ECLI:NL:TADRAMS:2025:192 Raad van Discipline Amsterdam 25-212/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:192 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 24-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-212/A/NH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 oktober 2025
in de zaak 25-212/A/NH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 26 mei 2025 op de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. M.R. Kijne
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 27 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/24-371/2364585
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 26 mei 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de
raad (hierna: de voorzitter) de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en
gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 26 mei 2025 verzonden
aan partijen.
1.4 Op 25 juni 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 25 juni 2025 ontvangen.
1.5 Verweerder heeft op 15 augustus 2025 nagezonden stukken ingediend.
1.6 De gemachtigde van klager heeft bij e-mail van 19 augustus 2025 bezwaar gemaakt
tegen toevoeging van deze stukken. Het betreffen volgens hem geen stukken die niet
eerder ingebracht hadden kunnen worden en het betreft niet slechts een korte toelichting
bij stukken, maar een aanvullend inhoudelijk verweer. Daarmee handelt verweerder,
aldus de gemachtigde van klager, in strijd met het bepaalde in artikel 2.4 van het
Procesreglement raden van discipline (hierna: het procesreglement).
1.7 Verweerder heeft hierop bij e-mail van 20 augustus 2025 gereageerd. Volgens
verweerder stond het hem vrij om inhoudelijk verweer te voeren naar aanleiding van
de voorzittersbeslissing omdat hij wilde reageren op de aanvullende klachten van klager
van 21 april 2025, alsook op zijn verzetschrift van 25 juni 2025.
1.8 De gemachtigde van klager heeft op zijn beurt bij e-mail van 21 augustus
2025 namens klager gereageerd op de e-mail van verweerder van 20 augustus 2025. Kort
gezegd luidt de reactie dat het procesreglement en de jurisprudentie geen mogelijkheid
bieden voor een dergelijke inhoudelijke reactie van verweerder.
1.9 Bij e-mail van 26 augustus 2025 heeft de griffie van de raad partijen laten
weten dat de e-mails ter zitting zullen worden besproken.
1.10 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025.
Daarbij waren klager met zijn gemachtigde en verweerder aanwezig.
1.11 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd,
van het verzetschrift en van de hiervoor weergegeven e-mailcorrespondentie.
2 VERZET
Verweer van verweerder van 15 augustus 2025
2.1 Het verweer van verweerder van 15 augustus 2025 wordt niet aan het procesdossier
toegevoegd. Daartoe is redengevend dat artikel 2.4 van het procesreglement bepaalt
dat na ontvangst van het klachtdossier en na oproep voor de zitting uitsluitend nieuwe
bewijsstukken kunnen worden ingediend, voorzien van een korte toelichting. Het procesreglement
kent geen andere bepaling die verweerder in deze fase van de verzetprocedure de mogelijkheid
geeft een aanvullende schriftelijke reactie in te dienen. Het indienen van een uitgebreid
inhoudelijk verweer in deze fase, zoals door verweerder is gedaan, is dan ook niet
toegestaan.
2.2 Voor zover verweerder heeft betoogd dat hij het nodig vond te reageren op
de aanvullende (nieuwe) klachten bij de raad ingediend op 21 april 2025 en op het
verzetschrift, volgt de raad hem niet. De voorzitter heeft in zijn beslissing het
stuk van 21 april 2025, waarmee klager zijn klacht heeft willen aanvullen, bij zijn
beoordeling buiten beschouwing gelaten, zodat er geen reden was hier op te reageren.
Op het verzetschrift heeft verweerder op de zitting kunnen reageren.
Beoordeling verzet
2.3 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.4 Volgens klager heeft de voorzitter ten onrechte geoordeeld dat een deel van
de klacht te laat zou zijn ingediend, omdat klager al in 2018, 2019 of 2021 kennis
zou hebben gehad van het handelen van verweerder. Volgens klager is de klachttermijn
pas gaan lopen nadat hij op de zitting van 29 september 2022 bekend was geworden met
het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen van verweerder. Pas toen en vervolgens bij
de voorbereiding van de cassatie werd klager voor het eerst volledig geïnformeerd
over de eerdere juridische fouten van verweerder. Klager heeft toen eerst zijn klachten
bij verweerder ingediend. Daarna heeft hij op 15 augustus 2024 zijn klachten ingediend
bij de Deken. Daarmee heeft de klager de klachten binnen de termijn van drie jaar,
en dus tijdig, ingediend. Daarnaast is klager het niet eens met de voorzittersbeslissing
voor zover hierin zijn overige klachten kennelijk ongegrond zijn verklaard.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.3 Voor zover klager meent dat de voorzitter bij zijn beoordeling van klachtonderdelen
a), b) en c) ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 46g lid 2 Advocatenwet,
volgt de raad klager niet en sluit de raad aan bij de motivering hierover in de beslissing
van de voorzitter. Echter, ook als toepassing was gegeven aan artikel 46g lid 2 Advocatenwet,
dan had dit niet tot een ander oordeel geleid. In lid 2 blijft ten aanzien van een
na afloop van de in het eerste lid onder a bedoelde termijn ingediende klacht niet-ontvankelijkverklaring
op grond daarvan achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs
pas na afloop van die drie jaren bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn
voor het indienen van een klacht een jaar na de dag waarop de gevolgen redelijkerwijs
als bekend geworden zijn aan te merken. Enkel voor wat betreft de gedraging van verweerder
op 17 september 2018 (klachtonderdeel a) zouden volgens de redenering van klager de
gevolgen van het handelen pas na het verstrijken van de driejaarstermijn (naar zeggen
van klager vanaf 29 september 2022) bekend zijn geworden. Als de raad hierin mee zou
gaan, dan zou gelden dat klager vanaf dat moment één jaar de tijd had om zijn klacht
in te dienen. Door pas op 15 augustus 2024 een klacht in te dienen was klager ook
bij toetsing aan 46g lid 2 Advocatenwet te laat geweest. In de klachtonderdelen b)
en c) valt het moment waarop klager zelf stelt bekend te zijn geworden met de gevolgen
van verweerders handelen (op 29 september 2022) nog voor het verstrijken van de driejaarstermijn,
zodat een beroep op lid 2 niet opgaat. Overigens blijkt uit het dossier dat de (huidige)
gemachtigde van klager in ieder geval sinds 8 juli 2020 al bij de procedure betrokken
was en derhalve ook om deze reden niet aannemelijk is dat klager niet eerder bekend
was met het vermeende verwijtbaar handelen van verweerder.
4.4 De raad komt ook voor wat betreft de klachtonderdelen d) en e) tot de slotsom
dat in redelijkheid niet hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025