ECLI:NL:TADRAMS:2025:162 Raad van Discipline Amsterdam 25-298/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-09-2025 |
| Datum publicatie: | 19-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-298/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening door de eigen advocaat is deels gegrond. Verweerder heeft klager niet op de hoogte gehouden van het procesverloop, hij heeft gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd, niet gereageerd op e-mails en herhaalde verzoeken om contact van klager, klager niet geïnformeerd over zijn hoger beroepsmogelijkheden en hem onjuist geïnformeerd over de mogelijkheid tot indiening van stukken. Verweerder is daarmee tekortgeschoten in de behartiging van de belangen van klager en dat is onzorgvuldig en onbetamelijk. De verweten gedragingen raken aan de kernwaarden deskundigheid en integriteit. Alhoewel verweerder ter zitting wel enig inzicht heeft gegeven in zijn handelen, neemt dit niet weg dat zijn gedragingen ernstig verwijtbaar zijn. Mede gelet ook op de eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen van verweerder acht de raad het opleggen van een voorwaardelijke schorsing van vier weken thans passend en geboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 15 september 2025
in de zaak 25-298/A/A
naar aanleiding van het verzoek van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 5 juni 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 9 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2347663/JS/AS van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 juli 2025. Daarbij
was verweerder aanwezig. Klager is niet ter zitting verschenen. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 26 mei 2025 nagezonden stukken van klager.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
Procedure Famed
2.2 In verband met een deels onbetaalde tandartsrekening van praktijk T (hierna:
T) uit 2019, heeft incassobureau Famed (hierna: Famed) klager gedagvaard (hierna ook:
de eerste procedure).
2.3 Yards Deurwaardersdiensten B.V. (hierna: Yards) trad op als de gemachtigde
van Famed in de eerste procedure. Klager is in persoon gaan procederen.
2.4 Bij vonnis van 27 oktober 2020 heeft de kantonrechter klager veroordeeld
tot betaling van het gevorderde factuurbedrag.
2.5 In een brief van 20 januari 2021 heeft Yards namens Famed aan klager een
kopie van het vonnis van 27 oktober 2020 toegestuurd en aan klager verzocht een bedrag
van € 436,90 over te maken in verband met deze eerste procedure.
Tuchtklachten tegen gerechtsdeurwaarders T c.s.
2.6 Op 26 januari 2021 heeft klager een tuchtklacht ingediend tegen de heer T
en de heer D, gerechtsdeurwaarders bij Yards (hierna samen te noemen: T c.s.).
2.7 Op 10 augustus 2021 heeft de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders de tuchtklacht
kennelijk ongegrond verklaard.
2.8 Klager heeft hierna opnieuw tuchtklachten ingediend tegen T c.s. Deze tuchtklachten
zijn op 26 april 2022 door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard
Herroepingsprocedure Famed
2.9 Op 15 april 2021 heeft klager Famed gedagvaard en - kort gezegd - de rechtbank
Amsterdam verzocht de uitspraak van 27 oktober 2020 te herroepen. Ook heeft hij een
vordering tot afgifte van stukken ingediend.
2.10 Op 7 december 2021 heeft de rechtbank Amsterdam het herroepingsverzoek van
klager en de vordering tot afgifte van de stukken afgewezen.
Procedure tegen gerechtsdeurwaarders T c.s.
2.11 Op 25 mei 2022 is klager een procedure gestart tegen T c.s. bij de kantonrechter
Midden-Nederland
2.12 Klager vordert in deze procedure – samengevat – dat de rechtbank voor recht
verklaart dat T c.s. in strijd heeft gehandeld met de toepasselijke wet- en regelgeving,
misbruik heeft gemaakt van het (proces)recht en T c.s. veroordeelt tot betaling van
een schadevergoeding op te maken bij staat als gevolg van de schendingen. Klager stelt
dat T c.s. als deurwaarder bedrog hebben gepleegd door 41 valse verklaringen af te
leggen c.q. informatie te verzwijgen. Door het bedrog heeft klager drie jaar lang
problemen en schade ondervonden. Ook heeft klager een incidentele vordering ingesteld
waarin hij afgifte vordert van verscheidene stukken.
2.13 De advocaat van T c.s. heeft verweer gevoerd en verzocht klager niet-ontvankelijk
te verklaren in zijn vorderingen of de vorderingen af te wijzen.
2.14 Op 24 augustus 2022 heeft klager een conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident
genomen en een wrakingsverzoek ingediend tegen de advocaat van T c.s.
2.15 Bij vonnis van 28 september 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland de zaak verwezen in de stand waarin deze zich bevindt naar de afdeling
civiel recht van de rechtbank Midden-Nederland met als gevolg dat klager zich door
een advocaat moest laten bijstaan.
Juridische bijstand door verweerder
2.16 Klager is als gevolg van het vonnis van 28 september 2022 op zoek gegaan
naar een advocaat om hem bij te staan in de procedure tegen T c.s.
2.17 Bij e-mail van 5 oktober 2022 heeft klager aan verweerder gevraagd of hij
hem kan bijstaan als advocaat:
“Goedemiddag,
Ik heb voor een civiele fraudezaak tegen een deurwaarder een advocaat nodig op basis
van toevoeging omdat die is doorverwezen van de kantonrechter naar een rechtbank.
Bent u beschikbaar?
Hoogachtend,
[klager]”
2.18 Op 5 oktober 2022 heeft de secretaresse van verweerder aan klager bericht
dat er een intakegesprek zal worden gepland. Aan klager is bericht dat het een vrijblijvend
gesprek is en dat er geen kosten aan zijn verbonden. Omstreeks 5 oktober 2022 heeft
tussen klager en verweerder een (telefonisch) gesprek plaatsgevonden.
2.19 In navolging van dit gesprek heeft klager aan verweerder op 6 oktober 2022
de volgende e-mail gestuurd:
“Geachte [verweerder],
Naar aanleiding van ons gesprek stuur ik u voor de vrijblijvende beoordeling of
u de zaak wilt doen, de dagvaarding en conclusie bevoegdheidsincident toe. Deze zijn
zonder producties maar uiteraard is voor alles steeds bewijs. De conclusie van antwoord
en het vonnis op het bevoegdheidsincident stuur ik apart in fotokopie toe.
De bovenstaande dagvaarding betreft ook de ambtelijke werkzaamheden. Voor de niet-ambtelijke
werkzaamheden is de onderneming Yards B.V. apart gedagvaard en die kan wellicht ook
worden doorverwezen.”
2.20 Bij e-mail van 11 oktober 2022 heeft klager aan verweerder nogmaals gevraagd
naar zijn zaak:
Goedemorgen [verweerder], Ik schrijf nog even om te kijken of u deze zaak wilt doen
en hoe alles verder moet. (…)”
2.21 In een e-mailbericht van 12 oktober 2022 heeft de secretaresse van verweerder
aan klager bericht dat zijn bericht is doorgestuurd aan verweerder. Daarop heeft klager
per e-mail bedankt en gezegd dat de zitting al snel is.
2.22 Bij brief van 24 oktober 2022 heeft verweerder aan klager de opdracht bevestigd
om hem bij te staan in het geschil tegen T c.s. Verweerder heeft zich als advocaat
gesteld. Verweerder heeft aan klager de eigen bijdrage in rekening gebracht die door
klager is betaald.
2.23 Bij e-mail van 26 oktober 2022 heeft verweerders secretaresse aan klager
bericht dat zich een advocaat heeft gesteld voor T c.s.
2.24 Bij e-mail van 21 december 2022 heeft klager aan verweerder opnieuw gevraagd
wat de stand van zaken is:
“Goedemorgen, Bestaat deze zaak nog? Ik heb er nooit meer van vernomen. Zo ja, ik
heb een relevant document ontvangen. (…)”
2.25 Op 21 december 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland een vonnis gewezen
in verband met de incidentele vordering van klager tot afgifte van stukken. De rechtbank
heeft geoordeeld dat klager zijn vordering tot afgifte van de stukken onvoldoende
heeft onderbouwd, maar omdat klager tot dan toe in persoon heeft geprocedeerd heeft
de rechtbank haar beslissing aangehouden tot (na) de mondelinge behandeling. Daarbij
heeft de rechtbank bepaald dat de advocaat van klager op de mondelinge behandeling
in de hoofdzaak in de gelegenheid zal worden gesteld de vordering tot afgifte van
de stukken toe te lichten.
2.26 Bij e-mail van 9 januari 2023 om 09.13 uur heeft klager aan verweerder het
volgende gevraagd:
“Goedemorgen
Zou u de stukken kunnen toesturen die u heeft ingediend bij de rechtbank. (…)”
2.27 Verweerder heeft niet gereageerd op de vraag van klager, maar de secretaresse
van verweerder heeft dezelfde dag wel een bericht van de rechtbank doorgestuurd in
verband met de zitting.
“Geachte [klager],
Bijgaande e-mail van de Rechtbank hebben wij zojuist ontvangen.
Er is een zitting gepland op 16 februari 2023 om 15.00 uur te Lelystad. Voor meer
informatie verwijs ik u naar de onderstaande e-mail.
Vertrouwende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”
2.28 Op 15 februari 2023 hebben klager en verweerder telefonisch contact gehad
met het oog op de zitting die op 16 februari 2023 zou plaatsvinden en een eventuele
reactie die nog zou moeten worden gegeven op de reconventionele vorderingen van T
c.s.
2.29 In navolging daarvan heeft verweerder op 16 februari 2023 om 10:02 uur aan
klager het volgende e-mailbericht gestuurd:
“Geachte [klager],
Voor de goede orde de wederpartij heeft weliswaar een conventionele vordering ingediend
maar er is geen gelegenheid geweest u daar nader over uit te laten. Dat kan later
in de procedure, of in Hoger Beroep een rol spelen. In ieder geval heeft de Rechtbank
Lelystad na de verwijzing het vonnis van 27 december 2022 gewezen waarin is bepaald
dat partijen, vertegenwoordigd door een advocaat, bij de Rechtbank moeten verschijnen.
De datum daarvoor is bepaald op vandaag. Noch voor, noch na dat vonnis is er enige
gelegenheid geweest om nadere stukken te overleggen of om vorderingen nader toe te
lichten. Als dat wel zo was had ik daar wel met u contact over opgenomen. Ik heb u
de datum voor de comparitie van heden door gegeven.
Ook nu mag u geen schriftelijk verweer of reactie op het antwoord van de geven,
maar daartoe wordt u wel tijdens de zitting in de gelegenheid gesteld. Overigens is
de reconventionele vordering weinig substantieel. Als de conventionele vordering wordt
afgewezen, is het resultaat hetzelfde als de reconventionele vordering, terwijl het
niet kan voorkomen dat u Hoger Beroep tegen het vonnis aantekent.
Voor de goede orde de contact gegevens van de Rechtbank zijn:
(…)”
2.30 Om 10:10 uur heeft klager aan verweerder geschreven, voor zover relevant:
“(…)
Het is niet dat ik wensen had of vind dat de Rechtbank iets moet toestaan, zoals
ik gisteren uit heb gelegd. Zoals ik al zei, wil ik graag maar is het voor mij onmogelijk
vanwege de situatie en gebrek aan middelen om daar te komen. Heeft u dat kunnen doorgegeven
aan de Rechtbank? Zou u mij de contactgegevens kunnen geven van de rechtbank met de
zaaknummer.
Gisteren zei u in ons telefoongesprek dat u niet wist wat vorderingen waren van
de tegenpartijen of mijn dagvaarding. Ik heb hieronder gecontroleerd wanneer ik u
alle stukken had toegestuurd en dat was op 6 oktober 2022. Daarna heb ik uw nota betaald.
En u zou het dossier met alle informatie ook van de rechter moeten hebben ontvangen.
Ik heb vaker in de maanden daarna contact opgenomen, o.a. 11 oktober en 21 december
omdat ik niet wist of de zaak nog speelde omdat ik niets vernam. Zie bv ook 9 januari
waarin ik vraag of de stukken zou kunnen toesturen die u heeft ingediend bij de rechtbank.
Dus er zijn veel maanden geweest om de stukken te bestuderen en een antwoord te kunnen
formuleren. Uw nota is betaald. Daarin staat ook dat betaald moet worden voor de werkzaamheden
als ik zou winnen, maar er is dus niets gedaan tot nu toe. Ik heb er ook al deze maanden
actief achter aan gezeten om steeds te kijken of iets extra's nodig was, maar vernam
niets.
Als door deze omstandigheden de rechtbank nu geen (schriftelijk) verweer of reactie
op het antwoord van de tegenpartij zou toelaten, dan ben ik wel ernstig in mijn belangen
geschaad terwijl ik daar niets aan kan doen en alles heb gedaan om dat te voorkomen.
Ik kan daar niets aan doen omdat de tegenpartij en de kantonrechter via de verwijzing
wilden dat u als advocaat dat zou doen. Vandaar dat ik ook afgelopen maanden steeds
vroeg of ik u nog kon helpen. (…)”
2.31 Om 10.17 uur heeft verweerder aan klager de volgende e-mail gestuurd:
“Goede morgen, Het was alleen mogelijk geweest om stukken te overleggen. Niet om
een eigen verklaring of nadere toelichting te overleggen. Wat voor stukken hebt u
nog? Als u zelf verschijnt hebt u verder niets nodig. (…)”
2.32 Om 10.36 uur heeft verweerder aan klager het volgende bericht, voor zover
relevant:
“Geachte [klager],
Een inhoudelijke reactie kan dus alleen op de zitting. Ik kan mij niet voorstellen
dat u overigens nog producties zou hebben. Anders zou u die wel hebben overlegd, terwijl
een deel van de vordering juist het verkrijgen van de stukken betreft. (…)”
2.33 Om 11:12 uur heeft klager aan verweerder het volgende bericht, voor zover
relevant:
“Goedemorgen
Ik probeer een oplossing te regelen. Wat moet ik meenemen? In de dagbepaling stond
dit:
"Indienen van (proces)stukken
U kunt tot 10 dagen vóór de mondelinge behandeling nog aanvullende stukken indienen.
Met stukken die later worden ingediend hoeft de rechter geen rekening te houden."
Dat was een kans geweest om schriftelijk te reageren (omdat het bewijs overvloedig
is). Ik dacht dat u wellicht wat had ingediend, vandaar dat ik daar steeds vroeg.
Kan dat nu nog worden verzocht tijdens de zitting? (…)”
2.34 Om 11.22 uur heeft klager aan verweerder het volgende gestuurd:
“Ik had nog een inhoudelijke reactie op hun conclusie en vorderingen, met bewijs
en nog meer erkenningen dat wat zij hebben gezegd niet waar was.
Dat is uiterst belangrijk voor de oordeelvorming. Nu heeft de rechter uitsluitend
een dagvaarding”
2.35 Om 11.42 uur heeft klager aan verweerder de volgende e-mail gestuurd:
“Goedemorgen
Of u mij gelooft of niet, ik heb juist wel nieuwe erkenningen en bewijzen daarom
meldde ik u dat ook steeds. Ik kreeg maar geen reactie van u. Als u mij niet sinds
het begin geloofde, dan hadden we dat toch al lang kunnen oplossen. Nu meldt u dat
de dag van de zitting.
Kun u het zaaknummer geven voor als ik daar ben. Dank u”
2.36 Op 16 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden
waarbij klager en verweerder aanwezig zijn geweest.
2.37 Op 5 april 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen. De rechtbank heeft alle
vorderingen van klager in conventie en in incident afgewezen. Klager is veroordeeld
in de proceskosten en het salaris van de advocaat. De vorderingen in reconventie van
T c.s. zijn ook afgewezen waarbij T c.s. ook is veroordeeld in de proceskosten.
2.38 Bij e-mail van 1 december 2023 heeft klager aan verweerder gevraagd of er
al uitspraak is gedaan:
“L.S. Is in onderstaande zaak uitspraak gedaan? Zo ja, kunt u die toesturen ik heb
nooit iets hierover gehoord of ontvangen. (…)”
2.39 Op 13 december 2023 heeft verweerder aan klager per e-mail het volgende
bericht:
Uiteraard is deze uitspraak op 5 april 2023 gedaan, zoals ook aangekondigd tijdens
de mondelinge behandeling op 16 februari 2023. Mijn secretaresse heeft deze destijds
ook aan u toegezonden. Maar voor de goede orde zend ik u de uitspraak toe.”
2.40 Op 5 juni 2024 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de
deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat:
a) de kwaliteit van zijn dienstverlening onder de maat is geweest. Klager verwijt
verweerder dat hij geen (inhoudelijke) werkzaamheden voor hem heeft verricht. Dit
terwijl verweerder wel zijn werkzaamheden heeft gedeclareerd bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Klager heeft geen bespreking gehad met verweerder en/of een uitleg gekregen over zijn
zaak. Verweerder heeft hem nooit inhoudelijk geïnformeerd dan wel geadviseerd over
proceskansen in zijn zaak. Daarnaast heeft verweerder aan klager nooit een urenspecificatie
gestuurd voor zijn werkzaamheden. Via derden heeft klager uiteindelijk de urenspecificatie
moeten ontvangen.
b) hij geen nadere (bewijs)stukken heeft ingediend als reactie op de reconventionele
vordering en conclusie van antwoord van de wederpartij. Dit terwijl de rechtbank klager
daartoe wel in de gelegenheid heeft gesteld. Verweerder heeft ook nooit aan klager
gevraagd of hij nog een reactie had op de beweringen van de wederpartij en/of overleg
gevoerd met klager over stukken die voorafgaand aan de zitting nog moesten worden
ingediend. Verweerder heeft klager dan ook onjuist geïnformeerd over de mogelijkheden
om nog voorafgaand aan de zitting (schriftelijk) te kunnen reageren op de beweringen
van de wederpartij.
c) hij onvoorbereid is verschenen op de zitting. Ook was verweerder tijdens het
telefoongesprek met klager onvoldoende op de hoogte van de inhoud van zijn zaak. Uit
e-mails van verweerder blijkt dat hij inhoudelijk niets van de zaak afwist en verweerder
heeft ook zelf tegen klager gezegd niets van zijn zaak af te weten.
d) hij klager niet heeft geïnformeerd over het vonnis van de rechtbank van 5
april 2023. Ook heeft verweerder klager niet geïnformeerd over de inhoud en betekenis
van de uitspraak en de mogelijkheden voor het instellen van beroep tegen de uitspraak.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht dat deze de cliënt
naar behoren op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang
belemmeren.
5.3 Gedragsregel 16 bepaalt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te
brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand,
onzekerheid en geschil, dient hij belangrijke afspraken schriftelijk aan de cliënt
te bevestigen.
Klachtonderdelen a) en b)
5.4 De raad ziet in de inhoud van de klachtonderdelen a) en b) aanleiding voor
een gezamenlijke beoordeling. In klachtonderdeel a) verwijt klager verweerder kort
gezegd dat hij geen (inhoudelijke) werkzaamheden voor hem heeft verricht, maar wel
heeft gedeclareerd. In klachtonderdeel b) verwijt klager verweerder dat hij geen stukken
heeft ingediend als reactie op de stukken van de wederpartij, terwijl de rechtbank
klager daartoe wel in de gelegenheid had gesteld. Verweerder heeft klager ook onjuist
geïnformeerd over zijn mogelijkheden om nog voorafgaand aan de zitting stukken in
te dienen.
5.5 De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier en de overgelegde
correspondentie vast dat verweerder tussen het verzoek van klager om rechtsbijstand
op 5 oktober 2022 en het incidentele vonnis van de rechtbank van 21 december 2022
geen werkzaamheden voor klager heeft verricht. Verweerder heeft in deze periode (los
van het sturen van de opdrachtbevestiging) niets van zich laten horen, terwijl klager
op 11 oktober 2022 en op 21 december 2022 nog bij verweerder naar de stand van zaken
heeft gevraagd en verweerder heeft geattendeerd op een mogelijk relevant stuk. Echter
ook hierop is door verweerder niet gereageerd. Na het vonnis van 21 december 2022
blijkt naar het oordeel van de raad evenmin dat er door verweerder voortvarend is
opgetreden. Op 9 januari 2023 heeft klager bij verweerder gevraagd om toezending van
stukken die verweerder bij de rechtbank zou hebben ingediend, maar verweerder heeft
ook hierop niet gereageerd. Op 15 januari 2023, één dag voor de mondelinge behandeling
van de zaak, hebben klager en verweerder telefonisch overleg gevoerd. Verweerder heeft
hierover op 16 januari 2023 (de dag van de mondelinge behandeling) een e-mailbericht
aan klager gestuurd. In dit bericht schrijft hij onder meer dat er geen gelegenheid
is geweest om nog nadere stukken in te dienen en dat hij, als dat wel zo was geweest,
hierover contact zou hebben opgenomen met klager. Klager heeft vervolgens dezelfde
dag, voorafgaande aan de mondelinge behandeling, in verschillende berichten aan verweerder
om verduidelijking gevraagd. Daarbij heeft hij verweerder gewezen op een eerder bericht
van de rechtbank waarin is gewezen op het nog kunnen indienen van stukken. Ook hierop
is door verweerder niet meer gereageerd, waarna de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden
en de vorderingen van klager bij vonnis van 5 april 2023 zijn afgewezen.
5.6 Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de raad dat verweerder klager
niet althans onvoldoende duidelijk heeft geïnformeerd over zijn proceskansen, alsmede
onvoldoende duidelijk en ook onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid tot het
indienen van stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Dat, zoals door verweerder
is aangevoerd, klager zelf de dagvaarding heeft opgesteld en de procedure wilde voeren,
maakt dit niet anders. Het is de advocaat die dominus litus is en die een rechtzoekende
actief dient te informeren, juist ook over diens proceskansen. Tevens dient een advocaat
indachtig gedragsregel 16 zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie,
feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid en geschil, moet
hij belangrijke afspraken schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Ook deze gedragsregel
heeft verweerder niet in acht genomen. Verweerder heeft de afspraken over te verrichten
werkzaamheden niet goed schriftelijk vastgelegd waardoor hierover bij klager tot aan
de behandeling ter zitting onduidelijkheid bestond.
5.7 Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat hij slechts als “procureur” voor
klager optrad en hem de zaak ook overigens niet kansrijk leek, overweegt de raad dat
verweerder in dat geval gehouden was om de overeengekomen bijstand en zijn zienswijze
ten aanzien van de proceskansen ook (schriftelijk) zo aan klager te bevestigen. Daarbij
had het op de weg van verweerder gelegen om de zaak van klager om die reden niet aan
te nemen of zich in ieder geval (op enig moment) aan de zaak te onttrekken.
5.8 De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat de dienstverlening van
verweerder ondermaats is geweest. Verweerder heeft niet gehandeld met de zorgvuldigheid
die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De klachtonderdelen
a) en b) zijn daarom gegrond.
Klachtonderdeel c)
5.9 De raad kan op grond van de inhoud van het klachtdossier niet vaststellen
dat verweerder onvoorbereid ter zitting van 16 januari 2023 zou zijn verschenen. Dit
verwijt wordt door verweerder ook betwist. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht
dat zijn rol tijdens de zitting beperkt was tot de begeleiding van klager ten aanzien
van de reconventionele vorderingen. Klager was zelf het beste in staat om deze vorderingen
van een feitelijke toelichting te voorzien. Hiertoe is klager ter zitting ook voldoende
in de gelegenheid gesteld. Naar het oordeel van de raad volgt uit het voorgaande niet
dat verweerder (daarom) niet goed voorbereid zou zijn geweest of dat hij onvoldoende
kennis droeg van de inhoud van de zaak.
5.10 Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.11 Klager verwijt verweerder dat hij het vonnis van de rechtbank nooit aan
hem heeft toegestuurd. Ook heeft verweerder klager nooit inhoudelijk geïnformeerd
over het vonnis en hem daarbij een uitleg gegeven.
5.12 De raad overweegt als volgt. Tegenover de stelling van klager dat hij het
vonnis niet van verweerder heeft ontvangen, heeft verweerder aangevoerd dat hij dit
vonnis per brief van 5 april 2023 aan klager heeft verzonden maar dat deze brief (kennelijk)
niet bij klager is aangekomen. Nu niet valt uit te sluiten dat het is gegaan zoals
verweerder heeft aangevoerd en de raad ook overigens niet kan vaststellen of verweerder
het vonnis inderdaad niet aan klager zou hebben verstrekt, is dit deel van klachtonderdeel
d) in zoverre ongegrond.
5.13 Wat de raad wel verwijtbaar acht, is dat klager onweersproken heeft gesteld
dat verweerder geen enkele toelichting heeft gegeven bij het vonnis en klager ook
niet heeft geïnformeerd over zijn hoger beroepsmogelijkheden. Dit had wel op de weg
van verweerder, in zijn hoedanigheid als (voormalig) advocaat van klager, gelegen.
Nu verweerder dit heeft nagelaten te doen, is naar het oordeel van de raad sprake
van onzorgvuldig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel d) is daarom
voor het overige gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De gegronde klachtonderdelen zien op de kwaliteit van de dienstverlening
van verweerder aan klager. Deze was onder de maat. Verweerder heeft klager niet op
de hoogte gehouden van het procesverloop, hij heeft gemaakte afspraken niet schriftelijk
vastgelegd, niet gereageerd op e-mails en herhaalde verzoeken om contact van klager,
klager niet geïnformeerd over zijn hoger beroepsmogelijkheden en hem onjuist geïnformeerd
over de mogelijkheid tot indiening van stukken. Verweerder is daarmee tekortgeschoten
in de behartiging van de belangen van klager en dat is onzorgvuldig en onbetamelijk.
De verweten gedragingen raken aan de kernwaarden deskundigheid en integriteit.
6.2 Alhoewel verweerder ter zitting wel enig inzicht heeft gegeven in zijn handelen,
neemt dit niet weg dat zijn gedragingen ernstig verwijtbaar zijn. Mede gelet ook op
de eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen van verweerder, waarbij hem op 17 juli
2024 door het Hof van Discipline een berisping is opgelegd, acht de raad het opleggen
van een voorwaardelijke schorsing van vier weken thans passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a) en b) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) gegrond;
- verklaard klachtonderdeel d) deels gegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) ongegrond en klachtonderdeel d) voor het overige
ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een schorsing voor de duur van vier weken
op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van
discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende algemene
voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden
proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde
gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van 2 jaren, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt.
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. M. Bootsma en N.M.K. Damen, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 september 2025