ECLI:NL:TADRAMS:2025:158 Raad van Discipline Amsterdam 25-149/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:158 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-09-2025 |
| Datum publicatie: | 12-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-149/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is gegrond. Verweerder heeft met zijn handelen het bepaalde in gedragsregel 25 lid 1 geschonden. Gelet op de ernst van de herhaalde verwijtbare gedraging door verweerder, acht de raad de oplegging van een waarschuwing passend. De raad heeft daarbij in het voordeel van verweerder meegewogen dat hij heeft ingezien dat dit anders had gemoeten en zijn excuses heeft aangeboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 8 september 2025
in de zaak 25-149/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
gemachtigde: mr. S.A. van Santen
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 23 september 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 5 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2377714/JS/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 juni 2025. Daarbij
waren klager 3 en klager 4 (ook in hun hoedanigheid van bestuurders van klagers 1
en 2) met hun gemachtigde, als ook verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klagers hebben een ondernemingsrechtelijk geschil met WM BV (hierna: WM).
2.3 Verweerder staat WM in dit geschil bij. Klagers worden bijgestaan door mr.
S (tevens hun gemachtigde in deze procedure).
2.4 Op 1 augustus 2024 is er namens WM executoriaal beslag gelegd op de aandelen
die klagers 1 en 2 zouden hebben in PP BV (hierna: PP) en E BV (hierna: E) (hierna
samen te noemen: de vennootschappen).
2.5 Bij de executoriale beslagleggingen zijn de vennootschappen gesommeerd de
aandeelhoudersregisters binnen 24 uur ter beschikking te stellen aan de deurwaarder.
2.6 In een e-mailbericht van 5 augustus 2024 heeft verweerder aan mr. S, met
klagers 3 en 4 in de cc, geschreven, voor zover relevant:
“Dag Confrère,
Zie onderstaand. Kunt u het ertoe leiden dat de aandeelhoudersregisters alsnog morgen
aan de deurwaarder ter beschikking worden gesteld? De heren [klagers 3 en 4] hebben
nl. ook al niet aan de 1e sommatie gehoor gegeven.
Graag een afschrift per e-mail naar mij morgen. Waarvoor dank.
Gezien de urgentie en de sommatie zet ik bij deze e-mail de heren in de cc.”
De bijlage bij het e-mailbericht betreft een e-mailbericht van eveneens 5 augustus
2024 van de deurwaarder aan klagers 3 en 4 (met verweerder in de cc), waarin zij worden
gesommeerd de aandeelhoudersregisters van de vennootschappen binnen 24 uur ter beschikking
te stellen.
2.7 Mr. S heeft dezelfde dag op het bericht van verweerder gereageerd en verweerder
verzocht om klagers niet meer rechtstreeks te benaderen. Hij heeft in zijn bericht
hierover aan verweerder geschreven:
“Geachte confrère,
Uw bericht zal ik met cliënten bespreken.
Gelet op Gedragsregel 25 verzoek u vriendelijk, maar wel dringend om mijn cliënten
niet meer rechtstreeks te benaderen!”
2.8 Hierna is er tussen de deurwaarder, mr. S en verweerder, klagers 3 en 4 in
de cc verder gecorrespondeerd over het verstrekken van de aandeelhoudersregisters.
2.9 Op 8 augustus 2024 om 13:00 uur heeft de deurwaarder in een e-mailbericht
aan mr. S, met verweerder in de cc, geschreven dat klagers de benodigde informatie
alsnog dezelfde dag voor 17:00 uur moeten verstrekken.
2.10 In een hierop volgend e-mailbericht van 8 augustus 2024 om 13:26 uur heeft
verweerder namens WM klagers 3 en 4 een rechtstreekse e-mail gestuurd. In het bericht
worden klager 3 en klager 4 persoonlijk aansprakelijk gesteld, indien mocht blijken
dat in weerwil van de executoriale beslagen de betreffende aandelen toch zouden worden
geleverd aan een derde. Mr. S staat in de cc van deze e-mail genoemd. Verweerder schrijft
in het bericht, voor zover relevant:
“BELANGRIJK !! AANSPRAKELIJKHEIDSTELLING !!
Geachte [klagers 3 en 4],
(…)
Ik weet niet of [mr. S] uw advocaat is, maar ik zet hem toch gemakshalve in de cc.”
2.11 Mr. S heeft hierop dezelfde dag per e-mail aan verweerder geschreven, voor
zover relevant:
‘Geachte confrère,
Ik sta [klagers 3 en 4] ook in privé bij. Alle correspondentie in het vervolg dan
ook graag uitsluitend aan mij richten. Daarbij wijs ik u ook op Gedragsregel 25 lid
1.
Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [klagers 3 en 4],, dan wel [klagers
1 en 2], vermogensbestanddelen waarop beslag ligt, aan het beslag zullen onttrekken.
Hierbij de bevestiging dat dit niet zal gebeuren. Er is dan ook geen sprake van (dreigende)
aansprakelijkheid, noch schade aan de zijde van [WM]. [WM] heeft dus geen recht en
belang bij het leggen van conservatoir beslag.”
2.12 Op 12 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding
bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) plaatsgevonden.
2.13 Op 26 augustus 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de kortgedingprocedure.
2.14 Op 30 augustus 2024 heeft verweerder klagers 3 en 4 , met mr. S in kopie,
het volgende e-mailbericht gestuurd, voor zover relevant:
“ZEER URGENT
Mijne Heren [klagers 3 en 4], in hoedanigheid van bestuurder van [PP] en in privé.
Bijgaand namens [WM] mijn brief aan [PP] en aan u in persoon en privé.
Gezien de urgentie adviseer ik u direct kennis te nemen van de inhoud van de brief.
De brief bevat een tweetal sommaties en aansprakelijkheidsstellingen. Om die reden
stuur ik u deze brief rechtstreeks.
Uw drie advocaten staat in de cc.’
‘[..]”
2.15 Mr. S heeft verweerder dezelfde dag (wederom) per e-mailbericht gewezen
op het rechtstreeks benaderen van klagers. Hij heeft hierover aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“(…)
Dan nog het volgende. Het valt mij op dat u bij herhaling de gedragsregels schendt.
Eerder heb ik u aangegeven dat ik [klagers 3 en 4] ook in privé bijsta (…). In weerwil
van dat bericht benadert u wederom mijn cliënten rechtstreeks. De uitzondering van
gedragsregel 25 lid 2 gaat ten aanzien van de door u gestuurde brief overigens niet
op, zie het slot van die bepaling en de toelichting daarop.
Ik verzoek u daarom nogmaals vriendelijk de gedragsregels na te leven, bij gebreke
waarvan ik cliënten zal adviseren hier verder tegen op te treden. Het lijkt mij evenwel
zonde als het zover moet komen en ga er dan ook vanuit dat dit niet nodig is.”
2.16 Hierna is nader gecorrespondeerd over het verstrekken van de aandeelhoudersregisters.
2.17 In een e-mailbericht van 18 september 2024 om 09:11 uur heeft mr. S aan
de deurwaarder, met cc aan verweerder, geschreven:
“Inmiddels hebben wij contact gehad met de griffie van de rechtbank (…)en daaruit
volgt dat er door [WM] niet (tijdig) een verzoekschrift is ingediend als bedoeld in
artikel 474g lid 1 Rv. Dat betekent dat de beslagen die [WM] ten laste van [klager
1] en [klager 2] heeft gelegd op de aandelen die zij houden in [PP] respectievelijk
[E], van rechtswege zijn komen te vervallen.
De verplichting om medewerking te verlenen aan het maken van een aantekening in
het aandeelhoudersregister van [PP] respectievelijk [E] is daarmee komen te vervallen.
Deze kwestie is daarmee dus ook afgerond.”
2.18 Op 18 september 2024 om 14:48 uur heeft verweerder aan mr. S, met klagers
3 en 4 in de cc, geschreven, voor zover relevant:
‘URGENT en PERSOONLIJKE AANSPRAKELIJKHEIDSTELLING [klager 3 en klager 4]:
“(…)
Indien [klager 3] en/of [klager 4] in weerwil van de beslagleggingen, al dan niet
via hun vennootschappen, toch overgaan tot verkoop van de aandelen dan stel ik hen
op voorhand aansprakelijk voor alle schade die [WM] en haar betrokkenen daardoor zullen
lijden.
Gezien die aansprakelijkheid en de urgentie van de zaak staan de heren in cc.
(…)”
2.19 Op 20 september 2024 hebben klagers een klacht tegen verweerder ingediend
bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder dat hij hen zonder toestemming op 5 augustus 2024, 8 augustus 2024, 30
augustus 2024 en 18 september 2024 rechtstreeks, dan wel in kopie, heeft aangeschreven,
terwijl hij wist dat klagers werden vertegenwoordigd door een advocaat.
3.2 De raad zal de klacht hierna op de klacht ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 In gedragsregel 25 lid 1 staat dat een advocaat die zich in verbinding wil
stellen met een wederpartij waarvan hij weet dat deze wordt bijgestaan door een advocaat,
dit slechts doet door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze hem toestemming heeft
verleend zich rechtstreeks tot de wederpartij te wenden. In het tweede lid van gedragsregel
25 staat dat dit wel mag, wanneer het aanzegging betreft die, om het daarmee beoogde
rechtsgevolg te kunnen bewerkstelligen, niet anders gedaan kan worden dan rechtstreeks
aan de andere partij en op voorwaarde dat de mededeling beperkt blijft tot deze aanzegging
met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door
zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering
niet.
5.3 De raad stelt vast dat verweerder mr. S op 5 augustus 2024 heeft aangeschreven,
met kopie (cc) aan klagers 3 en 4. Mr. S heeft hierop dezelfde dag gereageerd met
een verzoek aan verweerder om zijn cliënten (klagers 3 en 4) gelet op het bepaalde
in gedragsregel 25, niet meer rechtstreeks te benaderen. Nadat er vervolgens verder
is gecorrespondeerd tussen verweerder, mr. S en de deurwaarder, heeft verweerder klagers
in een e-mailbericht van 8 augustus 2024 nogmaals rechtstreeks benaderd met een persoonlijke
aansprakelijkheidsstelling, wederom met mr. S in de cc. Ook op dit bericht heeft mr.
S dezelfde dag gereageerd met een bericht aan verweerder dat hij klagers 3 en 4 ook
in privé bijstaat en dat hij verweerder daarom (nogmaals) verzoekt hen niet meer rechtstreeks
te benaderen. Mr. S heeft verweerder daarbij nogmaals gewezen op het bepaalde in gedragsregel
25. In weerwil van dit bericht heeft verweerder klagers 3 en 4 hierna nogmaals, en
wel op 30 augustus 2024, rechtstreeks aangeschreven (met mr. S in de cc). Ook hierop
heeft mr. S verweerder dezelfde dag verzocht om de gedragsregels na te leven, waarbij
hij opmerkt dat de uitzondering van gedragsregel 25 lid 2 hier niet aan de orde is.
Nadat verder is gecorrespondeerd, heeft verweerder op 18 september 2024 mr. S nogmaals
een aansprakelijkheidsstelling gestuurd ten aanzien van klager 3 en klager 4, waarbij
klager 3 en klager 4 zijn meegenomen in de cc.
5.4 De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder gedragsregel
25 lid 1 heeft geschonden. Nadat verweerder klagers eerst op 5 augustus 2024 rechtstreeks
had benaderd en hij hierop meteen door mr. S was aangesproken, had verweerder de onjuistheid
van zijn handelen moeten inzien. Echter ook hierna heeft verweerder klagers meermaals
(te weten op 8 augustus 2024, 30 augustus 2024 en op 18 september 2024) rechtstreeks
dan wel in kopie aangeschreven. Daarbij heeft mr. S verweerder steeds weer gewezen
op de gedragsregels en hem verzocht zijn cliënten niet meer rechtsreeks te benaderen.
Desondanks is verweerder hiermee blijven doorgaan. Dat verweerder mr. S in zijn berichten
in kopie heeft meegenomen, doet aan het voorgaande niet af. Het is op grond van het
bepaalde in gedragsregel 25 lid 1 niet toegestaan om een wederpartij rechtstreeks
te benaderen, ook niet met de advocaat van de wederpartij in kopie. Van een aanzegging
met rechtsgevolg die geen werking zou hebben als die niet rechtstreeks aan klagers
zou worden gestuurd als bedoeld in lid 2 van voormelde gedragsregel, was in dit geval
geen sprake. Het is de raad bovendien niet gebleken dat bij verweerder het vermoeden
kon ontstaan dat mr. S geen contact met zijn cliënten kon krijgen en dat hij hen om
die reden rechtstreeks diende te benaderen, zoals verweerder nog heeft aangevoerd.
5.5 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat de klacht gegrond is.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft met zijn handelen het bepaalde in gedragsregel 25 lid 1
geschonden. Gelet op de ernst van de herhaalde verwijtbare gedraging door verweerder,
acht de raad de oplegging van een waarschuwing passend. De raad heeft daarbij in het
voordeel van verweerder meegewogen dat hij heeft ingezien dat dit anders had gemoeten
en zijn excuses heeft aangeboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven
binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klagers,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen
twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klagers,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 september 2025