ECLI:NL:TADRAMS:2025:199 Raad van Discipline Amsterdam 25-233/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:199 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-10-2025 |
| Datum publicatie: | 03-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-233/A/NH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 27 oktober 2025
in de zaak 25-233/A/NH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 26 mei 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 8 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/24-465/2383129
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 26 mei 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de
raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing
is op 26 mei 2025 verzonden aan partijen.
1.4 Op 24 juni 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 24 juni 2025 ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 15 september 2025.
Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van de voorzitter. Allereerst
is hierin de feitenvaststelling onjuist en onvolledig; zowel het vonnis van 14 augustus
2020 van de politierechter als het arrest van gerechtshof Amsterdam van 25 oktober
2022 zijn tussenuitspraken. De voorzitter heeft verder alleen de feiten opgenomen
die van toepassing zijn op het bevel tot ten uitvoerlegging van de vervangende hechtenis
d.d. 19 januari 2023 vanwege het niet naleven van vrijheidsbeperkende maatregelen
(opgelegd bij tussenarrest gerechtshof Amsterdam d.d. 25 oktober 2022). De stukken
in deze zaak zijn bij klaagster bekend. Verweerster heeft in die zaak geen werkzaamheden
verricht. De voorzitter heeft verzuimd te vermelden dat er ook sprake was van een
ander bevel van de rechter-commissaris (rc) van dezelfde datum (te weten ook 19 januari
2023). In dat bevel is de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet tenuitvoergelegde
vrijheidsstraf bevolen. Dat bevel heeft betrekking op de voorwaardelijke straf van
twee maanden (eveneens) opgelegd bij tussenarrest van het gerechtshof Amsterdam van
25 oktober 2022. Deze stukken zijn klaagster niet bekend. Verweerster heeft in deze
zaak geen informatie verstrekt aan klaagster. Uit rov. 4.12 en 4.13 van de voorzittersbeslissing
maakt klaagster op dat er (kennelijk na de invrijheidstelling) door de Officier van
Justitie een (omgezette) vordering gevangenneming is ingediend. Deze informatie was
bij klaagster niet bekend. Om deze redenen verzoekt klaagster de klachtonderdelen
in verzet opnieuw te beoordelen.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad overweegt dat niet alle door partijen naar voren gebrachte feiten
volledig behoeven te worden vastgesteld. Het gaat om een zakelijke weergave van de
voor de beslissing meest relevante feiten. Die heeft de voorzitter vastgesteld. Klaagster
heeft gesteld dat niet alle feiten juist of volledig zijn weergegeven. Ook als echter
al hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht in haar verzetschrift en op zitting
wordt betrokken, kan dit niet leiden tot gegrondverklaring van het verzet.
4.3 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 oktober 2025