezien zij geen advocaat is, is de klacht gericht tegen verweerder
onder wiens supervisie de juridisch medewerkster haar werkzaamheden heeft uitgevoerd.
Zij is inmiddels niet meer in dienst bij het kantoor. Verwijzingen naar de juridisch
medewerkster dienen voor de inhoudelijke beoordeling van onderhavige klacht dan ook
te worden gelezen als een verwijzing naar verweerder.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
3.2 Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster heeft de belangen van klaagster onvoldoende behartigd;
b) de inspanningen van verweerster staan niet in verhouding tot de door haar
gestuurde declaraties.
3.3 Klaagster verwijt verweerder het volgende:
a) de kwaliteit van de dienstverlening ter zake van de voornaamswijziging voldeed
niet aan de professionele standaard.
b) de juridisch medewerkster heeft klaagster (onder supervisie van verweerder)
onjuist en onvoldoende geïnformeerd over de kosten en over de wijze waarop de declaraties
tot stand zijn gekomen.
c) de inspanningen van de juridisch medewerkster (onder supervisie van verweerder)
staan niet in verhouding tot de door de juridisch medewerkster gestuurde declaraties.
4 VERWEER
4.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze klachten gaan over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerders.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans
van een aanhangig te maken procedure en de daarmee gepaard gaande kosten en de cliënt
daarover te informeren. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat
in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is.
Ontvankelijkheid klacht verweerder
5.3 Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat klaagster, anders dan zij stelt,
niet eerst bij zijn kantoor (maar direct bij de deken) een klacht over hem heeft ingediend.
Daarmee heeft klaagster hem de mogelijkheid ontnomen om met klaagster tot een vergelijk
te komen. Dit moet volgens verweerder tot gevolg hebben dat de klacht over hem niet-ontvankelijk
is.
5.4 De raad volgt verweerder niet in zijn betoog. Er is geen wettelijke verplichting
om eerst een klacht bij het kantoor in te dienen. Klaagster mocht dus rechtstreeks
een klacht bij de deken indienen en de klacht is dan ook ontvankelijk.
Klachtonderdelen a) over verweerster en verweerder – kwaliteit dienstverlening
5.5 De raad ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk te beoordelen.
Op grond van de gedingstukken heeft de raad onvoldoende kunnen vaststellen dat de
juridisch medewerkster (onder leiding van verweerder) en verweerster de belangen van
klaagster onvoldoende hebben behartigd of dat de kwaliteit van hun dienstverlening
ondermaats is geweest. Klaagster beschikte weliswaar op het moment dat zij in juli
2023 het kantoor van verweerders ingeschakelde al over de noodzakelijke beschikking
van de rechtbank tot voornaamwijziging, maar verweerders hebben onderbouwd toegelicht
dat de inschrijving bij de gemeente alsnog de nodige werkzaamheden meebracht. Er moesten
nog zaken worden uitgezocht en bij de beschikking van de rechtbank ontbrak een volledig
afschrift van de buitenlandse geboorteakte van klaagster voorzien van vertaling en
apostille en een huwelijksakte van haar ouders. Daarbij heeft de raad niet met voldoende
zekerheid kunnen vaststellen dat het bij verweerders (of de juridisch medewerkster)
aan voldoende kennis en ervaring ontbrak om de zaak van klaagster correct te behandelen.
5.6 De raad heeft verder onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier
voor het verwijt dat klaagster maanden heeft moeten wachten zonder dat er door verweerders
voortgang werd geboekt in haar zaak. Uit de weergegeven feiten blijkt dat verweerders
zowel de gemeente als klaagster herhaaldelijk om een reactie hebben moeten verzoeken.
Zo heeft de juridisch medewerkster de gemeente op 19 oktober 2023 laten weten dat
klaagster inmiddels beschikte over de ontbrekende documenten en gevraagd of met het
nasturen van deze documenten de voornaamswijziging alsnog kon worden afgehandeld.
Omdat de gemeente niets van zich liet horen, heeft de juridisch medewerkster op 27
november 2023 gebeld met de gemeente. De gemeente zou binnen vijf werkdagen alsnog
reageren, aldus een medewerker van de gemeente. Dat is niet gebeurd. Nadat de juridisch
medewerkster eind november 2023 het kantoor had verlaten, heeft verweerster de behandeling
van het dossier overgenomen. Op 13 december 2023 heeft verweerster klaagster laten
weten nog steeds niets van de gemeente te hebben gehoord. Op het voorstel van verweerster
aan klaagster van 12 december 2023 om een rappél-e-mail aan de gemeente te sturen,
heeft klaagster op haar beurt pas 10 januari 2024 gereageerd. Daarna volgde uiteindelijk
op 16 januari 2024 een reactie van de gemeente op de e-mail van de juridisch medewerkster
van 19 oktober 2023. Nadat verweerster deze reactie op 26 januari 2024 aan klaagster
had doorgestuurd, heeft verweerster klaagster wederom meerdere malen moeten rappelleren
voordat zij op 14 maart 2024 akkoord gaf om de ingescande stukken aan de gemeente
te sturen. Nadien heeft verweerster de gemeente eerst weer op 19 april 2024 gerappelleerd,
voordat op 22 april 2024 het antwoord van de gemeente volgde dat klaagster zelfstandig
een verzoek tot inschrijving kon doen op de website van de gemeente. De raad leidt
uit deze feiten en omstandigheden af dat de vertraging in de behandeling van de zaak
werd veroorzaakt door de gemeente en door klaagster, maar niet aan verweerders valt
toe te rekenen.
5.7 Ook het verwijt van klaagster dat zij voor niets naar de gemeente is gegaan
omdat zij hiertoe door verweerster zou zijn geïnstrueerd, treft geen doel. Uit de
e-mail van verweerster van 22 april 2024 blijkt duidelijk dat verweerster klaagster
heeft geïnformeerd dat zij de stukken digitaal moest indienen (zie rov. 2.19).
5.8 De raad komt op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden tot de slotsom
dat de belangen van klaagster zijn behartigd met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk
advocaat mag worden verwacht. Het klachtonderdeel a) is daarmee ongegrond.
Klachtonderdelen b) over verweerster en klachtonderdeel c) over verweerder - declaraties
5.9 In deze klachtonderdelen verwijt klaagster verweerders dat hun werkzaamheden
niet in verhouding stonden tot de declaraties. Bovendien had haar zaak tegen een vast
bedrag (een ‘fixed fee’) behandeld moeten worden.
5.10 De raad overweegt dat de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om declaratiegeschillen
te beslechten, maar slechts waakt tegen excessief declareren. Of een declaratie als
excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval.
De raad overweegt in dat verband als volgt.
5.11 Dat het kantoor van verweerders (tot voor kort) pakketten aanbood ten behoeve
van een voornaamswijziging op basis van een ‘fixed fee’ betekent niet dat ook de zaak
van klaagster tegen een dergelijk vast bedrag behandeld moest worden. Verweerders
hebben toereikend toegelicht dat de ‘fixed fee’ niet op de zaak van klaagster van
toepassing was. Met klaagster is daarom een opdracht op basis van een uurtarief tot
stand gekomen. Met de opdrachtbevestiging is klaagster geïnformeerd over het uurtarief
en over het feit dat er maandelijkse nota’s werden verstuurd, voorzien van urenspecificaties,
hetgeen blijkens de gedingstukken ook is gebeurd. Klaagster is derhalve gedurende
de behandeling van het dossier op de hoogte gehouden van de kosten van de behandeling
van het dossier. Er is aan klaagster in totaal een bedrag van € 2.647,11 inclusief
BTW gedeclareerd voor ongeveer veertien uur aan werkzaamheden. Omdat een deel van
de declaraties is gecrediteerd en klaagster een deel niet heeft betaald, heeft klaagster
€ 2.037,25 inclusief BTW betaald. Van dit betaalde bedrag heeft een bedrag van € 1.808,56
inclusief BTW betrekking op de werkzaamheden van de juridisch medewerkster en verweerder
en een bedrag van € 228,69 inclusief BTW op werkzaamheden van verweerster.
5.12 Verweerster heeft voor haar werkzaamheden die zij van december 2023 tot
en met augustus 2024 voor klaagster heeft verricht dus slechts € 228,69 bij klaagster
in rekening gebracht. Dit bedrag kwalificeert, afgezet tegen de verrichte werkzaamheden,
niet als excessief. Klachtonderdeel b) over verweerster is dan ook ongegrond.
5.13 Hoewel de raad vraagtekens plaatst bij het in rekening brengen van kosten
voor het versturen van een opdrachtbevestiging, kunnen ook de door de juridisch medewerkster
(en verweerder) gedeclareerde uren niet als excessief worden aangemerkt. Naar het
oordeel van de raad is het gedeclareerde bedrag weliswaar hoog, ook omdat het werk
niet heeft geleid tot een concreet resultaat (de inschrijving van de voornaamwijziging
bij de gemeente), maar blijkt uit de overgelegde urenspecificaties voldoende dat de
in rekening gebrachte uren zijn gebaseerd op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.
Bovendien zijn de declaraties gematigd wat bijdraagt aan de aanvaardbaarheid ervan.
Klachtonderdeel c) over verweerder is dan ook eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel b) over verweerder - informatie over de kosten
5.14 Klaagster stelt dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van haar
zaak. De juridisch medewerkster had klaagster bovendien moeten informeren dat zij
de handelingen zelf had kunnen doen, zonder hulp van een advocaat.
5.15 De raad overweegt het volgende. Ingevolge gedragsregel 16 dient een advocaat
ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil belangrijke informatie en afspraken
schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. De raad mist in de in de opdrachtbevestiging
of een andere e-mail aan klaagster een overzicht van de mogelijke juridische stappen,
een advisering over de daarbij behorende kansen en risico’s en een inschatting van
de daaraan verbonden kosten. Dit was temeer van belang, aangezien verweerders ter
zitting hebben betoogd dat in dit soort zaken de aanvraag om naamswijziging bij de
rechtbank vaak redelijk snel gaat, maar de inschrijving bij de gemeente dikwijls veel
langer duurt en de werkzaamheden bovendien ook zonder bijstand van een advocaat verricht
hadden kunnen worden. Door het ontbreken van deze schriftelijke voorlichting zijn
bij klaagster onjuiste verwachtingen ontstaan over de slagingskansen en (financiële)
gevolgen van de werkzaamheden tot inschrijving van de voornaamswijziging. De raad
is van oordeel dat verweerder hiermee klachtwaardig is tekortgeschoten in zijn informatieplicht,
zoals bedoeld in gedragsregel 16. Klachtonderdeel b) over verweerder is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Klachtonderdeel b) over verweerder is gegrond. Verweerder is klachtwaardig
tekortgeschoten in zijn informatieplicht, zoals bedoeld in gedragsregel 16. Gelet
op het feit dat verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft
gekregen, kan worden volstaan met de oplegging van de maatregel van waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht over verweerder gedeeltelijk gegrond verklaart, moet
verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde
griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing
onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze
beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel aan verweerder oplegt, zal de raad verweerder daarnaast
op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
In de klacht over verweerster met kenmerk 25-524/A/A
- verklaart de klacht ongegrond;
In de klacht over verweerder met kenmerk 25-525/A/A
- verklaart klachtonderdelen a) en c) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.3.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025