ECLI:NL:TADRAMS:2025:142 Raad van Discipline Amsterdam 25-472/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:142 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-08-2025 |
| Datum publicatie: | 05-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-472/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat in een massa-aangifte zaak; de voorzitter kan de juistheid van klagers verwijten niet vaststellen. Onduidelijk is wanneer klager aan verweerster een opdracht heeft gegeven om een procedure voor hem te starten en of verweerster daar onvoldoende voortvarend vervolg aan heeft gegeven. Evenmin is duidelijk geworden of verweerster klager beter had moeten informeren over het verdere verloop van de procedure. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 25 augustus 2025
in de zaak 25-472/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 17 juli 2025 met kenmerk 2388804/JS/AS, door de raad ontvangen op 17 juli 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
Klager heeft op 15 augustus 2025 telefonisch verzocht om uitstel voor het indienen van aanvullende stukken. Bij brief van 1 augustus 2025, door de raad op 18 augustus 2025 ontvangen, heeft klager toegelicht dat hij vanwege een verhuizing naar een andere P.I. en een recent ongeval nog niet was toegekomen aan het inzenden van aanvullende stukken. Klager heeft in zijn brief verwezen naar de stukken die zich reeds in het klachtdossier bevinden. De voorzitter acht zich op basis van de stukken in het klachtdossier voldoende voorgelicht en heeft daarom geen aanleiding gezien om klager nader uitstel te verlenen voor het indienen van extra stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 25 augustus 2023 heeft klager naar zijn zeggen per brief stukken gestuurd
naar het kantoor van verweerster in verband met het opstarten van een procedure tegen
het bedrijf Chemours wegens gezondheidsschade die hij stelt te lijden door de uitstoot
van dat bedrijf.
1.2 Klager heeft op enig moment telefonisch contact gehad met mevrouw H, de juridisch
medeweker van het kantoor van verweerster.
1.3 Bij brief van 28 juli 2024 heeft mevrouw H de ontvangst van de aangifte aan
klager bevestigd. De brief luidt als volgt:
“Geachte [naam klager],
Zoals door uw telefonisch verzocht bevestig ik hierbij uw ontvangen aangifte. Deze
aangifte is verwerkt bij het Openbaar Ministerie.
Hopende u hier voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,”
1.4 Op 7 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster klachtwaardig te hebben gehandeld door geen procedure te starten tegen
Chemours en klager niet te informeren over zijn zaak. Op 25 augustus 2023 heeft klager
aan verweerster de opdracht gegeven om een zaak te starten tegen Chemours en sindsdien
is er niets met zijn zaak gedaan en is er nog steeds geen procedure gestart. Klager
heeft meerdere telefoongesprekken gehad met mevrouw H, maar heeft bijna een jaar lang
moeten wachten op een ontvangstbevestiging van zijn opdracht aan verweerster. Verweerster
heeft klager verder op geen enkele manier zorgvuldig geïnformeerd over de inhoud van
zijn zaak en de voortgang ervan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 De voorzitter overweegt dat zij op grond van de onderliggende stukken niet
kan vaststellen of klager daadwerkelijk op 25 augustus 2023 aan verweerster opdracht
heeft gegeven om namens hem een zaak te starten tegen Chemours. In het klachtdossier
bevindt zich weliswaar een brief van klager, gedateerd 25 augustus 2023 en gericht
aan mevrouw H (de juridisch medewerkster van het kantoor), maar deze brief bevat geen
adresgegevens (anders dan de naam van het kantoor). Onduidelijk is of deze brief op
die datum is verzonden. Klager stelt dat verweerster pas bijna een jaar later, op
28 juli 2024, de ontvangst van zijn opdracht (van 25 augustus 2023) heeft bevestigd.
Dit valt echter niet vast te stellen. In de brief van 28 juli 2024 wordt namelijk
niet verwezen naar klagers brief van 25 augustus 2023, maar slechts naar een telefoongesprek
dat is gevoerd met klager (zie rov. 1.3). Wanneer dat telefoongesprek heeft plaatsgevonden
blijkt niet uit het dossier. Dat verweerster klager na 28 juli 2024 verder had moeten
informeren over het verloop van de procedure is niet gebleken. Verweerster heeft toegelicht
dat zij niet meer informatie heeft. In de massa-aangifte zaken die zij doet, ontvangt
zij honderden aangiftes, waarvan de ontvangst wordt bevestigd en die daarna aan het
Openbaar Ministerie worden doorgestuurd.
4.3 Gelet op het voorgaande kan de voorzitter de juistheid van klagers verwijten
niet vaststellen. Daarmee is de klacht kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 25 augustus 2025