ECLI:NL:TADRAMS:2025:147 Raad van Discipline Amsterdam 25-403/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-08-2025 |
| Datum publicatie: | 05-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-403/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk. Tegen de achtergrond van de onderliggende procedure kwalificeren de door verweerder gebezigde bewoordingen en uitdrukkingen naar het oordeel van de voorzitter niet als onnodig grievend jegens klager (en daarmee geen schending van gedragsregel 7). Dat verweerder de rechter feiten heeft voorgehouden, waarvan hij de onwaarheid kende of kon kennen, is de voorzitter niet gebleken. Van een schending van gedragsregel 8 is daarom evenmin sprake. De voorzitter is verder van oordeel dat klager niet rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt door de vraag of verweerder het belang van de heer J boven dat van zijn eigen cliënt heeft gezet. Deze kwestie speelt uitsluitend tussen verweerder en zijn cliënt. Klager als wederpartij staat daar buiten. Gelet daarop is dit onderdeel van de klacht in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 25 augustus 2025
in de zaak 25-403/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 19 juni 2025 met kenmerk 2386489/JS/AS, digitaal
door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde
bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager
op 26 juni 2025 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft van 26 februari 2018 tot 16 januari 2024 voor Mitsubishi Polen
(hierna: MP) gewerkt.
1.2 Vanaf het tweede kwartaal van 2021 was hij ook statutair bestuurder van MP.
In die hoedanigheid diende hij onder meer verantwoording af te leggen aan de Raad
van Commissarissen van MP.
1.3 De heer J is bestuurder van Mitsubishi Europe (hierna: ME) en tevens lid
van de Raad van Commissarissen van MP. ME en MP zijn onderdeel van het Mitsubishi
Concern (hierna: MC).
1.4 Op 16 januari 2024 heeft klager een vaststellingsovereenkomst (hierna: de
VSO) met MP gesloten waardoor de rechtsverhouding tussen hen is geëindigd. In de VSO
is onder meer opgenomen dat partijen elkaar geen reputatieschade zullen aanbrengen.
1.5 Op 10 september 2024 is klager een kort geding gestart tegen de heer J en
ME. Klager is van mening is dat de afspraken uit de VSO niet worden nagekomen.
1.6 Verweerder en zijn kantoorgenoot (hierna: mr. B) hebben in dit kort geding
ME bijgestaan. De heer J werd bijgestaan door mr. V.
1.7 Op 19 september 2024 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding
plaatsgevonden bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank).
Verweerder en mr. B hebben ter zitting twee pleitnota’s voorgedragen: een ‘formele’
pleitnota en een ‘inhoudelijke’ pleitnota. Bovenaan beide pleitnota’s staan de namen
van verweerder en van mr. B genoemd als de advocaten van ME.
1.8 Op 3 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen. Alle vorderingen
van klager zijn door de voorzieningenrechter afgewezen.
1.9 Op 31 oktober 2024 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij
de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij zich in zijn pleitnota's onnodig grievend heeft uitgelaten over
hem en onwaarheden heeft verkondigd. Daarnaast stelt klager dat verweerder in het
kort geding ten nadele van klager het belang van de heer J (bestuurder van zijn cliënte)
boven het belang van zijn eigen cliënte heeft gesteld. Ook is klager van mening dat
verweerder bij zijn cliënte het belang om de zaak in der minne te regelen niet voldoende
heeft benadrukt. Al deze inbreuken samen leveren handelen op in strijd met artikel
46 Advocatenwet waarbij in het bijzonder de gedragsregels 1, 2, 5, 7 en 8 herhaaldelijk
zijn geschonden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klager stelt dat verweerder ter zitting diverse ongefundeerde uitlatingen
over hem heeft gedaan. Voor een overzicht van de vijf betreffende citaten (terug te
vinden onder 1.1, 1.2 en 1.4 van de “formele” pleitnota en onder 1.6 en 1.11 van de
“inhoudelijke” pleitnota) wordt hierbij verwezen naar de samenvattende tabel zoals
klager deze in zijn toelichting op de klacht heeft aangevoerd. De uitlatingen komen
er kort gezegd op neer dat klager niet betrouwbaar zou zijn, zichzelf ten onrechte
als een klokkenluider zou beschouwen, het Poolse bedrijf als een criminele organisatie
presenteert, een complot zou hebben verzonnen en het leven van de bedrijven binnen
de MC groep zuur zou maken. Klager is van mening dat al deze uitlatingen onwaar zijn.
Daarbij heeft verweerder zich met het doen van deze uitlatingen, onnodig grievend
en kleinerend over klager uitgelaten, tijdens een zitting waar terughoudend nu juist
op zijn plaats was. Verweerder heeft hiermee de gedragsregels 7 en 8 geschonden, aldus
klager.
4.3 De voorzitter stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat het verweer
van verweerder dat niet hij, maar zijn collega mr. B, (het merendeel van) de gewraakte
passages ter zitting zou hebben voorgedragen, en dat hem daarom niets kan worden verweten,
niet terzake doet. Vaststaat immers dat verweerder één van de advocaten van de wederpartij
was. Zowel verweerder als mr. B waren ter zitting aanwezig. Ook staan zij beiden bovenaan
de pleitnota’s genoemd als zijnde de advocaten van de wederpartij van klager. In zoverre
komt de inhoud van de beide pleitnota’s, en daarmee ook van de betreffende citaten,
(ook) voor rekening van verweerder.
4.4 De voorzitter stelt vervolgens vast dat klager in een geschil is verwikkeld
met ME en de heer J over de uitleg van een vaststellingsovereenkomst. De standpunten
van partijen in dit geschil lopen blijkens de inhoud van de overgelegde stukken sterk
uiteen. Verweerder heeft daarbij op 19 september 2024, als (één van de) advocaten
van de wederpartij, tijdens de zitting en in de pleitnota’s het standpunt van zijn
cliënt verwoord. Hiermee behartigde hij het belang van zijn cliënt en hierin heeft
verweerder, gelet op het onder 4.1 genoemde toetsingskader, een grote mate van vrijheid.
Het kan zo zijn dat klager de standpunten van verweerder als vervelend, kleinerend
en grievend heeft ervaren, maar deze omstandigheid betekent nog niet dat de door verweerder
verwoorde standpunten dan ook onnodig kwetsend zouden zijn of op een andere wijze
als onbetamelijk kunnen worden gekwalificeerd. De voorzitter overweegt dat in gedragsregel
7 is bepaald dat een advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten. Advocaten dienen
zich in het algemeen te uiten in zakelijke bewoordingen en met enige distantie tot
het geschil tussen de cliënt en de wederpartij; de woordkeuze moet passen in de context
van het debat. Dit neemt echter niet weg dat een advocaat in zijn woordkeuze de eigen
emoties of die van de cliënt tot uitdrukking mag brengen. Tegen de achtergrond van
de onderliggende procedure kwalificeren de door verweerder gebezigde bewoordingen
en uitdrukkingen naar het oordeel van de voorzitter niet als onnodig grievend jegens
klager (en daarmee geen schending van gedragsregel 7).
4.5 Voor zover klager ook klaagt over de juistheid van de stellingen die verweerder
namens zijn cliënt heeft ingenomen, overweegt de voorzitter dat in gedragsregel 8
staat dat een advocaat zich zowel in als buiten rechte te onthouden van het verstrekken
van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist
is. De voorzitter stelt vast dat de gewraakte passages zien op de inhoud van het onderliggende
geschil dat partijen verdeeld houdt. De voorzitter kan daar in het kader van deze
klachtprocedure niet over oordelen, tenzij verweerder een evident onjuist standpunt
zou hebben ingenomen en hij klagers belangen daarmee nodeloos en op ontoelaatbare
wijze zou hebben geschaad. Daarvan is hier geen sprake. Dat verweerder de rechter
feiten heeft voorgehouden, waarvan hij de onwaarheid kende of kon kennen, is de voorzitter
niet gebleken en als de door verweerder geponeerde stellingen al onjuist waren, had
het op de weg van klager, dan wel diens advocaat, gelegen om deze stellingen in de
procedure te weerspreken en te weerleggen. Het was vervolgens aan de rechter om aan
de hand van de over en weer ingenomen stellingen en het overgelegde bewijsmateriaal
een oordeel te geven over de geschilpunten. Van een schending van gedragsregel 8 is
gelet op het voorgaande evenmin sprake. De klacht is in zoverre kennelijk ongegrond.
4.6 De voorzitter overweegt verder dat alleen de persoon of de rechtspersoon
die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan
worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in
de Advocatenwet. ls het in het algemeen belang dat er een tuchtprocedure komt, dan
heeft de deken het recht om te klagen. De voorzitter is van oordeel dat klager niet
rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt door de vraag of verweerder het belang van
de heer J boven dat van zijn eigen cliënt heeft gezet. Deze kwestie speelt uitsluitend
tussen verweerder en zijn cliënt. Klager als wederpartij staat daar buiten. Gelet
daarop is dit onderdeel van de klacht in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.
4.7 Voor zover klager verweerder ook verwijt dat hij zijn cliënt onvoldoende
heeft aangespoord om de zaak in der minne te schikken, overweegt de voorzitter dat
een advocaat in beginsel op grond van gedragsregel 5 altijd voor ogen dient te houden
dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Naar het
oordeel van de voorzitter heeft verweerder echter gemotiveerd aangevoerd dat hij de
mogelijkheid van een minnelijke regeling wel degelijk met zijn cliënt heeft besproken,
maar dat het hem niet tuchtrechtelijk kan worden verweten dat zijn cliënt hiertoe
niet bereid was. Dat dit anders is gegaan, heeft klager niet onderbouwd en dit is
de voorzitter ook overigens niet gebleken. Gelet daarop is geen sprake van een schending
van gedragsregel 5. Dit deel van de klacht is daarom kennelijk ongegrond.
4.8 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk
verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, deels kennelijk ongegrond
en deels kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 25 augustus 2025