ECLI:NL:TADRAMS:2025:149 Raad van Discipline Amsterdam 25-265/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:149 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-09-2025 |
| Datum publicatie: | 05-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-265/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich zonder toestemming van de advocaat van klaagster tot de rechtbank te wenden, terwijl de zaak al voor vonnis stond. De aard en ernst van dit tuchtrechtelijke verwijt rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Bij de bepaling van de maatregel weegt de raad mee dat verweerster tijdens de zitting heeft erkend dat zij de advocaat van klaagster in cc had moeten zetten van haar e-mail aan de rechtbank en dat aan verweerster niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Waarschuwing en proceskostenveroordeling. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 1 september 2025
in de zaak 25-265/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. H.C.M.J. Karskens, advocaat te Amsterdam
over:
verweerster
gemachtigde: mr. M. Zwennes, advocaat te Amsterdam.
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 22 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2383666/JS/YH
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 juli 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerster met hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting heeft klaagster klachtonderdelen e), f) en g)
ingetrokken.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van klaagster van 8 mei 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft met haar ex-partner een geschil over de verkoop van de voormalige
gezamenlijke woning (hierna: de woning). Deze woning is op enig moment gesplitst in
twee aparte woningen (woning 1 en woning 2). Klaagster wordt in het geschil bijgestaan
door mr. R. Verweerster staat de ex-partner van klaagster bij.
2.3 Op 17 oktober 2023 heeft verweerster de toenmalige advocaat van klaagster
in het kader van een taxatie van de woning bericht dat haar cliënt haar, vanwege zijn
verblijf in het buitenland, heeft verzocht bij de bezichtiging van de woning aanwezig
te zijn.
2.4 In een beslissing van 31 januari 2024 in een kort geding tussen partijen
heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam een indeplaatsstelling opgenomen als bedoeld
in artikel 3:300 Burgerlijk Wetboek voor het verkopen van de woning (een kleinere
woning 1 en een grotere woning 2), het sluiten van koopovereenkomsten en het verlijden
van de notariële akten van levering.
2.5 Op 12 juli 2024 heeft de rechtbank Amsterdam het geschil over de woning in
de bodemprocedure inhoudelijk op zitting behandeld.
2.6 Op 18 september 2024 heeft een derde via een e-mail van zijn makelaar een
bod gedaan op de woning (woning 2). Op 20 september 2024 heeft de cliënt van verweerster
via e-mail aan zijn makelaar laten weten dat hij akkoord is met het bod.
2.7 Op 26 september 2024 heeft verweerster over de woning aan een griffier van
de rechtbank gemaild:
‘In bovengenoemde procedure, die staat voor vonnis en is aangehouden tot 9 oktober
a.s., bent u de griffier.
Tijdens de mondelinge behandeling op 12 juli jl. heeft de rechter aangegeven geïnformeerd
te willen worden als de woning wordt verkocht. Een potentiële koper heeft recentelijk
een bod gedaan op de woning van EUR 1.700.000. Cliënt is hiermee akkoord gegaan.
Er is een afspraak gemaakt bij een notaris voor ondertekening van de koopovereenkomst
op
7 oktober a.s. Is het mogelijk om hierover kort telefonisch contact met u te hebben?’
Verweerster heeft deze e-mail niet (gelijktijdig in cc) aan mr. R. verstuurd.
2.8 Op 3 oktober 2024 heeft mr. R. verweerster gemaild over het contact van verweerster
met de rechtbank met het verzoek om haar de e-mail van verweerster aan de rechtbank
toe te sturen, waarbij mr. R. opmerkt dat zij ervan uitgaat dat verweerster haar bericht
aan de rechtbank zal intrekken. Verweerster heeft haar bericht dezelfde dag bij de
rechtbank ingetrokken.
2.9 Op 4 oktober 2024 heeft de griffier van de rechtbank Amsterdam aan verweerster
en mr. R. bericht dat de rechtbank geen acht zal slaan op de inhoud van de e-mail
van verweerster [van 26 september 2024], omdat uit de daarna ontvangen e-mails blijkt
dat partijen het niet eens zijn over de inhoud daarvan.
2.10 Op 9 oktober 2024 heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen en bepaald
dat partijen in conventie en in reconventie ieder de eigen proceskosten dragen. Dat
vonnis is op 15 oktober 2024 aan klaagster betekend. In het betekeningsexploot is
abusievelijk vermeld dat klaagster is veroordeeld in de proceskosten.
2.11 Op 16 oktober 2024 heeft mr. R. verweerster gemaild dat in het exploot is
vermeld dat klaagster is veroordeeld in de proceskosten. Mr. R. heeft verweerster
gevraagd haar te bevestigen dat dit op een fout berust en dat het exploot wordt ingetrokken.
2.12 Op 17 oktober 2024 heeft verweerster mr. R. gemaild dat de fout in het exploot
over de proceskostenveroordeling zal worden gecorrigeerd.
2.13 Op 18 oktober 2024 heeft de deurwaarder een herstelexploot aan klaagster
betekend waarin opnieuw is vermeld dat klaagster in de proceskosten is veroordeeld.
2.14 Op 24 oktober 2024 is het vonnis van 9 oktober 2024 op de juiste wijze aan
klaagster betekend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en zoals ter zitting besproken, in
dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel
46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster heeft het vonnis laten betekenen waarbij ten onrechte is vermeld
dat klaagster is veroordeeld in de proceskosten. Volgens klaagster is geen sprake
van een proceskostenveroordeling en maakt verweerster ten onrechte aanspraak op betaling
van deze kosten. De dwangbevelen van 15 en 18 oktober 2024 zijn pas na negen dagen
gecorrigeerd, waardoor klaagster in onzekerheid verkeerde. Klaagster heeft de kosten
van het exploot en het herstelexploot betaald maar niet teruggekregen. Verweerster
heeft laten weten dat het een fout van de deurwaarder was, maar zij was de opdrachtgever
van de deurwaarder;
b) verweerster heeft na de zitting meerdere keren de rechtbank benaderd zonder
toestemming van de advocaat van klaagster;
c) verweerster heeft de woning zonder toestemming van klaagster met een collega-advocaat
bezocht en zij hebben rondgelopen in alle kamers en op het dakterras;
d) verweerster heeft in strijd met de waarheid aan de rechtbank gemeld dat de
woning is verkocht, terwijl dit niet het geval was.
3.2 De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken
van klaagster ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster erkent dat de betekening van het vonnis rommelig
is verlopen. Volgens verweerster is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van
omstandigheden waarop zij direct heeft geacteerd. Volgens verweerster is het niet
de bedoeling geweest om klaagster met de betekeningen te intimideren.
Verder merkt verweerster op dat geen sprake is van strijd met gedragsregel 21, omdat
het door haar gestuurde bericht (zie 2.7) geen bericht aan de rechter was maar aan
de griffier met de vraag om instructies. Daarbij merkt verweerster op dat zij haar
bericht op eerste verzoek aan mr. R. heeft doorgestuurd en ook heeft ingetrokken bij
de rechtbank.
Daarnaast voert verweerster aan dat zij met medeweten en instemming van mr. R. de
taxatie in de woning namens haar cliënt heeft bijgewoond, omdat haar cliënt die dag
verhinderd was.
Ten aanzien van de melding over de verkoop van de woning merkt verweerster op dat
de voorzieningenrechter in het vonnis van 31 januari 2024 een indeplaatsstelling heeft
opgenomen, waardoor het vonnis in de plaats had moeten treden van de medewerking van
klaagster. Het bod van de potentiële koper was aanvaard, zodat verweerster ervan uit
mocht gaan dat de woning verkocht was toen zij de rechtbank hierover informeerde.
Van een melding in strijd met de waarheid is dan ook geen sprake, aldus verweerster.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen
een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.3 De raad vindt dat verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt
van de fouten van de deurwaarder bij de betekening van het vonnis van 9 oktober 2024
aan klaagster. Het stond verweerster vrij om dat vonnis aan klaagster te laten betekenen.
Het feit dat die betekening tot twee keer toe verkeerd is gegaan, is niet aan verweerster
te wijten. In het vonnis is immers duidelijk vermeld dat partijen in conventie en
in reconventie ieder de eigen kosten dragen. Na de onjuiste betekeningen op 15 en
18 oktober 2024 heeft verweerster actie ondernomen waarna het vonnis op 24 oktober
2024 alsnog op de juiste wijze aan klaagster is betekend. De raad begrijpt dat klaagster
deze onjuiste betekeningen als intimiderend heeft ervaren, maar dat betekent niet
dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Omdat geen sprake is van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen van verweerster is klachtonderdeel a) ongegrond.
Klachtonderdeel b) is gegrond
5.4 De raad stelt op grond van de stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen
vast dat verweerster op 26 september 2024 met de griffier van de rechtbank heeft gemaild,
terwijl op dat moment al vonnis was bepaald en verweerster geen toestemming had van
de advocaat van klaagster om zich tot de rechtbank te wenden. Uit deze e-mail blijkt
dat verweerster de rechtbank heeft geïnformeerd over een bod op de woning waarmee
haar cliënt akkoord is gegaan en over een afspraak voor ondertekening van de koopovereenkomst.
Anders dan verweerster heeft aangevoerd, gaat het hier om een inhoudelijke mededeling
en niet om het vragen om instructies. Daarmee heeft verweerster niet alleen in strijd
gehandeld met gedragsregel 21 maar ook met de betamelijkheid die van een redelijk
en zorgvuldig handelende advocaat mag worden verwacht. De omstandigheden dat het gaat
om een bericht aan de griffier van de rechtbank en dat verweerster haar bericht op
eerste verzoek aan mr. R. heeft doorgestuurd en ook heeft ingetrokken bij de rechtbank
maken dit oordeel niet anders. Klachtonderdeel b) is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.5 De raad vindt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
daar waar het gaat om haar aanwezigheid bij de taxatie. Het stond verweerster vrij
om namens haar cliënt bij de taxatie aanwezig te zijn en met de taxateur door de woning
te lopen. Verweerster heeft dit bovendien vooraf aangekondigd via een e-mail aan de
toenmalige advocaat van klaagster op 17 oktober 2023. In dat verband heeft verweerster
ter zitting nog toegelicht dat de taxateur de gehele woning moest bekijken omdat de
woning er door de gewijzigde indeling van het pand anders uit zou komen te zien en
dat klaagster erbij aanwezig is geweest. Dat verweerster zich door een collega-advocaat
heeft laten vergezellen kan haar evenmin tuchtrechtelijk worden verweten. Het standpunt
van klaagster dat met de wederpartij is afgesproken dat alleen de kleine woning getaxeerd
zou worden, vindt geen steun in de overgelegde stukken en verweerster heeft dit standpunt
ook betwist. Klachtonderdeel c) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel d) is ongegrond
5.6 De raad kan niet vaststellen dat verweerster de rechtbank in strijd met de
waarheid heeft gemeld dat de woning verkocht is. In haar e-mail van 26 september 2024
aan de rechtbank heeft verweerster vermeld dat haar cliënt akkoord is gegaan met een
bod op de woning en dat er een afspraak is gemaakt voor ondertekening van de koopovereenkomst.
Uit de e-mails van 18 en 20 september 2024 blijkt dat inderdaad sprake was van aanvaarding
van het uitgebrachte bod en met de indeplaatsstelling van 31 januari 2024 voor de
verkoop van de woning mocht verweerster er redelijkerwijs van uitgaan dat de betreffende
woning was verkocht. Dat de notaris uiteindelijk de leveringsakte niet wilde passeren
waardoor de woning toen niet geleverd is, betekent niet dat verweerster op het moment
van haar e-mail onjuiste informatie met de rechtbank heeft gedeeld. Klachtonderdeel
d) is dan ook ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zich op 26 september
2024 zonder toestemming van de advocaat van klaagster tot de rechtbank te wenden,
terwijl de zaak al voor vonnis stond. De aard en ernst van dit tuchtrechtelijke verwijt
rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Bij de bepaling van de maatregel weegt
de raad mee dat verweerster tijdens de zitting heeft erkend dat zij de advocaat van
klaagster in cc had moeten zetten van haar e-mail aan de rechtbank en dat aan verweerster
niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Al met al ziet de raad aanleiding
om aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op te leggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), c) en d) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.3.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, en mrs. C.C. Horrevorts en
P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 1 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 september 2025