ECLI:NL:TADRAMS:2025:160 Raad van Discipline Amsterdam 25-126/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:160 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-09-2025 |
| Datum publicatie: | 19-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-126/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 15 september 2025
in de zaak 25-126/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 7 april 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
gemachtigde: mr. J. Mencke
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 20 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 354452/JS/AS
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 7 april 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing
is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4 Op 22 april 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 14 juli 2025. Daarbij
waren de heer Vissers, verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klaagster raakte niet al op 30 maart 2021 bekend met het verwijtbaar handelen
van verweerder. Dit was pas bij de oproep in vrijwaring op 17 juli 2023. Er is sprake
van een uitzonderingssituatie waarin de gevolgen van het handelen van de advocaat
pas na de reguliere vervaltermijn (van drie jaar) aan het licht zijn gekomen. De klacht
is op 1 juli 2024 ingediend, derhalve binnen één jaar na 17 juli 2023.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet
slagen en dat hierover reeds in de voorzittersbeslissing is geoordeeld. De voorzitter
heeft bij deze beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden
met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Zij heeft de klacht dus
terecht, op juiste gronden en met toepassing van artikel 46g Advocatenwet niet-ontvankelijk
bevonden.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. M. Bootsma en N.M.K. Damen, leden, bijgestaan door mr. E. E. Wouters als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 september 2025