ECLI:NL:TADRAMS:2025:168 Raad van Discipline Amsterdam 25-512/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:168 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-09-2025 |
| Datum publicatie: | 26-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-512/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Niet gebleken is van schending van gedragsregels 1, lid 4 en 8. Verder geldt dat verweerder als partijdig advocaat opkomt voor de belangen van zijn cliënte, zodat hij niet gehouden is om buiten zijn cliënte om met klager tot een oplossing te komen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
22 september 2025
in de zaak 25-512/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. J.S. van Daal
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 5 augustus 2025 met kenmerk 2450129/JS/AS en van
de op de inventaris genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is eigenaar van een chalet op een resort. Er is een geschil ontstaan
over de riolering met de eigenaren van het resort. Op 2 januari 2018 hebben de eigenaren
van het resort klager medegedeeld dat het door hen ingeschakelde rioleringsbedrijf
onvoldoende gespecialiseerd is in het aanleggen van een nieuwe riolering, dat er op
een referentie naar een ander bedrijf is gevraagd en dat de tijdstippen van werkzaamheden
in overleg met klager zullen worden afgestemd. Dit heeft vervolgens niet tot een oplossing
geleid.
1.2 Op 29 november 2018 is bij de rechtbank Oost-Brabant tussen klager en het
resort een schikking getroffen, inhoudende dat het resort zich verplicht om (een deel
van) de riolering uiterlijk 1 februari 2019 te vervangen.
1.3 In september 2019 zijn werkzaamheden verricht aan het riool.
1.4 Vanaf december 2019 is verweerder de advocaat van het resort.
1.5 Op 20 april 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant in een procedure van de
VVE tegen het resort geoordeeld dat het resort als beheerder onder meer verantwoordelijk
is voor het algemeen toezicht op onder andere de riolering, zodat het schoonhouden
daarvan onder de daarvoor ontvangen servicevergoeding valt. Over het oplossen van
de structurele rioleringsproblemen heeft de rechtbank overwogen dat daarover geen
oordeel kan worden gegeven, omdat de vorderingen daar niet op zien.
1.6 Daarna zijn de problemen aan het riool teruggekeerd. Op 9 november 2022 hebben
verweerder, de advocaat van klager en de eigenaren van het resort een bespreking gehouden
over de kwesties met de VvE en met klager.
1.7 Op 28 juli 2023 heeft de advocaat van klager aan verweerder geschreven:
“Op 9 november jl. spraken wij elkaar in Amsterdam, waarbij ook de kwestie [klager]
aan de orde kwam. Ik heb aangegeven dat ik toestemming had om een kort geding te starten.
Vanwege de te maken kosten is toen de mogelijkheid besproken om in samenspraak met
cliënt alsnog de kwestie in der minne op te lossen. Ikzelf denk namelijk dat dit een
goedkopere oplossing is dan een kort geding procedure. Uw cliënte was het hier volmondig
mee eens en wij spraken af dat ik stukken zou toesturen van de experts waaruit blijkt
dat de oorzaak van de problemen in het afschot van de riolering zit en niet in de
ligging van het chalet van de cliënt. (…)
Wat mij betreft voert het te ver om de hele discussie opnieuw op te rakelen, omdat
ik van mening ben dat dit op dit moment weinig toevoegt. Feit is dat er grote problemen
zijn met het laatste stuk van het riool richting het chalet van cliënt. Cliënt klaagt
hierover niet voor niets al jaren. De foto's van de overstromingen van de riolering
in het chalet spreken ook boekdelen. Onderzoek bevestigt dit ook en de oplossing is
relatief makkelijk en cliënt wil hier ook in meedenken. Wat mij betreft, kan [medewerker
van het resort] rechtstreeks met mij contact opnemen om daarover concrete en praktische
afspraken te maken. lk sluit dit dan wel kort met cliënt.
Indien uw cliënte van standpunt veranderd is, verneem ik dit ook gaarne. Dan zal
ik de kort geding procedure moeten voortzetten en verneem ik gaarne uw verhinderdata
voor de komende 2 maanden.”
1.8 Daarop heeft verweerder diezelfde dag gereageerd:
“(…) Ik heb uw e-mail doorgestuurd aan [medewerker van het resort] en ga ervan uit
dat hij dit oppakt tijdens mijn vakantie. Zou u nog inzichtelijk kunnen maken wat
de verwachten kosten zijn van het verhelpen van de vermeende verstopping? (…)”
1.9 Op 31 juli 2023 heeft de medewerker van het resort aan de advocaat van klager
en verweerder geschreven:
“Graag ontvang de uitgewerkte oplossing en de wijze waarop [klager] hierin wil meedenken.
Na beoordeling hiervan kom ik hier inhoudelijk op terug.”
1.10 Begin november 2023 heeft klager via zijn advocaat een offerte gestuurd
aan verweerder. Daarbij heeft de advocaat van klager aan verweerder geschreven:
“(…) Gaarne verneem ik binnen 2 weken na heden of uw cliënte hiermee akkoord is.
De reden waarom ik deze termijn stel, is gelegen in het feit dat cliënt vanwege de
problemen de afgelopen 3-4 jaar een tijdelijke oplossing gevonden had door de afvoer
van zijn toiletten te scheiden in die zin dat het gebruikte toiletpapier op zijn terrein
opgeslagen wordt en niet middels het riool afgevoerd wordt. Vervolgens is daardoor
weer overlast ontstaan, hetgeen cliënt op zich begrijpelijk vindt. De VvE en de naaste
buren hebben aangegeven de huidige situatie niet meer te tolereren en actie te zullen
gaan ondernemen.
Tevens verwijs ik u naar de eerdere discussie in 2018 waarin [een van de resorteigenaren]
destijds ook al erkend heeft dat er een probleem in de riolering zit naar het perceel
van cliënt. Er zijn daarover ook door twee deskundigen rapporten uitgebracht die het
probleem erkennen. Zoals aangegeven tijdens onze laatste bespreking in Amsterdam lag
het voor de hand om een kort geding te starten. [De andere resorteigenaar] gaf tijdens
deze bespreking aan niet op een kort geding te zitten wachten en de kosten liever
te besteden aan een structurele oplossing. Cliënt is het hier helemaal mee eens; vandaar
bijgaande offerte.”
1.11 Op 15 november 2023 heeft verweerder gereageerd:
“Hierbij informeer ik u als volgt in reactie op uw e-mail van vrijdag 10 november
jongstleden. Mijn cliënt hecht waarde aan een goede- en structurele oplossing. De
oorzaak van deze kwestie is volgens de experts van uw cliënt gelegen in achterstallig
onderhoud. Mijn cliënt stelt daarom het volgende voor. [Het resort] geeft hierbij
toestemming dat de opdrachtnemer van de VVE werkzaamheden kan verrichten aan het riool
welke gelegen is in de grond van [het resort]. Hierbij dient de uitgegraven strook
in oorspronkelijke staat worden gesteld. [Het resort] kan formeel geen toestemming
verstrekken voor werkzaamheden op kavels welke niet in eigendom zijn van [het resort].
Gezien eerdere ervaringen en thans lopende discussies over het vervangen van een deel
van het riool stelsel wil [het resort] vooraf de garantie dat de aannemer het beschreven
probleem voor alle betrokkenen structureel oplost. In de omschrijving staat namelijk
dat het riool over 70 meter wordt opgehoogd om afschot te creëren, maar dit moet niet
resulteren tot negatief afschot bij de overige aangrenzende percelen. Daar het groot
onderhoud betreft lijkt het mijn cliënt het meest praktisch dat de opdracht en afwikkeling
via de VVE geschied. Ik vertrouw erop dat de insteek van mijn cliënt ieders goedkeuring
kan dragen.”
1.12 Op 2 december 2023 hebben de resorteigenaren tijdens een algemene ledenvergadering
kenbaar gemaakt het resort op 28 september 2023 te hebben verkocht aan de gemeente
en dat de koopakte op 18 oktober 2023 is ingeschreven bij het Kadaster. Over de verkoop
zou sinds 2017 zijn gesproken met de gemeente.
1.13 Begin december 2023 heeft klager via zijn advocaat een aangepaste offerte
gestuurd aan verweerder. Daarop heeft verweerder gereageerd:
“Op basis van het eindvonnis van 20 april 2022 van Rechtbank ’s-Hertogenbosch is
[het resort] verantwoordelijk ervoor om eventuele storingen aan het riool te verhelpen.
De storingen aan het riool worden voornamelijk veroorzaakt door de wijze van gebruik
van het riool, zoals toegelicht in eerste aanleg en de permanente bewoning van het
park. De Gemeente heeft aangegeven dat het park terug zal keren in de recreatieve
functie. Naar de toekomst toe worden er geen calamiteiten meer verwacht met het riool
als aan de permanenten bewoning een einde wordt gemaakt. Aanpassing van het riool
is niet nodig.
Uw cliënt heeft niet verzocht om een incidentele storing te verhelpen, maar wenst
een structurele oplossing. De structurele oplossing komt niet voor rekening van mijn
cliënt, nu deze is ontstaan door een gebrek aan achterstallig onderhoud aan de zijde
van de VVE en het gebruik van het riool. Omstandigheden die u niet aan mijn cliënt
kunt toerekenen.
Mijn cliënt heeft voldaan aan de incidentele meldingen. Vast is komen te staan dat
het riool op 6 november 2023 correct werkte. Ten onrechte is hiervoor [bedrijf] ingeschakeld.
Opvallend is dat de offerte is aangepast. Er is niet uitdrukkelijk in opgenomen dat
alle chalets een goed werkend riool zullen krijgen tot aan de verzamelput, maar uitsluitend
de chalets van nummers 1-125.
Gezien de hoogte van de offerte adviseert mijn cliënt (vrijblijvend) om een tweede
offerte op te vragen bij [bedrijf 2]. Indien de ALV instemt met voldoening en hoogte
van de offerte, zal mijn cliënt dulden dat door de grond van [het resort] de graafwerkzaamheden
zullen worden verricht. (…)”
1.14 Op 20 februari 2024 heeft de advocaat van klager aan verweerder medegedeeld
een kort geding te zullen starten.
1.15 Op 4 april 2024 is het resort officieel overgedragen aan de gemeente. De
gemeente heeft het rioleringsprobleem vervolgens laten oplossen.
1.16 In mei 2024 tot en met januari 2025 heeft klager met de klachtenfunctionaris
van het kantoor van verweerder gecorrespondeerd over zijn klacht tegen verweerder.
1.17 Op 26 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft stellingen ingenomen waarvan hij wist althans behoorde te
weten dat deze onjuist waren. Zo heeft verweerder de schijn opgehouden dat zijn cliënte
nog eigenaar zou blijven van het resort, terwijl allang wist dat er gesprekken liepen
over de verkoop van het resort. Ook heeft hij gesteld dat (i) de problemen bij klager
zouden komen door een vermeende verstopping en achterstallig onderhoud en (ii) het
zou gaan om groot onderhoud. Deze stellingen zijn onjuist, omdat er meerdere inspectierapporten
zijn en de bevestiging van zijn client waaruit blijkt dat het gaat om een verkeerd
geplaatst stuk riool waarbij de cliënte van verweerder al in januari 2018 had toegezegd
dit te zullen verhelpen. Tot slot heeft verweerder namens zijn cliënte de stelling
ingenomen dat de VvE het rioolprobleem zou moeten oplossen, terwijl hij wist dat er
gerechtelijke uitspraken zijn waaruit volgt dat zijn cliënte wel degelijk verantwoordelijk
is voor het riool op het resort;
b) Verweerder heeft de oplossing van het geschil met klager bewust vertraagd.
Zo heeft verweerder namens zijn cliënte bij klager offertes opgevraagd met als enig
doel om de zaak te vertragen en voor zijn client herstelkosten en een kort geding
te ontlopen. Daarmee heeft verweerder klager onnodig en onevenredig geschaad.
2.2 Klager heeft daarbij toegelicht dat verweerder gedragsregel 1 lid 4, gedragsregel
8 en artikel 21 Rv heeft geschonden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Gedragsregel 1 lid 4 luidt: De advocaat dient zich zodanig te gedragen dat
het vertrouwen in de advocatuur, noch zijn eigen beroepsuitoefening wordt geschaad.
4.3 Gedragsregel 8 luidt: De advocaat dient zich zowel in als buiten rechte te
onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans
behoort te weten, dat die onjuist is.
4.4 Artikel 21 Rv luidt: Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang
zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet
nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Beoordeling
4.5 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder bewust feiten heeft gesteld
waarvan hij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Ook is niet gebleken
dat verweerder klager onnodig en onevenredig heeft geschaad. Dat licht de voorzitter
als volgt toe.
Klachtonderdeel a)
4.6 Verweerder mag als partijdige advocaat het standpunt van zijn cliënte naar
voren brengen. Verweerder mocht in dat verband namens zijn cliënt het standpunt innemen
dat de rioleringsproblemen zijn ontstaan door de gebruikswijze en achterstallig onderhoud,
net als dat het volgens zijn cliënte ging om groot onderhoud waarvoor zij niet verantwoordelijk
meende te zijn. Dat klager het daarmee niet eens is, maakt deze stellingen niet laakbaar.
Dat er andersluidende inspectierapporten lagen, doet daar evenmin aan af. Verweerder
mag namens zijn cliënte deskundigenrapporten bestrijden. Het stond klager vrij om
de kwestie voor te leggen aan de civiele rechter als hij daarover een oordeel wenste
te verkrijgen. De voorzitter merkt volledigheidshalve op dat het tuchtrecht niet bedoeld
is om alsnog een oordeel daarover te verkrijgen.
4.7 Voor zover klager wijst op het vonnis van 20 april 2022, volgt daaruit niet
dat de cliënte van verweerder verplicht was om de structurele problemen aan de riolering
op te lossen. De rechtbank heeft zich daarover uitdrukkelijk niet uitgelaten omdat
de vorderingen daar niet op zagen.
4.8 Verweerder was ook niet gehouden om, zonder opdracht van zijn cliënte, klager
te informeren dat er gesprekken waren over de verkoop van het resort aan de gemeente.
Dat zou in strijd komen met zijn geheimhoudingsplicht. Het is de voorzitter ook onvoldoende
gebleken waarom die informatie nodig was voor een geschil over de vraag of, en zo
ja door wie, de riolering moest worden vervangen.
4.9 Gelet op het voorgaande, is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder
in strijd heeft gehandeld met gedragsregels 1, lid 4, en 8. Omdat geen sprake was
van een (aanhangig gemaakte) gerechtelijke procedure waarbij verweerder als advocaat
optrad, was artikel 21 Rv niet van toepassing en kon deze ook niet worden geschonden.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.10 Vooropgesteld wordt dat het de voorzitter niet is gebleken dat verweerder
of zijn cliënte toezeggingen heeft gedaan om de riolering te vervangen. Uit het bericht
van klagers advocaat van 28 juli 2023 volgt slechts dat er een onderbouwing van de
experts zou volgen. Uit de correspondentie in het dossier is niet gebleken dat verweerder
de kwestie bewust heeft vertraagd. Dat zijn cliënte kennelijk ook offertes van klager
wenste te ontvangen en dat verweerder die heeft opgevraagd, is daarvoor onvoldoende.
Voor zover klager bedoelt dat verweerders cliënte daarmee ten doel had om de oplossing
van de kwestie te vertragen totdat het resort was verkocht, dan kan ook dit niet toegerekend
worden aan verweerder. Verweerder komt als partijdig advocaat bovendien op voor de
belangen van zijn cliënte, zodat hij niet gehouden is om buiten zijn cliënte om met
klager tot een oplossing te komen. Dat klager daardoor langer met rioleringsproblemen
te maken heeft gehad, maakt niet dat verweerder ondoelmatig heeft gehandeld. In dat
verband geldt dat het klager vrij stond om de door hem aangekondigde kortgedingprocedure
alsnog voort te zetten als hij het te lang vond duren. Klachtonderdeel b) is kennelijk
ongegrond.
Conclusie
4.11 De voorzitter zal de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 september 2025