ECLI:NL:TADRAMS:2025:130 Raad van Discipline Amsterdam 24-888/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:130 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-07-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 24-888/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht van advocaat over een advocaat van de wederpartij. Klachtonderdeel a) gaat over onnodig grievende uitlatingen richting de deken, richting het gerechtshof en richting kantoorgenoten van klager. De uitlatingen van verweerder tegenover het gerechtshof en de kantoorgenoten van klager overschrijden het betamelijke. Het klachtonderdeel is in zoverre gegrond. De uitlatingen van verweerder tegenover de deken waren in de context van het gevoerde debat toelaatbaar en het klachtonderdeel is in zoverre ongegrond. In klachtonderdeel b) wordt verweerder verweten dat hij zich tot het gerechtshof heeft gewend nadat arrest was gewezen en zonder daarvan afschrift te sturen aan klager. De raad oordeelt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder had klager, als advocaat van de wederpartij, moeten informeren over zijn verzoeken aan het hof zodat klager ook de kans had gekregen om hierop te reageren. Verweerder heeft onvoldoende blijk gegeven van een betamelijke en professionele beroepsuitoefening. Verweerder toont weinig professionele distantie van zijn cliënten en lijkt zich (daardoor) van een onprofessionele toon te bedienen. De raad acht oplegging van en berisping in dit geval passend en geboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 juli 2025 (bij vervroeging)
in de zaak 24-888/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. J.G. Geertsma
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 11 april 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
De klacht is ingediend bij een stuk dat tevens een reactie vormde op de eerder ingediende
klacht van verweerder over klager (bij de raad bekend onder zaaknummer 25-074/A/NH).
1.2 Op 3 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk ks/ss/2214308
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 maart 2025. De klacht
is gezamenlijk behandeld met de eerder genoemde zaak 25-074/A/NH. Bij de behandeling
van de zaken waren klager en zijn gemachtigde en verweerder aanwezig. Verweerder heeft
op de zitting de behandelend tuchtrechters van de raad gewraakt. Van de zitting en
de wraking is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 Bij beslissing van 9 april 2025 heeft de wrakingskamer de wraking kennelijk
ongegrond verklaard. De beslissing van de wrakingskamer is gepubliceerd onder nummer
ECLI:NL:TADRSGR:2025:67.
1.5 De behandeling van de klacht is voortgezet op de zitting van de raad van
26 juni 2025, wederom gezamenlijk met de zaak 25-074/A/NH. Bij de behandeling van
de zaken waren wederom klager met zijn gemachtigde en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van klager van 16 december 2024, 21 februari 2025 en 10 juni 2025 en van de nagezonden stukken van verweerder van 19 december 2024 en 24 februari 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder staat sinds 16 januari 2023 een cliënte en haar zoon (verder:
huurders) bij in verband met een huurrechtelijke procedure die in de kern draait om
de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van huurders. Klager
staat al geruime tijd de verhuurder (verder: de verhuurder) bij in dit geschil.
2.3 Sinds 2016 zijn er diverse procedures gevoerd tussen huurders en verhuurder,
omdat huurders naar de mening van de verhuurder structureel voor overlast zorgen.
In 2016 heeft de eerste bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming
van de woning plaatsgevonden. Die vorderingen zijn toen afgewezen. In 2018 is opnieuw
een bodemprocedure gestart door de verhuurder. Nadat bij tussenvonnis een bewijsopdracht
was gegeven, zijn de vorderingen van de verhuurder op 10 maart 2020 toegewezen: de
huurovereenkomst is ontbonden en huurders zijn veroordeeld om de woning binnen zes
maanden te ontruimen. In beide bodemprocedures werden huurders bijgestaan door een
advocaat. Na het eindvonnis van 10 maart 2020 meldde zich een nieuwe advocaat namens
huurders, namelijk mr. S(...) (verder: mr. S.).
2.4 Van het vonnis van 10 maart 2020 is door mr. S. namens huurders hoger beroep
ingesteld. Daarnaast zijn vier executie kort gedingen gestart, met als doel de executie
van het vonnis van 10 maart 2020 (gedeeltelijk) geschorst te krijgen en feitelijk
het voortgezet gebruik van de woning te bewerkstelligen. In het hoger beroep zijn
verder nog twee incidentele vorderingen ingesteld, en is namens huurders verzocht
om van het tussenarrest cassatie te kunnen instellen. Beide vorderingen en het verzoek
om cassatie open te stellen, zijn afgewezen. Op 15 februari 2022 is bepaald dat de
mondelinge behandeling bij het Gerechtshof Amsterdam (verder: het Hof) zou plaatsvinden
op 24 januari 2023.
2.5 Op 13 januari 2023 heeft klager in het hoger beroep bij akte aanvullende
producties ingediend namens de verhuurder. De termijn voor het indienen van nadere
producties verstreek op 14 januari 2023.
2.6 Op 16 januari 2023 heeft mr. S. zich onttrokken en om die reden uitstel van
de mondelinge behandeling verzocht. Klager heeft zich namens de verhuurder op 17 januari
2023 tegen het verzochte uitstel verzet.
2.7 Op 17 januari 2023 heeft verweerder zich namens huurders als opvolgend advocaat
gesteld en gereageerd op het door klager ingediende bezwaar tegen het uitstelverzoek.
Verder heeft verweerder het Hof (ook) verzocht om de mondelinge behandeling uit te
stellen om medische redenen zijnerzijds.
2.8 Het Hof heeft vervolgens de mondelinge behandeling uitgesteld tot 28 februari
2023, uitdrukkelijk niet op grond van de advocatenwissel, maar op grond van de door
verweerder opgevoerde medische gronden.
2.9 Op 15 februari 2023 heeft verweerder namens huurders een akte met aanvullende
stukken ingediend, welke stukken onder meer een reactie vormden op de stukken van
de verhuurder van 13 januari 2023.
2.10 Op 21 februari 2023 heeft verweerder een klacht ingediend tegen klager ((bekend
onder zaaknummer 25-074/A/NH). In de klachtbrief heeft verweerder onder meer het volgende
over klager geschreven:
“Over dat handelen in strijd met de gedragsregels en de wet – niet uit te sluiten
valt dat het weloverwogen gebruik door [klager] en [verhuurder] van de uit het makelaarskantoor
van [S. Makelaars] ontvreemde vertrouwelijke documentatie naast overtreding van de
AVG ook kwalificeert als een strafbare vorm van heling – wordt nog separaat door [huurders]
bij u een klacht ingediend tegen [klager] en aangifte gedaan bij justitie tegen hem
en [verhuurder].”
2.11 Op 22 februari 2023 heeft het Hof via haar griffier medegedeeld dat zij,
voor zover de op 15 februari 2023 door verweerder toegezonden akte ook stellingen
bevat, deze buiten beschouwing laat. Daarop heeft verweerder op 23 februari 2023 gereageerd
dat klager bij de akte van 13 januari 2023 ook een toelichting heeft gegeven op de
inhoud van diverse producties en stellingen heeft betrokken. Op dezelfde dag heeft
klager zich in de correspondentie gemengd en aangeven dat de stelling van verweerder
dat in de akte van 13 januari 2023 stellingen zijn betrokken, niet juist is.
2.12 Op 24 februari 2023 heeft verweerder bij brief aan het Hof onder meer het
volgende geschreven:
“Helaas moet ik in de bovenvermelde procedure u (opnieuw) buiten een zitting om
benaderen, maar confrère [klager] laat mij helaas geen andere keuze door wat ik inmiddels
omschrijf als, en het moet maar eens gezegd worden, het vertonen in dit dossier van
een vorm van ziekelijk gedrag dat zich het beste laat beschrijven als pathologisch
liegen, althans onjuist informeren en stemming maken tegen personen zonder te beschikken
over ook maar een begin van bewijs. Of sterker nog: met het in dit geval direct bijleveren
van bewijs van het onjuist informeren, zoals u zelf op eenvoudige wijze kunt vaststellen.
(...)
Niet alleen verspreidt [klager] dus nu zelfs heel gericht in een brief gericht aan
u onware informatie, maar ook maakte hij zich eerder in voormelde akte en voorafgaande
processtukken al schuldig aan het verspreiden van onware informaties en ongefundeerde
stemmingmakerij, zoals tijdens de mondelinge behandeling op 28 februari 2023 nader
aan de orde zal komen.”
2.13 Op 28 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling bij het Hof plaatsgevonden.
Verweerder heeft op de zitting pleitnotities voorgedragen. Verweerder heeft onder
meer het volgende gezegd:
“Er is in dit dossier sprake van welbewust vooropgezet handelen, van kwade opzet
en niet alleen door een cliënt die zijn niet-wetende advocaat fout informeert. Ik
ken de gedragsregels en nam welbewust in mijn brief aan het hof van afgelopen vrijdag
over het gedrag van [klager] in deze procedure de woorden 'ziekelijk' en 'pathologisch
liegen' op.”
2.14 Op 11 maart 2023 heeft verweerder een e-mail verzonden aan een kantoorgenoot
van klager met in de ‘cc’ klager zelf en alle overige leden van de maatschap van het
kantoor van klager, waarin verweerder onder meer het volgende heeft geschreven:
“(...) Ik kom zo hier nog op terug, maar laat u eerst vanwege de ongebruikelijke
inleidende woorden van deze mail direct al weten dat ik helaas gezien de manier van
werken en communiceren van uw kantoorgenoot [klager] hem in het onderhavige dossier
niet langer meer nog serieus kan nemen, en ik hoop écht voor hem en voor uw kantoor
dat de toekomst niet met zich meebrengt dat straks niemand meer hem nog serieus zal
nemen, in geen enkel toekomstig dossier. (...)”
2.15 Op 11 april 2023 heeft het Hof arrest gewezen en is het vonnis in eerste
aanleg in stand gebleven.
2.16 Bij brief van 12 april 2023 heeft verweerder aan het Hof het volgende geschreven:
“Onder verwijzing naar het op 11 april 2023 gewezen arrest verzoek ik u om met het
oog op het aanvragen van cassatieadvies het erheen te leiden dat mij op korte termijn
het proces-verbaal van de zitting gehouden op 28 februari 2023 wordt toegezonden.
Tevens zou ik daarbij graag ook de datum en zo mogelijk afschrift verkrijgen van het
besluit van het hof, waarmee afwijzend werd beslist op het uitvoerig gemotiveerde
verzoek van [mr. S.] om aan [huurders] (en de wederpartij) in de eerste instantie
een spreektijd toe te staan van 60 minuten, gedaan bij brief van [mr. S.] van 1 maart
2022, waarin hij tevens tevergeefs had verzocht om ter zitting op een groot projectiescherm
het door [verhuurder] in het geding gebrachte videofilmpje te mogen laten zien. Hoewel
ook dit laatste verzoek van [mr. S.] niet werd gehonoreerd heb ik er op de zitting
van 28 februari 2023 nogmaals maar opnieuw tevergeefs gevraagd om de video-opname
op de door [huurders] meegenomen laptop (voorzien van een optimale licht en kleurinstelling)
te mogen laten zien en met in de hand de door [verhuurder] in het geding gebrachte
transcriptie zin voor zin te vergelijken met de beelden en gesproken woorden van het
videofilmpje. Dit met het argument dat dan in één keer voor iedereen duidelijk zou
zijn dat de woordenwisseling zich geheel afspeelde op de trap naar beneden en dat
van een insluiting op de overloop nimmer sprake is geweest en dat in de door [verhuurder]
als productie 13 overlegde transcriptie woorden zijn toegevoegd, wegelaten en veranderd.
Uit 4.22 van het arrest volgt dat het hof het filmpje tóch heeft bekeken en helaas
alleen heeft vergeleken met de correcte transcriptie zoals ingebracht door [huurders],
maar niet met de valse transcriptie zoals ingebracht door [verhuurder]. Omdat zeker
is dat tijdens de zitting het filmpje niet is getoond verkrijg ik graag dan ook naast
het proces-verbaal van de zitting informatie over wanneer wie van de leden van het
hof het filmpje heeft gezien en op wat voor een soort scherm, en of daarvan ook een
verslag is.”
Van deze brief heeft verweerder geen kopie aan klager gestuurd.
2.17 Op 4 mei 2023 heeft een juridisch medewerker van het Hof het proces-verbaal
van de mondelinge behandeling van 28 februari 2023 aan verweerder en klager toegezonden.
Verder schrijft deze medewerker:
“U vraagt ook om een afschrift van de beslissing op het verzoek van [mr. S.] van
1 maart 2022; ik verwijs u daarvoor naar de door het hof zowel aan [mr. S.] als aan
u gezonden e-mail van 19 januari 2023. Behandeling van de overige in uw brief van
12 april jl. vervatte verzoeken is niet aan de orde; het hof heeft immers eindarrest
gewezen.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder:
a) dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten;
b) dat hij zich op 12 april 2023 tot het Hof heeft gewend, nadat arrest was gewezen
en zonder daarvan afschrift te sturen aan klager.
3.2 Klager betwist gemotiveerd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling,
zoals door verweer in zijn klachtbrief richting de deken wordt gesuggereerd. Verweerder
doet een zeer vergaande en bovenal valse beschuldiging aan het adres van klager, wat
nog wordt versterkt met de aankondiging dat hierover nog een klacht wordt ingediend
en een aangifte wordt gedaan. Verder zijn de door verweerder gebruikte bewoordingen
in zijn correspondentie aan het Hof ontoelaatbaar, bovendien ongegrond en getuigen
deze niet van onderlinge welwillendheid. Het is des te kwalijker dat verweerder deze
bewoordingen heeft herhaald ter zitting en daar nog aan heeft toegevoegd dat hij die
bewoordingen ook heel bewust heeft gekozen. Het schrijven van verweerder aan de maatschap
van klager kan evenmin door de beugel en dient nergens toe. Deze wijze van communiceren
draagt niet bij aan een oplossing in der minne.
3.3 Nadat het Hof arrest had gewezen heeft verweerder zich bovendien nog tot
het Hof gewend met uitvoerig toegelichte verzoeken, naast een verzoek om toezending
van het proces-verbaal. Daarmee kon verweerder weliswaar de beoordeling niet meer
beïnvloeden, maar wel de inhoud van het proces-verbaal. Verweerder had daarvan gelijktijdig
afschrift aan klager moeten zenden, zodat hij, indien daartoe aanleiding was geweest,
aan had kunnen geven wat voor zijn cliënte van belang was terug te zien in het proces
verbaal. Dit klemt te meer, nu cassatie is ingesteld. Dit is overigens niet het enige
bericht dat verweerder aan het Hof heeft gestuurd, zonder klager daarin te kennen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder heeft primair
aangevoerd dat de klacht had behoren te worden ingediend bij de deken in het arrondissement
Amsterdam, alwaar verweerder is ingeschreven als advocaat. Dat een andere klacht,
namelijk die van verweerder over klager (bekend onder zaaknummer 25-074/A/NH), door
de Amsterdamse deken is doorverwezen naar de Noord-Hollandse deken, rechtvaardigt
volgens verweerder niet dat de onderhavige klacht ‘rauwelijks’ wordt ingediend bij
een andere deken dan voorgeschreven door de wet.
4.2 Verder plaatst verweerder kanttekeningen bij het optreden van de gemachtigde
van klager.
4.3 Voor wat betreft de klacht zelf voert verweerder aan dat gelet op de context
waarbinnen hij zijn uitlatingen heeft gedaan, hij deze als zodanig heeft kunnen doen.
Tegen huurders is een ware lastercampagne gestart, zonder dat de cliënte van klager
haar beschuldigingen maar enigszins hard heeft kunnen maken. Verder voert verweerder
aan dat hij er wel degelijk belang bij had om de deken reeds in de klachtbrief van
21 februari 2023 te informeren dat er volgens verweerder sprake was van nog méér ontdekkingen
van klachtwaardig handelen. Niet uitgesloten is dat deze informatie een verklaring
(in psychologisch opzicht) vormt voor de enorme fout die klager op 17 januari 2023
heeft gemaakt. Verweerder doelt dan op de tevergeefs ondernomen poging van klager
om koste wat kost te voorkomen dat de zitting zou worden uitgesteld, zodat niet meer
op zijn producties zou kunnen worden gereageerd. Klager heeft bovendien een document
aan het Hof gezonden dat gaat om vertrouwelijke informatie over de cliënten van verweerder.
Klager heeft deze documenten op onrechtmatige wijze verkregen via de makelaar en het
was overduidelijk dat het ging om een vertrouwelijk document, afkomstig van een makelaar,
welk bericht is verzonden door een tot nu toe anonieme persoon. Nadat de makelaar
erachter kwam dat het document gelekt was, toonde zij zich geschokt. In het licht
van deze informatie, valt niet in te zien waarom verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
zou hebben gehandeld door op te schrijven dat klager “in dit dossier een vorm van
ziekelijk gedrag en pathologisch liegen vertoont”.
4.4 Verweerder verzoekt verder – zo heeft hij ter zitting van 26 juni 2025 naar
voren gebracht - de zaak te verwijzen naar een andere Raad van Discipline en hij maakt
bovendien bezwaar tegen gevoegde behandeling van de onderhavige zaak en de zaak 25-074/A/NH.
5 BEOORDELING
Geen verwijzing van de zaak
5.1 Op de zitting van 10 maart 2025 heeft verweerder een verzoek gedaan om de
zaak te verwijzen naar een andere Raad van Discipline. Dat verzoek is door de raad
ter zitting afgewezen. Op de zitting van 26 juni 2025 heeft verweerder opnieuw eenzelfde
verzoek gedaan. De raad ziet geen aanleiding om over te gaan tot verwijzing van de
onderhavige zaak naar een andere Raad van Discipline. Dat een van de tuchtrechters
van de Amsterdamse raad van discipline niet onafhankelijk zou hebben geoordeeld in
een eerdere door de cliënte van verweerder aangebrachte tuchtzaak, kan – wat daar
verder van zij – niet de conclusie dragen dat verwijzing van de onderhavige zaak naar
een andere raad van discipline moet volgen.
Geen sprake van een gevoegde behandeling
5.2 Verweerder heeft op de zitting van 26 juni 2025 ook bezwaar gemaakt tegen
gevoegde behandeling van de onderhavige zaak en de zaak 25-074/A/NH. Aan dit bezwaar
wordt reeds voorbij gegaan omdat de zaken niet zijn gevoegd. De zaken zijn slechts
gezamenlijk op zitting behandeld.
Ontvankelijkheid van klager
5.3 Klager heeft zijn klacht tegen verweerder ingediend bij een stuk dat tevens
een reactie vormde op de eerder ingediende klacht van verweerder over klager (in de
zaak 25-074/A/NH). bij de deken te Noord-Holland. Klager heeft toegelicht dat hij
dat zo heeft gedaan omdat hem dat efficiënter leek. Als de klacht bij de deken in
Amsterdam zou zijn ingediend, zou deze, net als met instemming van verweerder was
gebeurd met de klacht in de zaak 25-074/A/NH, zijn verwezen naar een andere deken.
Ook wanneer de klacht bij de deken in Amsterdam was ingediend, zou de raad te Amsterdam
uiteindelijk over de klacht hebben te oordelen. Verweerder is volgens klager dus ook
niet in zijn belangen geschaad. De raad acht deze toelichting van klager op de gang
van zaken met betrekking tot de indiening van de klacht, niet onnavolgbaar. In elk
geval is er geen grond om klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht.
Klachtonderdeel a)
5.4 Klachtonderdeel a) valt uiteen in drie onderdelen. Het wordt verweerder verweten
dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten richting de deken, richting
het Hof en richting kantoorgenoten van klager.
5.5 Tegenover het Hof heeft verweerder klager toegedicht dat hij zich schuldig
maakt aan ‘ziekelijk gedrag dat zich het beste laat beschrijven als pathologisch liegen,
althans onjuist informeren en stemming maken tegen personen zonder te beschikken over
ook maar een begin van bewijs’, het verspreiden van onware informatie en ongefundeerde
stemmingmakerij. Op de zitting bij het Hof heeft verweerder benadrukt dat hij de woorden
‘ziekelijk’ en ‘pathologisch liegen’ welbewust heeft gebruikt.
5.6 De raad is van oordeel dat verweerder zich hiermee bij het Hof over klager
heeft uitgelaten op een wijze die naar algemeen spraakgebruik grievend, onnodig en
onheus is. Ook is niet gebleken dat verweerder bij het bezigen en herhalen van deze
bewoordingen een functioneel belang had. Het bezigen van dergelijke kwalificaties
zonder dat deze een redelijk doel dienen, past een behoorlijk handelend advocaat niet.
Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke overschreden en de klacht is in zoverre
gegrond.
5.7 Verweerder heeft verder op 11 maart 2023 een e-mail verzonden aan een kantoorgenoot
van klager en alle overige leden van de maatschap van zijn kantoor. In deze e-mail
heeft verweerder kort gezegd de manier van werken en communiceren van klager benoemd,
waardoor hij hem niet langer meer serieus zou nemen. Naar het oordeel van de raad
heeft verweerder zich met deze e-mail eveneens onnodig grievend over klager uitgelaten.
De inhoud en gekozen bewoordingen in de e-mail zijn ongepast en niet constructief.
Ook is niet duidelijk wat klager (al dan niet namens zijn cliënten) met deze e-mail
heeft willen bereiken, behalve het in een kwaad daglicht stellen van klager bij zijn
kantoorgenoten. De bezwaren die verweerder heeft tegen het optreden van klager als
advocaat, behoort hij niet aan de orde te stellen door klager bij zijn kantoorgenoten
te beschimpen. Verweerder heeft ook op dit punt onbetamelijk gehandeld en ook in zoverre
is de klacht gegrond.
5.8 Tegenover de deken heeft verweerder geschreven dat ‘niet uit te sluiten valt
dat het weloverwogen gebruik door [klager] en [verhuurder] van de uit het makelaarskantoor
van [S. Makelaars] ontvreemde vertrouwelijke documentatie naast overtreding van de
AVG ook kwalificeert als een strafbare vorm van heling’. Op zich kan de raad klager
volgen als hij stelt dat deze uitlating grievend is. Waar het in deze echter om gaat
is of er voor verweerder een belang was gegeven om deze uitlatingen namens zijn cliënten
te doen. Verweerder heeft het standpunt van zijn cliënten met betrekking tot de vertrouwelijke
documentatie waarnaar wordt verwezen gemotiveerd uiteengezet. Verweerder heeft daarbij
toegelicht dat het in het belang van zijn cliënten was om de herkomst van deze documentatie
ter discussie te stellen. De bewoordingen die verweerder hier gebruikt, moeten worden
bezien in de context van dat gevoerde debat en de raad is van oordeel dat deze in
dat kader waren toegestaan. Verweerder is gebleven binnen de vrijheid die hem als
advocaat van de wederpartij bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt is
gegeven. In zoverre wordt klachtonderdeel a) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.9 In klachtonderdeel b) wordt verweerder verweten dat hij zich op 12 april
2023 tot het Hof heeft gewend, nadat arrest was gewezen en zonder daarvan afschrift
te sturen aan klager. Dat verweerder dit heeft gedaan, wordt door hem niet betwist.
Volgens verweerder hoefde hij geen afschrift van zijn bericht aan klager te sturen,
omdat de procedure al was beëindigd en de inhoud van de procedure niet meer door hem
kon worden beïnvloed.
5.10 De raad volgt verweerder hier niet in. Verweerder doet in zijn brief van
12 april 2023 verzoeken aan het Hof die raken aan de procedure. Hij vraagt namelijk
in de kern schriftelijke vastlegging van door het Hof genomen beslissingen. Hierover
had verweerder klager, als advocaat van de wederpartij, moeten informeren zodat klager
ook de kans had gekregen om hierop te reageren. Door dit niet te doen heeft verweerder
naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel
wordt daarom gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Uit het voorgaande volgt dat verweerder onvoldoende blijk geeft van een betamelijke
en professionele beroepsuitoefening. Dat acht de raad ernstig, temeer nu verweerder
de grievende uitlatingen die hij heeft gedaan blijft verdedigen en herhalen, ook nu
nog tegenover de raad. Verweerder toont geen enkele vorm van reflectie op zijn handelen.
Verweerder rechtvaardigt zijn handelen met het argument dat hij voor de belangen van
zijn cliënten opkomt. Weliswaar is dat de taak van een (partijdige) advocaat, maar
verweerder lijkt uit het oog te verliezen dat hij daarbij de belangen van derden niet
onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel en dat het zijn taak is om
de standpunten van zijn cliënten op zakelijke wijze te belichten. In het onderhavige
geval is dat onvoldoende gebeurd. In dit kader wordt opgemerkt dat verweerder weinig
professionele distantie van zijn cliënten lijkt te tonen en zich (daardoor) van een
onprofessionele toon bedient.
6.2 Op grond van de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen acht de
raad oplegging van een berisping in dit geval passend en geboden
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in de gemachtigdenkosten
van klager moet worden veroordeeld. Naar het oordeel van de raad is daarvoor echter
onvoldoende aanleiding.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 genoemde
kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken
naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van
Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a (gedeeltelijk) en b gegrond;
- verklaart klachtonderdeel a (gedeeltelijk) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M. Kemmers,
leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 28 juli 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 juli 2025