ECLI:NL:TADRAMS:2025:156 Raad van Discipline Amsterdam 24-838/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:156 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-09-2025 |
| Datum publicatie: | 12-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 24-838/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Klager heeft van verweerder geen hulp gekregen bij de problemen waarvoor hij zich tot verweerder had gewend. Verweerder had de standaard-ingebrekestelling niet mogen versturen en hij had klager hiervoor ook niet mogen laten betalen. De kwaliteit van de door verweerder geleverde dienst is duidelijk onder de maat geweest. Verweerder lijkt zijn fout bovendien maar nauwelijks in te willen zien. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel neemt de raad ook in aanmerking hetgeen is overwogen en beslist in de andere in de beslissing genoemde klachtzaak en het dekenbezwaar tegen verweerder, die gelijktijdig met de onderhavige klachtzaak bij de raad aanhangig zijn. Gezien de aard, de ernst en de omvang van het dekenbezwaar en van de (gegrond bevonden) klachten, in samenhang met eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen, en gelet op het vertrouwen dat in de advocatuur moet kunnen worden gesteld, is de raad van oordeel dat schrapping van het tableau van verweerder dient te volgen. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 8 september 2025
in de zaak 24-838/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 19 november 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 365339/BRS/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht stond aanvankelijk gepland op de zitting van de raad van 3 maart
2025. Op verzoek van verweerder is de behandeling toen aangehouden en hierna bepaald
op 23 juni 2025. Bij de behandeling was verweerder aanwezig. Klager is (met bericht
van afwezigheid) niet ter zitting verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 Ter zitting zijn ook twee andere zaken tegen verweerder - elk afzonderlijk
van elkaar - behandeld, te weten een andere klachtzaak (24-763/A/A) en een dekenbezwaar
tegen verweerder (25-003/A/A).
1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft in september 2023 een auto gekocht. Toen zich problemen voordeden
met de auto heeft klager zich beroepen op zijn wettelijke garantie, maar de autoverkoper
wilde daaraan niet meewerken.
2.3 Op 3 juni 2024 heeft klager zich via de website van Stichting Wettelijke
Garantie gemeld bij verweerder.
2.4 Op 4 juni 2024 heeft een medewerker van verweerder klager gevraagd om aanvullende
informatie te verstrekken. Klager heeft dat dezelfde dag nog gedaan.
2.5 Op 6 juni 2024 hebben partijen een gesprek gevoerd. Verweerder heeft klager
daarna een uitgebreide e-mail gestuurd, naar aanleiding van gegevens die klager verweerder
had voorgelegd.
2.6 In de periode tot begin juli 2024 heeft klager zelf met de garage gecorrespondeerd
over de reparatie van de auto. Op 2 juli 2024 heeft de garage aan klager laten weten
dat de auto klaar is. De reparatiekosten zijn € 1.936,-. Op 4 juli 2024 heeft klager
de garage laten weten dat de kwestie over de verdeling van de kosten zal worden overgenomen
door zijn advocaat.
2.7 Op 26 juni 2024 heeft klager het volgende geschreven aan verweerder:
”Afgelopen weken heeft u mij advies gegeven betreft mijn auto. Autobedrijf (…) wil
alleen meewerken als de kosten 50/50 worden verdeeld. Ook heb ik contact gezocht met
bovag. Z[ij] gaven aan dat [de garage] de kosten voor de reparatie moet betalen. Ik
vraag hierbij u om me te helpen met deze situatie.”
2.8 Op 3 juli 2024 om 15.41 uur heeft klager het volgende bericht gestuurd aan
het kantoor van verweerder:
“Helaas kom ik er niet uit met [garage]. (…) Heel vreemd maar gisteren kreeg ik
opeens mail dat de auto klaar was. (Totaalprijs is 1936,- euro. Wij nemen 50% dit
komt uit op 968). (…) Zonder dat ik akkoord ben gegaan met de reparatie gaan z[ij]
de auto maken. En dit bedrag ga ik ook zeker niet betalen. Ik heb ook besloten om
geen telefonisch contact meer met [garage]. Over de mail zo vriendelijk. Maar over
de telefoon dreigend!. Daarom wil ik nu jullie graag inschakelen.”
2.9 Een medewerker van verweerder heeft hierop op 3 juli 2024 geantwoord met:
“Vervelend om te horen dat u er niet uitkomt met de verkoper. Om van onze hulp gebruik
te kunnen maken heb ik meer duidelijkheid nodig. Indien u akkoord gaat met fase 1
ontvang ik graag een van onderstaande antwoorden als reactie op deze mail. ‘akkoord
met fase 1 + betaling vaste prijs voor fase 1 ineens met korting’ of ‘akkoord met
fase 1 + betaling vaste prijs voor fase 1 in termijnen zonder korting’.”
2.10 Bij e mailbericht van 4 juli 2024 stuurt klager de e-mailcorrespondentie
met de garage aan het kantoor van verweerder.
2.11 In zijn e-mail aan verweerder van 9 juli 2024 heeft klager nog eens kort
toegelicht wat er is gebeurd met de auto en de garage. Klager heeft onder meer geschreven:
“Zonder toestemming en zonder prijs hebben ze mijn auto gemaakt. Dit was niet de
afspraak! (…) Ik hoop dat u mij kunt helpen.”
2.12 Diezelfde dag stuurt klager verweerder een e-mail met de volgende inhoud:
“Vanochtend heeft de bovag contact opgenomen via de mail. Ook z[ij] zijn niet blij
met deze situatie, en ze hebben gevraagd of ik het goed vind dat ze contact met [garage]
(…) opnemen en of ze eventueel kunnen bemiddelen over deze situatie. Ik heb vanochtend
gezegd dat dit prima is. Maar wat vind u hier van?“
2.13 Op 10 juli 2024 om 14:52 uur heeft verweerder klager een opdrachtbevestiging
van 24 pagina’s en de algemene voorwaarden gestuurd. Uitgangspunt in dit bericht is
dat de garage in gebreke wordt gesteld, gelegenheid krijgt tot herstel en dat anders
wordt ontbonden.
2.14 Op 10 juli 2024 om 14.53 heeft verweerder klager een factuur (2994) gestuurd
voor een bedrag van € 499,-.
2.15 Op 10 juli 2024 om 14:55 uur heeft klager een e-mail van het kantoor van
verweerder ontvangen met de volgende inhoud:
“Op welke manier wil deze derde partij bemiddelen? Dit heeft in principe geen invloed
op het aanschrijven van de verkoper. Deze brief wordt vandaag nog verstuurd naar de
verkoper.”
2.16 Op 10 juli 2024 heeft verweerder om 16.21 uur een ingebrekestelling gestuurd
naar de garage. Om 16:22 uur heeft een medewerker van verweerder een afschrift daarvan
aan klager gestuurd.
2.17 Klager heeft diezelfde dag om 18:21 uur per e-mail onder meer als volgt
gereageerd:
“(…) Voor er allemaal mails de deur uit gaan wil ik wel even dat alles duidelijk
en overzichtelijk is. Ik ben namelijk niet heel bekend met deze dingen. En wil graag
van te voren weten of er uberhaupt kans van slagen is. (…)
Nu wil [garage] ik 968.- ga betalen, zonder dat ik toestemming heb gegeven voor
de reparatie. Hier ga ik dus niet mee akkoord. (…)
Mijn range rover staat momenteel nog bij [garage]. ze willen de auto niet bij me
brengen tenzij ik de rekening van 968 ga betalen. Dit ga ik dus niet doen.
Daarom heb ik de hulp van u ingeschakeld. Ik wil mijn auto terug. Ik hoop dat u
me kunt helpen en dat u een kans ziet dat ik gelijk krijg met deze zaak.”
2.18 Op 11 juli 2024 heeft een medewerker van verweerder klager erop gewezen
dat hij nog niet had laten weten of hij akkoord is met de kosten van fase 1. Klager
heeft hierop aan verweerder laten weten: “akkoord met fase 1 + betaling vaste prijs
voor fase 1 ineens met korting”.
2.19 Op 11 juli 2024 heeft klager de factuur betaald.
2.20 In een e-mail van 14 juli 2024 aan verweerder heeft klager de gebeurtenissen
rondom de aanschaf van en de problemen met de auto op een rij gezet.
2.21 Op 22 juli 2024 heeft een medewerker van verweerder aan klager laten weten
dat de aanvraag voor een toevoeging is afgewezen. In het bericht staat, naast uitleg
over toevoegingen, het volgende:
“(…) Eventuele vervolgstappen na de ingebrekestelling moet u ook zelf betalen omdat
u geen recht hebt op steun van de overheid. Bijvoorbeeld het dagvaarden van de Verkoper.
Voor het opstellen van de dagvaarding geldt doorgaans dezelfde vaste prijs. Bij het
volgende beslismoment zal hiervoor contact met u worden opgenomen. (…)”
2.22 Op 24 juli 2024 heeft de gemachtigde van de garage gereageerd.
2.23 Op 26 juli 2024 om 19.34 uur heeft een medewerker van verweerder klager
een e-mailbericht gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Zie hieronder de ontvangen reactie op de ingebrekestelling.
De Verkoper wijst de ingebrekestelling af vanwege het feit dat de reparatie reeds
is uitgevoerd en met u afspraken zijn gemaakt over de kosten.
Van deze ontwikkelingen hebben wij pas later kennis genomen, waardoor daar nog geen
rekening mee is gehouden in de verzonden ingebrekestelling.
Verkoper heeft kennelijk een tegenvordering, bestaande uit de helft van de reparatiekosten
ad € 968,-.
De beperkte beoordeling van de ontvangen reactie is dat in eerste instantie de grondslag
en de verschuldigdheid van de tegenvordering betwist zal moeten worden alvorens een
inschatting gemaakt kan worden over vervolgstappen met betrekking tot het beroep op
non-conformiteit. In hoeverre mijn kantoor daarin iets voor u kan betekenen, zal ik
nog moeten overleggen met mijn collega's. Om bovenstaande redenen heb ik nog geen
vervolg kunnen bepalen in deze zaak. In ieder geval geldt dat de 'reguliere' fase
2 niet zonder meer kan/hoeft worden ingezet. De auto is immers al hersteld. Het lijkt
nu alleen nog te gaan om de kosten van herstel. Een en anders is voornamelijk afhankelijk
of Verkoper juridische stappen zal ondernemen. Neem zelf alvast kennis van de inhoud
van de bijlage en laat mij weten wat u ervan vindt.
De handelingen van de vaste prijs van fase 1 zijn voltooid. Vanaf nu geldt het uurtarief
voor de bestede tijd (€ 181,50 – € 363 inclusief btw). Behoudens tegenbericht zetten
wij onze werkzaamheden voort (voor zover mogelijk) en staan wij klaar om u verder
te helpen.”
2.24 Op 26 juli 2024 om 20.31 uur heeft klager verweerder het volgende geschreven:
“Dit heb ik u meerdere keren gemaild. En ook is dit telefonisch besproken tijdens
het video gesprek. Dat de auto al gemaakt is zonder toestemming. Punt 1 = Ik ben nooit
akkoord gegaan met de reparatie! [Garage] zou me eerst op de hoogte van de kosten
houden alvorens er wordt gerepareerd. Dat is dus niet gebeurd! Dit heb ik u ook verteld.
En dit is ook te lezen in de mails! (…). Ik verwacht dat dit wordt opgelost. Ik heb
u dit meerdere keren verteld.”
2.25 Om 20.43 uur heeft klager nog toegevoegd dat hij baalt van de communicatie
met het kantoor van verweerder.
2.26 Op 28 juli 2024 heeft klager het volgende geschreven aan verweerder:
“Ik vind het heel erg jammer hoe het is gegaan. Ik begrijp dat u het druk heeft
maar ik had u al gemaild op 3 juli dat [garage] de auto gerepareerd heeft terwijl
we afgesproken hadden dat ik van tevoren geïnformeerd zou worden over wat de kosten
ongeveer zullen zijn. Dit hebben ze namelijk zelf ook bevestigd in een verzonden mail.
Wij houden u op de hoogte van de kosten alvorens er wordt gerepareerd. Factuur is
geen probleem. En dit is dus niet gebeurd. Dit mag toch niet zomaar? Ik ben er zo
langzaamaan wel klaar mee. Ik heb nog 1 voorstel. Ik betaal die 968.- euro. Maar dan
moet [garage] de auto bij mij thuis afleveren. Dan kan ik dit afsluiten. Wat vind
u hier van?”
2.27 Op 30 juli heeft klager aan verweerder bericht dat hij zelf al contact heeft
opgenomen met de gemachtigde van de garage.
2.28 Bij e-mail van 31 juli 2024 heeft klager gemotiveerd aan verweerder laten
weten dat hij ontevreden is over de bijstand en dat hij zijn geld terug wil.
2.29 Bij e-mail van 2 augustus 2024 aan verweerder heeft klager uitgebreid gemotiveerd
zijn ongenoegen over de bijstand van verweerder kenbaar gemaakt en laten weten dat
hij het betaalde graag terug ontvangt:
“Bij deze wil ik u op de hoogte brengen dat ik mijn kosten van dossiernummer D1082
graag terug wil. Dit heeft er mee te maken dat de mails die ik naar u gemaild heb
niet goed zijn doorgenomen. Ook is er niet goed gecommuniceerd tussen u en uw medewerkers.(…)
Sorry hoor maar hier ga ik niet mee akkoord, dit is een beroepsfout. U heeft als
advocaat een voorbeeldfunctie. En u had vanaf 3 juli al kunnen zeggen dat u mij niet
met deze zaak kunt helpen. Ik heb meerdere keren duidelijk verteld hoe de situatie
er bij ligt! Ik kan er niks aan doen dat jullie op kantoor niet goed communiceren.
Nu heb ik onnodig kosten gemaakt terwijl ik eigenlijk jullie hulp dus niet nodig had.
Had dit dan gewoon gezegd, zo had ik door kunnen schakelen. Ik wil mijn geld of een
deel ervan terug. Dit omdat het jullie fout is, dat de mails niet goed zijn doorgenomen.
(…)”
2.30 Op 2 augustus 2024 om 23.34 uur heeft verweerder het volgende aan klager
geschreven:
“Uw aantijgingen aan mijn adres zijn fors en ik zie dat u al veel hebt geschreven,
maar dat u zich niet gehoord voelt. Ik wil de situatie oplossen nadat ik u gesproken
heb. Ik stel voor om een langer telefoongesprek te plegen met elkaar, bijvoorbeeld
op dinsdag 13 augustus 2024 tussen 14:00 en 20:00 uur. Laat u het mij even weten of
dat schikt en of een voorkeurstijdstip bestaat waar ik rekening mee kan houden? Op
diezelfde dag kunnen wij ook bijeen komen bij mij op kantoor. Beide opties bied ik
u aan en ik hoor graag waar uw voorkeur naar uit gaat.”
2.31 Op 4 augustus 2024 heeft klager laten weten dat bellen volgens hem geen
zin heeft, omdat volgens hem alles wel duidelijk is.
2.32 Op 6 augustus 2024 om 13.26 uur heeft een medewerker van verweerder het
volgende aan klager geschreven:
“Er is al veel geschreven en in uw reactie voegt u daar aan toe. Bellen is dan verstandiger.
Evengoed. Er is geen beroepsfout gemaakt. U wilt een voorstel; wat wilt u?”
2.33 Om 22.04 uur heeft klager gereageerd en geschreven dat de bijstand van verweerder
en zijn collega’s ontoereikend was.
2.34 Op 11 augustus 2024 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven:
“Helaas heb ik nog geen antwoord van u ontvangen. Ik wil graag dat het probleem
wordt opgelost. Door uw kantoor zijn er namelijk fouten gemaakt en heb ik onterecht
een factuur van 499.- betaald. Dit of een deel van het bedrag wil ik graag terug omdat
uw kantoor niets voor me heeft kunnen betekenen. Dit had u van tevoren namelijk ook
moeten aangeven. Als u geen voorstel heeft ga ik wel actie ondernemen. Ik hoop dat
dit niet nodig is, en dat we er samen uit komen.”
2.35 Op 12 augustus 2021 om 15.01 uur heeft een medewerker van verweerder het
volgende aan klager geschreven:
“De stelling dat mijn kantoor niets kon/kan betekenen, of zelfs heeft betekend,
voor u deel ik niet. De mogelijkheden bespreek ik graag.”
2.36 Om 17.48 uur heeft klager gereageerd en geschreven dat hij zijn € 350,-
terug wil ontvangen.
2.37 Op 13 augustus 2024 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven:
“U wilt dat ik u € 350 terugbetaal en dat de uitkomst dan moet zijn dat voor € 118,40
vergoeding, want de btw moet ik afdragen en de kosten voor verzending door PostNL
heb ik ook beta meer dan 7,5 uur besteed is aan uw zaak. Dat niet reëel. Evenmin is
het bevorderlijk dat u mij een 'beroepsfout' verwijt. Daar is echt geen sprake van
en mijn bereidheid om u tegemoet komen wordt daardoor ook niet groter. Het getuigt
namelijk van een onrealistische opstelling waar moeilijk een compromis mee gesloten
kan worden. Dreigen met 'actie ondernemen', zoals u dat doet in uw onderstaand bericht
getuigt verder ook niet van een oplossingsgerichte houding.
En wat wilt u dan doen met uw eerder positieve en nu negatieve online publicatie
vervat in een Google review? Ook die handeling geeft weinig vertrouwen dat een oplossing
bereikt kan worden. Dat het geen zin heeft om met u het gesprek voort te zetten om
tot een oplossing te komen. Het komt impulsief over.
U wilt geld van mij én u wilt zich publiekelijk negatief uitlaten over mij. Dat
is wat ik hieruit opmaak.
Beide kunt u niet handhaven wanneer u een oplossing met mij wilt bereiken. Ik wil
u best een bedrag terugbetalen als dat u helpt om uw onterechte aantijgingen te laten
varen en dit hoofdstuk finaal te sluiten, maar dan moet u een keuze maken. U kunt
ook de negatieve uitlating laten staan en dat wij het hierbij laten, maar niet beide.
Vandaag heb ik de optie opengehouden om in een telefonisch onderhoud het gesprek
met u aan te gaan hierover. Ik heb geen oproep van u ontvangen. Een goed gesprek doet
wonder want ik merk dat het u bezighoudt en dat is niet nodig. Praat met mij. Praat
het uit. Ik luister.
Morgen hebben wij een nieuwe dag. Laten wij dan even met elkaar bellen.”
2.38 Op 20 augustus 2024 heeft klager deze klacht tegen verweerder ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
3.2 Klager voelt zich door verweerder opgelicht. Klager heeft het gevoel dat
verweerder alleen maar geld wil innen. Klager heeft € 499,- betaald voor niks. Verweerder
heeft hem totaal niet geholpen met het probleem.
3.3 De stellingen die klager aan de klacht ten grondslag heeft gelegd worden
hierna, voor zover van belang, besproken.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 De raad stelt op grond van de inhoud van klachtdossier vast dat klager op
3 juli 2024 aan het kantoor van verweerder heeft bericht dat zijn auto zonder zijn
toestemming door de garage was gerepareerd en dat klager hiervan volgens de garage
de helft moet betalen. Klager heeft verweerder laten weten dat hij het hier niet mee
eens was en dat hij het kantoor van verweerder daarom inschakelde. Vervolgens heeft
klager nog nadere informatie aan verweerder verstrekt, waarbij hij op 9 juli 2024
nogmaals aan verweerder heeft geschreven: “Zonder toestemming en zonder prijs hebben
ze mijn auto gemaakt. Dit was niet de afspraak! (…) Ik hoop dat u mij kunt helpen.”
5.3 Op 10 juli 2024 heeft verweerder een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd
en hem laten weten dat er een ingebrekestelling aan de garage zal worden verstuurd.
Verweerder heeft de ingebrekestelling hierna meteen verstuurd. Hierop heeft klager
dezelfde dag nog eens om verduidelijking bij verweerder gevraagd. Nadat een medewerker
van verweerder klager de volgende dag aansprak op zijn nog niet betaalde factuur,
heeft klager deze factuur dezelfde dag nog betaald. Op 14 juli 2024 heeft klager in
een bericht aan verweerder de gebeurtenissen rondom de auto nog eens op een rij gezet.
Hierin staat ook weer vermeld dat de auto al was gerepareerd zonder dat klager hiervoor
een factuur had ontvangen.
5.4 Op 26 juli 2024 heeft een medewerker van verweerder aan klager bericht dat
de verkoper de ingebrekestelling had afgewezen omdat dat de reparatie reeds was uitgevoerd
en met klager afspraken waren gemaakt over de kosten. In het bericht staat dat (het
kantoor van) verweerder “van deze ontwikkelingen pas later kennis hebben genomen,
waardoor daar nog geen rekening mee is gehouden in de verzonden ingebrekestelling”.
Klager heeft verweerder dezelfde dag nog geschreven dat hij deze informatie al op
3 juli 2024 aan verweerder had verstrekt en dat verweerder dit vanaf toen dus ook
al had kunnen weten.
5.5 In de hierop volgende correspondentie tussen klager en (medewerkers van)
verweerder, heeft klager zijn onvrede over de handelwijze van verweerder geuit. Hierop
heeft verweerder laten weten dat hij in gesprek wil gaan met klager en het met hem
wil uitpraten, maar dat er volgens hem geen sprake is van een beroepsfout.
5.6 De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder niet heeft
gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
Verweerder heeft ten onrechte een ingebrekestelling aan de garage verstuurd en deze
werkzaamheden ook bij klager in rekening gebracht, terwijl de auto van klager op dat
moment al was gerepareerd en hij nu juist verweerder had gevraagd hem bij te staan
bij de vraag of en in hoeverre de kosten door hem moesten worden gedragen. Het door
verweerder in gebreke stellen van de garage diende derhalve geen enkel doel. Klager
had verweerder al op 3 juli 2024 geïnformeerd over het feit dat zijn auto (zonder
afstemming vooraf) was gerepareerd en dat hij niet voor de gemaakte kosten wenste
op te draaien. Daarbij heeft klager aan verweerder laten weten dat dat nu juist de
reden was dat hij verweerder inschakelde. Dat verweerder aanvoert dat hij dit ‘in
de grote hoeveelheid correspondentie’ van klager (16 pagina’s en later 28 pagina’s)
over het hoofd heeft gezien, geeft de raad extra reden tot zorg. Van een advocaat
mag worden verwacht dat hij zich verdiept in de specifieke hulpvraag van zijn cliënt
en met het oog daarop aangeleverde informatie bekijkt. Daarbij komt dat klager verweerder
– zie onder meer de berichten van 3, 9 en 10 juli 2024 - meermaals over zijn zaak
heeft bericht en verweerder specifiek om hulp heeft gevraagd. Ook hiermee heeft verweerder
(kennelijk) niets gedaan.
5.7 Klager heeft van verweerder, kortom, geen hulp gekregen bij de problemen
waarvoor hij zich tot verweerder had gewend. Verweerder had de standaard-ingebrekestelling
niet mogen versturen en hij had klager hiervoor ook niet mogen laten betalen. De kwaliteit
van de door verweerder geleverde dienst is duidelijk onder de maat geweest. Verweerder
lijkt zijn fout bovendien maar nauwelijks in te willen zien. Integendeel. Hij voert
aan dat klager zelf ervoor gekozen heeft niet verder met verweerder te overleggen
en dat hem de kans ontnomen is een betere uitkomst te bewerkstelligen. De raad is
daarom van oordeel dat de klacht gegrond is.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van hem in de gegeven
omstandigheden mocht worden verwacht. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel
neemt de raad ook in aanmerking hetgeen is overwogen en beslist in de andere onder
1.4 genoemde klachtzaak en het dekenbezwaar tegen verweerder, die gelijktijdig met
de onderhavige klachtzaak bij de raad aanhangig zijn.
6.2 Gezien de aard, de ernst en de omvang van het dekenbezwaar en van de (gegrond
bevonden) klachten, in samenhang met eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen, en gelet
op het vertrouwen dat in de advocatuur moet kunnen worden gesteld, is de raad van
oordeel dat schrapping van het tableau van verweerder dient te volgen.
6.3 Om praktische redenen zal de maatregel alleen in de beslissing op het het
dekenbezwaar worden opgelegd.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
7.2 Nu de raad een één maatregel oplegt voor de twee klachten en het dekenbezwaar
tezamen ziet de raad aanleiding verweerder ook maar één keer in de proceskosten te
veroordelen. Dat zal gebeuren in de beslissing op het dekenbezwaar.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen, D.V.A. Brouwer, D. Horeman en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 september 2025