ECLI:NL:TADRAMS:2025:196 Raad van Discipline Amsterdam 25-486/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:196 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 24-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-486/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft namens haar cliënt (de ex-partner van klaagster) in een familierechtelijk processtuk geschreven dat voor zover haar cliënt weet, er sprake is geweest van ongewenst seksueel gedrag door de vader van klaagster. Niet is gebleken dat verweerster hiermee informatie heeft verstrekt waarvan zij de onwaarheid kende of kon kennen. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond. Klachtonderdeel b) richt zich niet op de (on)waarheid van de informatie die verweerster namens haar cliënt heeft gegeven, maar – kort gezegd – op de toelaatbaarheid daarvan. De raad oordeelt dat dit klachtonderdeel wel gegrond is en dat verweerster met hetgeen zij heeft geschreven in het verweerschrift de grenzen heeft overschreden van de haar toekomende vrijheid om de belangen van haar cliënt te behartigen. Verweerster had kunnen volstaan met een algemene toelichting op de problemen die speelden binnen het gezin, zonder expliciet de link te leggen met vermeend ongewenst seksueel gedrag van de vader van klaagster. Verweerster had zich moeten realiseren dat deze informatie – die alleen vanuit haar cliënt tot haar is gekomen, zonder dat daarbij aanvullend of ondersteunend bewijsmateriaal beschikbaar was – ook (deels) onwaar zou kunnen zijn. Oplegging van een waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 oktober 2025
in de zaak 25-486/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 22 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-053/2450064
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 5 september 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerster aanwezig. Verder waren als toehoorders aanwezig de
zus van klaagster en een kantoorgenoot van verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen A1 tot en met A7 en B8 tot en met B11.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is met haar voormalige echtgenoot (verder: de man) verwikkeld in
een echtscheidingsprocedure, waarbij verweerster optreedt als advocaat van de man.
2.3 Uit het huwelijk zijn drie kinderen voortgekomen, die in het jaar 2024 elf,
negen en twee jaar oud waren.
2.4 Op 6 november 2024 is namens klaagster een verzoekschrift ingediend waarin
zij de rechtbank vraagt haar toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen
naar Leidschendam of Voorburg, omdat al haar familieleden waaronder haar ouders in
Leidschendam woonachtig zijn. Klaagster heeft in deze procedure gesteld dat zij door
de door haar voorgenomen verhuizing voldoende vangnet zal hebben waarop zij een beroep
kan doen, in de eerste plaats door de opa en oma van de kinderen.
2.5 Verweerster heeft namens de man verweer gevoerd tegen het verzoek van klaagster.
Daarbij heeft verweerster namens de man onder meer het volgende in het verweerschrift
opgenomen:
“De man betwist bovendien ten stelligste dat het in het belang van de kinderen zou
zijn om in de directe omgeving van de vrouw op te groeien. (...) Voor zover de man
weet is er ook sprake geweest van ongewenst seksueel gedrag door de vader van de vrouw.
Uiteindelijk hebben een familielid en de school een melding gedaan die ertoe geleid
heeft dat het destijds nog minderjarige zusje van de vrouw voor een periode van drie
jaar uit huis is geplaatst; voor haar eigen veiligheid op een voor de ouders van de
vrouw geheim adres.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
a) dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt over de vader van klaagster,
b) dat zij de reputatie van klaagster in gevaar heeft gebracht, door haar in
verband te brengen met ernstige en ongefundeerde beschuldigingen.
3.2 Aan de klachten legt klaagster ten grondslag dat verweerster in het verweerschrift
zaken heeft beschreven betreffende haar vader en haar zus en hen daarmee ten onrechte
heeft betrokken bij de echtscheidingsprocedure. Bovendien heeft verweerster in het
betreffende stuk gesteld dat de vader van klaagster ongewenste seksuele handelingen
heeft verricht bij de zus van klaagster. Dat is volledig onjuist en ongegrond. Klaagster
heeft door deze mededeling veel stress en spanning ervaren en vindt het onprofessioneel
dat verweerster zich op deze manier heeft uitgelaten over de familie van klaagster.
Klaagster vindt dat een advocaat behoort te handelen op basis van feiten en bewijs,
zeker bij zulke ernstige beschuldigingen.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster wijst op haar
plicht om partijdig te zijn. Verweerster geeft aan dat zij bij de keuze van haar bewoordingen
voldoende heeft laten zien dat de man geen 100% zekerheid heeft, maar wel geruchten
gehoord heeft welke hij serieus neemt en waarvan hij het belangrijk vond om deze aan
de rechter voor te leggen. Volgens verweerster zijn geen feiten geponeerd. Los van
de relevantie van het opnemen van de zorg van haar cliënt, gaat het hier ook om een
stelling over de vader van klaagster en niet over klaagster zelf. Klaagster heeft
er zelf voor gekozen het processtuk te delen met haar familieleden. Verweerster stelt
zich op het standpunt dat zij de belangen van haar cliënt op de juiste wijze heeft
behartigd en heeft gehandeld zoals een partijdig en behoorlijk advocaat betaamt.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
5.3 In klachtonderdeel a) verwijt klaagster verweerster dat zij onjuiste informatie
heeft verstrekt over de vader van klaagster. Het gaat dan om de passage die verweerster
in het verweerschrift namens haar cliënt heeft opgenomen, zoals hiervoor weergegeven
onder rechtsoverweging 2.5.
5.4 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Dat verweerster informatie heeft verstrekt,
waarvan zij de onwaarheid kende of kon kennen, is niet gebleken. Weliswaar is klaagster
van mening dat de informatie onwaar is, maar de cliënt van verweerster is een ander
mening toegedaan. In dat licht is niet gebleken dat verweerster een evident onjuist
standpunt heeft ingenomen namens haar cliënt.
Klachtonderdeel b)
5.5 Klachtonderdeel b) richt zich niet op de (on)waarheid van de informatie die
verweerster namens haar cliënt heeft gegeven, maar – kort gezegd – op de toelaatbaarheid
daarvan. Het klachtonderdeel komt er op neer dat klaagster van mening is dat zij door
de gewraakte passage in het verweerschrift in haar belangen is geschaad en dat deze
uitlating niet passend en onprofessioneel is en een advocaat niet betaamt.
5.6 De raad oordeelt dat dit klachtonderdeel wel gegrond is en dat verweerster
met hetgeen zij heeft geschreven in het verweerschrift de grenzen heeft overschreden
van de haar toekomende vrijheid om de belangen van haar cliënt te behartigen. Weliswaar
begrijpt de raad dat gelet op de aard van de onderliggende procedure, de rol die de
ouders van klaagster in de opvoeding van de kinderen zouden kunnen krijgen en gezien
al wat zich in het verleden binnen het gezin heeft afgespeeld, verweerster een gerechtvaardigd
belang had bij het verwoorden van de zorgen van haar cliënt in het verweerschrift.
Echter had verweerster dit naar het oordeel van de raad anders kunnen en anders moeten
formuleren.
5.7 Verweerster had kunnen volstaan met een algemene toelichting op de problemen
die speelden binnen het gezin en om de ernst daarvan te benadrukken, had verweerster
kunnen vermelden dat de problemen zodanig waren dat dit tot uithuisplaatsing van de
zus heeft geleid. Verweerster had niet expliciet de link moeten leggen met vermeend
ongewenst seksueel gedrag van de vader van klaagster. Verweerster had zich moeten
realiseren dat deze informatie – die alleen vanuit de man tot verweerster is gekomen,
zonder dat daarbij aanvullend of ondersteunend bewijsmateriaal beschikbaar was – ook
(deels) onwaar zou kunnen zijn. De toelichting van verweerster dat haar cliënt al
lang meeloopt in het gezin van klaagster en deze geruchten van binnenuit het gezin
heeft gehoord, is onvoldoende rechtvaardiging om dit vermoeden op deze wijze op te
nemen in een processtuk. De raad is daarom van oordeel dat verweerster de belangen
van klaagster nodeloos heeft geschaad door deze passage zodanig in het verweerschrift
op te nemen.
6 MAATREGEL
6.1 De aard en ernst van het gegrond verklaarde klachtonderdeel rechtvaardigt
de oplegging van een maatregel. Bij de bepaling van de maatregel weegt de raad mee
dat aan verweerster niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Al met
al ziet de raad aanleiding om aan verweerster de maatregel van waarschuwing op te
leggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M.J.E. van den Bergh en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025