ECLI:NL:TADRAMS:2025:148 Raad van Discipline Amsterdam 25-143/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-09-2025 |
| Datum publicatie: | 05-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-143/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tijdens een mondelinge behandeling in strijd met de waarheid te zeggen dat hij het citaat uit het advies van de bedrijfsarts niet had, terwijl hij dit citaat voorafgaand aan de mondelinge behandeling zowel via e-mail als via post had ontvangen. Daarmee heeft verweerder de kantonrechter onjuist geïnformeerd. De aard en ernst van deze tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Bij de bepaling van de maatregel weegt de raad mee dat aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Klacht voor een deel gegrond. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 1 september 2025
in de zaak 25-143/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. J.P. Barth, advocaat te Amsterdam
over:
verweerder
gemachtigde: mr. B.W. Brouwer, advocaat te Amsterdam.
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 juni 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 4 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2347042/JS/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 juli 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerder met hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van klaagster van 21 maart 2025, van de e-mail met bijlagen
van verweerder van 21 maart 2025 en van de e-mail van verweerder van 26 maart 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster is verwikkeld in een arbeidsrechtelijk geschil met haar werkgever
(hierna: de werkgever). Klaagster wordt daarin bijgestaan door haar advocaat, mr.
H. Verweerder staat de werkgever bij.
2.2 Klaagster heeft zich op 22 november 2023 ziekgemeld, waarna de werkgever
de salarisbetaling aan klaagster heeft stopgezet.
2.3 Daarop heeft klaagster haar werkgever op 12 december 2023 in kort geding
gedagvaard. De deurwaarder heeft de dagvaarding rechtstreeks aan de werkgever betekend
zonder de vijf bijbehorende producties. Verweerder heeft van zijn cliënt een kopie
van de dagvaarding (zonder producties) ontvangen.
2.4 Op 21 december 2023 heeft verweerder mr. H. per e-mail gevraagd hem alsnog
de producties digitaal toe te sturen. Aan dit verzoek heeft mr. H. dezelfde dag voldaan.
Later die dag heeft mr. H. verweerder gemaild:
‘Geachte confrère,
Ik ontving inmiddels ook een terugkoppeling van de bedrijfsarts van het spreekuur
van
20 december 2023:
[Klaagster] is arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van medische beperkingen. Medische
interventie is gaande. Er is nog geen herstel.
Medische beperkingen worden veroorzaakt door verstoorde arbeidsverhouding, ik begrijp
dat mediation al is ingezet.
Adviezen (onder andere werkhervatting)
Betrokkene is niet belastbaar voor werk, herstel zal tijd nodig hebben. Ik adviseer
duidelijkheid te creëren rondom het conflict.
Ik weet niet of uw client u deze terugkoppeling al had doorgezonden, maar deze lijkt
mij van belang bij uw advisering in dit dossier. Gaarne in afwachting. (…)’
2.5 Op 8 januari 2024 heeft mr. H. de kortgedingdagvaarding met de bijbehorende
producties aan de kantonrechter gestuurd. Dezelfde dag heeft mr. H. twee fysieke exemplaren
van de kortgedingdagvaarding inclusief producties aan verweerder gestuurd. Aan het
document ‘aanvragen deskundigenoordeel’ (productie 5) is op een losse pagina een citaat
uit het advies van de bedrijfsarts toegevoegd:
‘terugkoppeling van de bedrijfsarts van het spreekuur van 20 december 2023:
[Klaagster] is arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van medische beperkingen. Medische
interventie is gaande. Er is nog geen herstel.
Medische beperkingen worden veroorzaakt door verstoorde arbeidsverhouding, ik begrijp
dat mediation al is ingezet.
Adviezen (onder andere werkhervatting)
Betrokkene is niet belastbaar voor werk, herstel zal tijd nodig hebben. Ik adviseer
duidelijkheid te creëren rondom het conflict.’
2.6 Op 14 januari 2024 heeft klaagster bij akte haar eis gewijzigd, in die zin
dat zij ook betaling vorderde van de werkelijke door haar gemaakte kosten voor juridische
bijstand.
2.7 Op 17 januari 2024 heeft de kantonrechter in Amsterdam de vordering van klaagster
behandeld. Klaagster is tijdens deze mondelinge behandeling bijgestaan door haar advocaat
mr. H. Van de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt.
2.8 Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. H. verwezen naar de pagina die
onderdeel uitmaakte van productie 5 bij de dagvaarding met daarop het citaat van de
bedrijfsarts, zoals weergegeven onder 2.5. Verweerder heeft toen opgemerkt dat deze
pagina ontbrak in het fysieke exemplaar van de kortgedingdagvaarding. De advocaat
van klaagster heeft de desbetreffende pagina ter plekke aan verweerder overhandigd.
2.9 Tijdens de mondelinge behandeling is vervolgens gesproken over het citaat
van de bedrijfsarts. In het proces-verbaal is hierover het volgende opgenomen:
‘(…)
[mr. H.]: zie laatste pagina productie 5 de pagina na de blanco pagina. Terugkoppeling
bedrijfsarts is wat [klaagster] heeft gekregen van de bedrijfsarts
[Verweerder]: die pagina heb ik niet. [Mr. H.] geeft hem die.
(…)
[Verweerder]: Waarom alleen een citaat en niet de volledige terugkoppeling.
[De werkgever]: ik heb de terugkoppeling niet ontvangen. Zij heeft het vermoedelijk
zelf in haar inbox gekregen.
[Mr. H.]: staat ook vertrouwelijk informatie in
[Verweerder]: valt zo niet te verifiëren.
Krt: als de wn zegt, zieken krijgen 100%, dan kan wg toch proberen aan te tonen
dat dat niet zo is?
[Verweerder]: kan niet verwacht worden dat wij dat gaan uitzoeken. Het bewijs ligt
bij haar. (…)’
2.10 Op 18 januari 2024, een dag na de zitting, heeft mr. H. verweerder gemaild
dat verweerder volgens hem tijdens de mondelinge behandeling stellingen heeft ingenomen
die niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. Tussen mr. H. en verweerder
is daarna een e-mailconversatie gevoerd over de vermeende onjuiste uitlatingen die
verweerder ter zitting zou hebben gedaan.
2.11 Op 24 januari 2024 heeft de kantonrechter vonnis (hierna: het vonnis) gewezen
waarbij de gevorderde salarisbetaling is toegewezen. Over de gevorderde werkelijke
proceskosten heeft de kantonrechter overwogen:
‘Het verzoek van [de werkneemster] om [de werkgever] te veroordelen om de werkelijke
proceskosten te betalen, wordt afgewezen. Naar voorlopig oordeel is onvoldoende gebleken
dat [de werkgever] haar verweer heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan
zij wist of behoorde te weten dat die onjuist waren of op stellingen waarvan zij op
voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. In dit verband speelt
een rol dat [de werkgever] heeft aangevoerd dat zij zich pas tijdens de mondelinge
behandeling voor het eerst geconfronteerd zag met bet oordeel van bedrijfsarts (…).
Gelet op het feit dat een werkelijke proceskostenveroordeling slechts bij uitzondering
wordt toegewezen en in kort geding geen plaats is voor nader onderzoek, zal op dit
moment van de juistheid van dat standpunt worden uitgegaan.’
2.12 Op 2 juni 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in strijd met de waarheid
gezegd dat klaagster niet bij de bedrijfsarts is geweest, dat het advies van de bedrijfsarts
niet bestaat en dat mr. H. het citaat uit het advies van de bedrijfsarts zelf in elkaar
heeft geknutseld, terwijl verweerder wist, althans behoorde te weten, dat dit onjuist
was. Door openlijk te twijfelen aan de echtheid van het citaat van de bedrijfsarts
heeft verweerder de integriteit van mr. H. op grove wijze ter discussie gesteld, terwijl
verweerder het oordeel van de bedrijfsarts al veel eerder kende;
b) verweerder heeft tijdens de mondelinge behandeling in strijd met de waarheid
gezegd dat hij niet over het oordeel van de bedrijfsarts beschikte en dat hij daarmee
ter zitting plotseling werd geconfronteerd, terwijl hij het oordeel van de bedrijfsarts
op 21 december 2023 en 8 januari 2024 per e-mail van mr. H. heeft ontvangen en per
post van 9 januari 2024 als productie 5 bij de dagvaarding;
c) verweerder heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat klaagster niet
medisch arbeidsongeschikt zou zijn. Deze stelling had verweerder namens zijn cliënte
nooit mogen innemen, omdat hij het oordeel van de bedrijfsarts kende. Toen de bestuurder
van zijn cliënte schreeuwde dat klaagster nooit bij de bedrijfsarts was geweest, had
verweerder zijn cliënt(e) moeten corrigeren;
d) het onjuist informeren van de kantonrechter door verweerder heeft klaagster
ernstig financieel benadeeld, omdat de kantonrechter in punt 13 van het vonnis heeft
geoordeeld dat klaagster geen recht heeft op betaling van de werkelijke proceskosten
doordat de werkgever pas op de zitting zou zijn geconfronteerd met het oordeel van
de bedrijfsarts, terwijl dat niet het geval was en verweerder het oordeel van de bedrijfsarts
al kende.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat kader betwist verweerder dat hij tijdens de zitting
heeft gezegd dat klaagster niet bij de bedrijfsarts was geweest of dat hij woorden
van gelijke strekking heeft gebezigd. Volgens verweerder is tijdens de mondelinge
behandeling discussie ontstaan over de juistheid van het citaat uit het advies van
de bedrijfsarts. Dat citaat was geen onderdeel van het procesdossier en verweerder
kon het citaat niet controleren op basis van de informatie die hij van mr. H. had
ontvangen. Of het citaat van de bedrijfsarts deel uitmaakte van de producties die
hij op 9 januari 2024 per post van de advocaat van klaagster heeft ontvangen, kon
verweerder niet controleren omdat hij deze producties na ontvangst heeft weggegooid
omdat hij al over voldoende exemplaren beschikte, aldus verweerder.
Daarnaast voert verweerder aan dat alle reden bestond om te twijfelen aan de juistheid
van het citaat van de bedrijfsarts, omdat klaagster haar primaire vordering had gebaseerd
op artikel 7:628 BW en daarmee in feite zelf het standpunt had ingenomen dat van medische
arbeidsongeschiktheid geen sprake was.
Verder betwist verweerder dat de bestuurder van zijn cliënte ter zitting heeft geschreeuwd
en heeft gesteld dat klaagster nooit bij de bedrijfsarts was geweest. Er was volgens
verweerder dan ook geen reden om zijn cliënte te corrigeren, voor zover hij daartoe
al gehouden was.
Tot slot betwist verweerder dat hij de integriteit van mr. H. op grove wijze ter
discussie heeft gesteld door openlijk te twijfelen aan de echtheid van het citaat
en dat klaagster door zijn handelen financieel is benadeeld. Verweerder merkt op dat
mr. H. de situatie had kunnen voorkomen door het originele advies van de bedrijfsarts
over te leggen. De keuze om dat niet te doen en de gevolgen daarvan dienen volgens
verweerder voor rekening en risico van klaagster te komen. Van financiële benadeling
is geen sprake, er bestaat volgens verweerder geen causaal verband tussen zijn proceshouding
en de afwijzing van de door klaagster gevorderde volledige proceskosten.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij. Het algemene uitgangspunt
is dat advocaten veel vrijheid hebben om te doen wat in het belang van hun cliënt
nodig is. Partijdigheid is niet zonder reden een belangrijke kernwaarde voor advocaten
(artikel 10a Advocatenwet). Toch is die vrijheid niet onbeperkt. Advocaten mogen zich
bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet
bewust onjuiste informatie geven.
Advocaten hoeven in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun
cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het
nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen. Wel moeten zij zich onthouden
van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot
noemenswaardig voordeel van hun cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij
toebrengen.
Advocaten dienen verder de belangen van hun cliënt te behartigen aan de hand van
het feitenmateriaal dat hun cliënt hen verschaft. In het algemeen mogen zij afgaan
op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen zijn zij gehouden de juistheid
daarvan te verifiëren.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.2 De raad kan niet feitelijk vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door tijdens de mondelinge behandeling van 17 januari 2024 te zeggen
dat klaagster niet bij de bedrijfsarts is geweest, dat het advies van de bedrijfsarts
niet bestaat en dat de advocaat van klaagster het citaat uit het advies van de bedrijfsarts
zelf in elkaar heeft geknutseld. In de aantekeningen van de mondelinge behandeling
en de spreekaantekeningen die verweerder tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen,
leest de raad niet dat verweerder deze uitlatingen heeft gedaan. Bovendien betwist
verweerder de door klaagster gestelde uitlatingen. Bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing
is klachtonderdeel a) dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) is gegrond
5.3 De raad is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
door tijdens de mondelinge behandeling te zeggen dat hij het advies van de bedrijfsarts
niet had. Verweerder heeft het citaat van de bedrijfsarts op 21 december 2023 via
e-mail ontvangen van mr. H. en daarna heeft verweerder de kortgedingdagvaarding inclusief
de producties, waaronder productie 5 met het citaat, op 9 januari 2024 per post van
mr. H. ontvangen. Het citaat uit het advies van de bedrijfsarts was dus ook onderdeel
van het procesdossier en verweerder was daarmee voorafgaand aan de mondelinge behandeling
wel degelijk bekend. De verklaring van verweerder tijdens de mondelinge behandeling
dat hij het citaat uit het advies van de bedrijfsarts niet had, is dan ook in strijd
met de waarheid. De omstandigheid dat verweerder het fysieke exemplaar van de dagvaarding
met producties heeft weggegooid, zonder deze blijkbaar eerst te controleren, komt
voor risico van verweerder. Voor zover verweerder twijfelde aan de juistheid van de
weergave van het citaat van de bedrijfsarts, had hij dit eenvoudig bij (de arbodienst
van) zijn cliënte kunnen verifiëren, een dergelijk advies is immers zowel voor werknemer
als werkgever beschikbaar. Klachtonderdeel b) is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.4 De raad is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld door namens zijn cliënte te zeggen dat klaagster niet medisch arbeidsongeschikt
zou zijn. Het stond verweerder vrij om dit standpunt, ondanks het advies van de bedrijfsarts,
namens zijn cliënte in te nemen in het kader van het kort geding. De omstandigheid
dat klaagster het niet met dat standpunt eens is, betekent niet dat verweerder klachtwaardig
heeft gehandeld. Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling, al dan niet via
haar advocaat, op het verweer van de werkgever kunnen reageren. De kantonrechter heeft
de standpunten van beide partijen beoordeeld en uiteindelijk in het voordeel van klaagster
geoordeeld. In zoverre is klachtonderdeel c) dan ook ongegrond.
5.5 Voor wat betreft de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling kan
de raad niet vaststellen dat de bestuurder van de cliënte van verweerder heeft geschreeuwd.
Voor zover al sprake is geweest van schreeuwen bestond er geen verplichting voor verweerder
om de bestuurder van zijn cliënte te corrigeren. Ook dit deel van klachtonderdeel
c) is ongegrond.
Klachtonderdeel d) is gedeeltelijk gegrond
5.6 Zoals de raad al heeft geoordeeld over klachtonderdeel b) heeft verweerder
in strijd met de waarheid verklaard dat hij het citaat uit het advies van de bedrijfsarts
niet had. Daarmee heeft verweerder de kantonrechter op dat punt onjuist geïnformeerd.
In zoverre is klachtonderdeel d) gegrond. De raad kan echter niet vaststellen dat
het onjuist informeren van de kantonrechter door verweerder de enige reden is geweest
voor het niet toekennen van de door klaagster gevorderde werkelijke proceskosten.
Daarbij houdt de raad er rekening mee dat het hier om een kort geding gaat en het
een voorlopig oordeel van de kantonrechter betreft. In zoverre is klachtonderdeel
d) dan ook ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tijdens de mondelinge
behandeling van 17 januari 2024 in strijd met de waarheid te zeggen dat hij het citaat
uit het advies van de bedrijfsarts niet had, terwijl hij dit citaat voorafgaand aan
de mondelinge behandeling zowel via e-mail als via post had ontvangen. Daarmee heeft
verweerder de kantonrechter onjuist geïnformeerd. De aard en ernst van deze tuchtrechtelijke
verwijten rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Bij de bepaling van de maatregel
weegt de raad mee dat aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is
opgelegd. Al met al ziet de raad aanleiding om aan verweerder de maatregel van een
waarschuwing op te leggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster dient
binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door te geven.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad:
- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel d) gegrond ten aanzien van het onjuist informeren van
de kantonrechter, en voor het overige ongegrond;
- verklaart klachtonderdelen a) en c) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse
Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, en mrs. C.C. Horrevorts en
P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 1 september 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op 1 september 2025