ECLI:NL:TADRAMS:2025:170 Raad van Discipline Amsterdam 25-496/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:170 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-09-2025 |
| Datum publicatie: | 26-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-496/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder mocht afgaan op de juistheid van de mededelingen van zijn cliënt en hoefde de juistheid ervan niet te verifiëren. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
22 september 2025
in de zaak 25-496/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 28 juli 2025 met kenmerk re/ss/25-098/2468277, door de raad ontvangen op 28 juli 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 17 augustus 2025 door klager nagezonden stukken en van de per e-mail toegezonden brief van verweerder van 19 augustus 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is verwikkeld in een procedure met zijn verhuurder over renovatiewerkzaamheden
aan zijn woning, als gevolg waarvan klager zijn huurwoning tijdelijk heeft moeten
verlaten. Verweerder staat in deze procedure de verhuurder als advocaat bij.
1.2 Klager en zijn verhuurder hebben geprocedeerd tot aan de Hoge Raad, die bij
arrest van 15 september 2023 het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 januari
2022 heeft vernietigd en de zaak heeft verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor
verdere behandeling en beslissing. Na verwijzing lag de vraag voor (i) of sprake is
geweest van een renovatie die tot verhuizing noopte en (ii) of klager in de regel
thuiswerkt, in hoeverre klager als gevolg van de renovatiewerkzaamheden genoodzaakt
is geweest om elders te werken en of dat voldoende grond opleverde voor de conclusie
dat klager genoodzaakt was om te verhuizen. In dat laatste geval zou klager aanspraak
kunnen maken op een verhuiskostenvergoeding.
1.3 Klager heeft bij memorie na verwijzing van 30 april 2024 betoogd dat hij
aanspraak maakt op een verhuiskostenvergoeding.
1.4 Verweerder heeft de memorie na verwijzing aan de verhuurder (zijn cliënte)
doorgestuurd met het verzoek daarop te reageren. Op 31 mei 2024 ontving verweerder
de volgende reactie:
“Dit is onjuist. We hebben wel degelijk geschikte ruimte aangeboden. Zo was er de
huiskamer op de parkeerplaats, waar diverse voorzieningen (tafel, bankstel, koelkast
en zelf een buitenzitje) in aangebracht waren. Een perfecte locatie, vergelijkbaar
met een woonkamer/huiskamer van een woning. Het bezwaar van overlast door geluid was
daar nog wel in mindere maten aanwezig. Aanvullend is ook een ander alternatief geboden
op een andere locatie (bibliotheek, kantoor [verhuurder]), maar [klager] vond dit
allemaal ongeschikt. En heeft e.a. toen maar op zijn beloop gelaten (…)”
1.5 Op 25 juni 2024 heeft verweerder namens de verhuurder een antwoord-memorie
na verwijzing genomen. Bij randnummer 24 hiervan staat het volgende vermeld:
“[De verhuurder] heeft daarnaast nog de openbare bibliotheek voorgesteld aan [klager]
en een werkplek op het kantoor van [de verhuurder] zelf. [Klager] wilde dat niet,
terwijl toch met name ook het kantoor van [de verhuurder] een uitstekende voorziening
was en dus een meer dan passende en redelijke voorziening was voor [klager].”
1.6 Klager heeft hierop bij akte ten behoeve van de zitting van 6 augustus 2024
als volgt gereageerd:
“1. Bij randnummer 24 van de antwoordmemorie heeft [de verhuurder] gesteld, dat
zij aan [klager] een werkplek op het kantoor van [de verhuurder] zelf heeft aangeboden.
Dit is in strijd met de waarheid. [De verhuurder] heeft nooit een werkplek op haar
kantoor aan [klager] aangeboden. Dit is in lijn met het feit dat [de verhuurder] niet
eerder in de procedures dit aanbod van werkruimte in haar eigen kantoor ter sprake
heeft gebracht.”
1.7 Na ontvangst van deze akte op 2 augustus 2024 heeft verweerder contact gehad
met de verhuurder over de in te dienen antwoordakte. Verweerder schrijft in zijn e-mail
van 2 augustus 2024:
“Hierbij stuur ik je de akte door die namens [klager] is genomen. Zou jij nog eens
kunnen kijken naar de stelling over de werkruimte bij jullie op kantoor?”
1.8 De verhuurder antwoordde hierop als volgt, voor zover relevant:
“Tijdens de presentatie bijeenkomst, die we (…) op locatie gehouden hebben. Sprak
[klager] mij en mijn collega (toenmalig projectmanager) aan over ‘de huiskamer’.
De bijeenkomst was puur bedoeld om de bewoners/huurders kennis te laten maken met
de uitwijkmogelijkheden/rustmogelijkheden die we aanboden. [Klager] vond er het zijne
van en zag zichzelf hier nog niet werken.
De projectmanager gaf toen aan dat het prima kon functioneren als rustkamer en ik
gaf daarbij aan dat we Wi-Fi aan zouden leggen om er ook online te kunnen werken (…).
Tijdens dat gesprek hebben we ook aangegeven dat hij een werkplek op ons kantoor kon
krijgen en dat de bibliotheek wellicht een goed alternatief was. (…). Ik heb mijn
hele mail archief doorgezocht en kon niks terugvinden als zijnde schriftelijke reactie
op dit gesprek, maar niks specifieks kunnen vinden, helaas.”
1.9 Verweerder heeft deze reactie verwerkt in zijn antwoordakte van 3 september
2024 en daarbij namens de verhuurder aangeboden dit te bewijzen door het horen van
betrokkenen.
1.10 Op 21 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij standpunten heeft ingenomen namens de verhuurder waarvan verweerder
wist of behoorde te weten dat deze onjuist zijn.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klager heeft zijn klacht als volgt nader toegelicht. Verweerder heeft zich
in zijn antwoord-memorie na verwijzing namens de verhuurder op het standpunt gesteld
dat klager een vervangende werkplek aangeboden heeft gekregen van de verhuurder. In
verband daarmee zou geen noodzaak tot verhuizing zijn geweest. Het is volgens klager
onjuist dat verweerder hem een werkplek heeft aangeboden. Verweerder heeft dit standpunt
ook niet nader onderbouwd en zelfs het gerechtshof vond het opmerkelijk dat dit standpunt
pas in zo’n laat stadium van de procedure werd ingenomen. Klager vermoedt dat de verhuurder
dit standpunt is gaan innemen na het arrest van de Hoge Raad, die oordeelde dat bij
de beoordeling of de noodzaak tot verhuizen zich voordeed, onder meer een rol speelde
of aan de huurder alternatieve werkruimte ter beschikking stond. Verweerder wist echter
dat de verhuurder hem helemaal geen vervangende werkruimte had aangeboden, aldus klager.
4.3 De voorzitter stelt voorop dat bij de beoordeling van deze klacht, gelijk
aan het onder 4.1 weergegeven toetsingskader, advocaten in het algemeen mogen afgaan
op de juistheid van mededelingen en het feitenmateriaal dat cliënten hen verschaffen
en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden zijn de juistheid hiervan te verifiëren.
4.4 Uit het onderliggende klachtdossier blijkt dat verweerder van mening was
dat hij nader onderzoek moest doen naar de vraag of de verhuurder aan klager een vervangende
werkplek had aangeboden. Verweerder heeft naar aanleiding van klagers akte navraag
gedaan bij de verhuurder en heeft hierop op 2 augustus 2024 een uitgebreide reactie
ontvangen van de verhuurder. Bovendien was (een aantal betrokken medewerkers van)
de verhuurder bereid hierover onder ede een verklaring af te leggen. Verweerder hoefde
gelet op deze informatie en zijn onderzoek hiernaar, niet te twijfelen aan de juistheid
van de informatie die hij van de verhuurder had ontvangen en heeft in verband daarmee
namens de verhuurder mogen betogen dat aan klager een vervangende werkplek was aangeboden.
Verweerder is hiermee niet buiten de grenzen van het betamelijke getreden. De vraag
of dit verkondigde standpunt juist is, valt buiten het bestek van dit tuchtrechtelijk
geschil. Het is aan de civiele rechter om hierover een inhoudelijk oordeel te geven.
4.5 Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 september 2025