ECLI:NL:TADRAMS:2025:129 Raad van Discipline Amsterdam 25-074/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:129 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-07-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-074/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Regels die betrekking hebben op de juridische strijd |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht van advocaat over een advocaat van de wederpartij. De raad ziet geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder in de wijze waarop hij zich namens zijn cliënt tegen het verzochte uitstel heeft verzet. Verweerder is, zoals hij heeft toegelicht, opgekomen voor de belangen van zijn cliënt die ermee gediend was dat de zaak niet nog meer vertraging zou oplopen en niet valt in te zien dat hij daarbij de belangen van de wederpartij onnodig heeft geschaad. Klager leest in de woorden van verweerder allerlei – in zijn optiek – kwalijke suggesties, maar daarin wordt klager niet gevolgd. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 juli 2025 (bij vervroeging)
in de zaak 25-074/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
gemachtigde: mr. J.G. Geertsma
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 februari 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam een klacht ingediend over verweerder. Omdat verweerder
zich liet vertegenwoordigen door mr. J.G. Geertsma, die lid is van de Raad van de
Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, is de klacht voor verder onderzoek
doorverwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland
(hierna: de deken).
1.2 Op 3 februari 2025 heeft deze raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/2214308
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 maart 2025. De klacht
is gezamenlijk behandeld met de zaak 24-888/A/NH, die een klacht van verweerder over
klager betreft. Bij de behandeling van de zaken waren klager en verweerder met zijn
gemachtigde aanwezig. Klager heeft op de zitting de behandelend tuchtrechters van
de raad gewraakt. Van de zitting en de wraking is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 Bij beslissing van 9 april 2025 heeft de wrakingskamer de wraking kennelijk
ongegrond verklaard. De beslissing van de wrakingskamer is gepubliceerd onder nummer
ECLI:NL:TADRSGR:2025:67.
1.5 De behandeling van de klacht is voortgezet op de zitting van de raad van
26 juni 2025, wederom gezamenlijk met de zaak 24-888/A/NH. Bij de behandeling van
de zaken waren wederom klager en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de nagezonden stukken van verweerder van 21 februari 2025 en 10 juni 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager staat sinds 16 januari 2023 een cliënte en haar zoon (verder: huurders)
bij in verband met een huurrechtelijke procedure die in de kern draait om de ontbinding
van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van huurders. Verweerder staat
al geruime tijd de verhuurder (verder: de verhuurder) bij in dit geschil.
2.3 Sinds 2016 zijn er diverse procedures gevoerd tussen huurders en verhuurder,
omdat huurders naar de mening van de verhuurder structureel voor overlast zorgen.
In 2016 heeft de eerste bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming
van de woning plaatsgevonden. Die vorderingen zijn toen afgewezen. In 2018 is opnieuw
een bodemprocedure gestart door de verhuurder. Nadat bij tussenvonnis een bewijsopdracht
was gegeven, zijn de vorderingen van de verhuurder op 10 maart 2020 toegewezen: de
huurovereenkomst is ontbonden en huurders zijn veroordeeld om de woning binnen zes
maanden te ontruimen. In beide bodemprocedures werden huurders bijgestaan door een
advocaat. Na het eindvonnis van 10 maart 2020 meldde zich een nieuwe advocaat namens
huurders, namelijk mr. S(...) (verder: mr. S.).
2.4 Van het vonnis van 10 maart 2020 is door mr. S. namens huurders hoger beroep
ingesteld. Daarnaast zijn vier executie kort gedingen gestart, met als doel de executie
van het vonnis van 10 maart 2020 (gedeeltelijk) geschorst te krijgen en feitelijk
het voortgezet gebruik van de woning te bewerkstelligen. In het hoger beroep zijn
verder nog twee incidentele vorderingen ingesteld, en is namens huurders verzocht
om van het tussenarrest cassatie te kunnen instellen. Beide vorderingen en het verzoek
cassatie open te stellen, zijn afgewezen. Op 15 februari 2022 is bepaald dat de mondelinge
behandeling bij het Gerechtshof Amsterdam (verder: het Hof) zou plaatsvinden op 24
januari 2023.
2.5 Op 13 januari 2023 heeft verweerder in het hoger beroep bij akte aanvullende
producties ingediend namens de verhuurder. De termijn voor het indienen van nadere
producties verstreek op 14 januari 2023.
2.6 Op 16 januari 2023 heeft mr. S. zich onttrokken en om die reden uitstel van
de mondelinge behandeling verzocht. Verweerder heeft zich namens de verhuurder op
17 januari 2023 tegen het verzochte uitstel verzet. Daarbij heeft verweerder onder
meer geschreven:
“(...) Daarbij komt dat de mondelinge behandeling van 24 januari a.s. al sinds 15
februari 2022 staat gepland. [Huurders] heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad
om afscheid te nemen van [mr. S.] en op zoek te gaan naar een andere advocaat. Naar
ik van u heb begrepen heeft [huurders] echter pas vandaag via een mailbericht aan
[mr. S.] (met u in de cc) laten weten dat zij niet langer wenst dat [mr. S.] haar
in deze zaak bijstaat. Naar de mening van cliënten kan deze gang van zaken niet los
worden gezien van de aanvullende stukken die ik afgelopen vrijdag tijdig namens cliënten
bij uw hof heb ingediend ten behoeve van de mondelinge behandeling van dinsdag 24
januari a.s., die deels verband houden met een schending door [huurders] van art.
21 Rv. De termijn voor het indienen van aanvullende stukken ten behoeve van de mondelinge
behandeling is inmiddels ruimschoots verstreken. Cliënten kunnen zich dan ook niet
aan de indruk onttrekken dat de onttrekking van [mr. S.] en het gedane verzoek om
de zitting uit te stellen er alleen maar op is gericht om [huurders] in de gelegenheid
te stellen om alsnog stukken in het geding te brengen in reactie op de dezerzijds
ingediende stukken. Dat kan en mag naar de mening van mijn cliënten echter geen reden
zijn om de zitting van 24 januari a.s. nu opeens uit te stellen en de procedure –
die als gezegd al ernstig is vertraagd door toedoen van [huurders] – nog verder te
vertragen.”
2.7 Op 17 januari 2023 heeft klager zich namens huurders als opvolgend advocaat
gesteld en gereageerd op het door verweerder ingediende bezwaar tegen het uitstelverzoek.
Verder heeft klager het Hof (ook) verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen
om medische redenen zijnerzijds.
2.8 Het Hof heeft vervolgens tot 28 februari 2023 uitstel verleend, uitdrukkelijk
niet op grond van de advocatenwissel, maar op grond van de door klager opgevoerde
medische gronden.
2.9 Op 15 februari 2023 heeft klager namens huurders een akte met aanvullende
stukken ingediend, welke stukken onder meer een reactie vormden op de stukken van
de verhuurder van 13 januari 2023.
2.10 Op 11 april 2023 heeft het Hof arrest gewezen en is het vonnis in eerste
aanleg in stand gebleven.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij zich met suggestieve argumenten heeft verzet tegen een verzoek
tot uitstel.
3.2 Volgens klager heeft verweerder met zijn bericht van 17 januari 2023 op vergaande
en zeer kwalijke wijze gesuggereerd dat het ontslag van mr. S. als advocaat in scene
zou zijn gezet met geen ander doel dan het alsnog verkrijgen van een termijn om te
kunnen reageren op de door verweerder op 13 januari 2023 aan het hof toegezonden producties.
Een geheel verzonnen, maar ondertussen zeer lasterlijke grievende suggestie, die niet
alleen laster oplevert jegens huurders, maar ook jegens klager en mr. S. Door verweerder
wordt zelfs ook geen begin van bewijs geleverd voor het mogen wekken van deze suggestie.
Sterker nog: huurders wisten op het moment dat zij overgingen tot het ontslag van
mr. S. nog niet eens van het bestaan van de door verweerder als ‘argument’ ingeroepen
aanvullende stukken, zoals door hem op 13 januari 2023 ingediend. Mr. S. bracht zijn
cliënten daarvan pas op 16 januari 2023 op de hoogte. Verweerder heeft op geen enkele
wijze zijn lasterlijke uitlatingen rechtgezet of daarvoor excuses gemaakt, en heeft
dus geen enkel inzicht getoond in zijn kwalijke handelen, aldus klager.
3.3 Klager verzoekt verder de zaak te verwijzen naar een andere Raad van Discipline
en hij maakt bovendien bezwaar tegen gevoegde behandeling van de onderhavige zaak
en de zaak 24-888/A/NH.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Volgens verweerder stond
het hem vrij om in het belang van zijn cliënte bezwaar te maken tegen het uitstelverzoek
van mr. S., temeer omdat de zaak al ernstig was vertraagd. Uitstel van de mondelinge
behandeling zou ertoe leiden dat de zaak nóg meer vertraging zou oplopen. Dat was
voor zijn cliënte niet wenselijk. Zij had er belang bij dat de zaak op korte termijn
zou worden afgerond.
4.2 Bij de cliënte van verweerder ontstond het vermoeden dat huurders uitstel
van de mondelinge behandeling probeerden te verkrijgen met het doel om alsnog aanvullende
producties in te kunnen dienen in reactie op de aanvullende producties die verweerder
op 13 januari 2023 namens zijn cliënte had ingediend. Verweerder meent dat het hem,
gelet op de ruime vrijheid die hem als advocaat van de wederpartij van huurders toekomt,
vrij stond om in het kader van het bezwaar tegen het uitstelverzoek van mr. S. een
opmerking te maken over dat vermoeden van zijn cliënte. Deze opmerking is ook niet
lasterlijk en/of grievend en zeker niet onnodig grievend.
4.3 Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de veelheid aan klachten
en rechtsmiddelen die klager heeft ingesteld en de toon en inhoud daarvan, inmiddels
kwalificeren als misbruik van recht. Verweerder heeft een overzicht gemaakt van tuchtrechtelijke,
civielrechtelijke en strafrechtelijke acties die klager heeft ondernomen. Verweerder
verzoekt de raad in haar beslissing op te nemen dat dezelfde of soortgelijke klachten,
althans gegrond op hetzelfde feitencomplex althans daarmee nauw verweven/verband houdend,
niet in behandeling zullen worden genomen.
5 BEOORDELING
Geen verwijzing van de zaak
5.1 Op de zitting van 10 maart 2025 heeft klager een verzoek gedaan om de zaak
te verwijzen naar een andere Raad van Discipline. Dat verzoek is door de raad ter
zitting afgewezen. Op de zitting van 26 juni 2025 heeft klager opnieuw eenzelfde verzoek
gedaan. De raad ziet geen aanleiding om over te gaan tot verwijzing van de onderhavige
zaak naar een andere Raad van Discipline. Dat een van de tuchtrechters van de Amsterdamse
Raad van Discipline niet onafhankelijk zou hebben geoordeeld in een eerdere door de
cliënte van klager aangebrachte tuchtzaak, kan – wat daar verder van zij – niet de
conclusie dragen dat verwijzing van de onderhavige zaak naar een andere Raad van Discipline
moet volgen.
Geen sprake van een gevoegde behandeling
5.2 Klager heeft op de zitting van 26 juni 2025 ook bezwaar gemaakt tegen gevoegde
behandeling van de onderhavige zaak en de zaak 24-888/A/NH. Aan dit bezwaar wordt
reeds voorbij gegaan omdat de zaken niet zijn gevoegd. De zaken zijn slechts gezamenlijk
op zitting behandeld.
De klacht
5.3 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.4 De raad ziet geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder in
de wijze waarop hij zich op 17 januari 2023 namens zijn cliënt tegen het verzochte
uitstel heeft verzet. Verweerder is, zoals hij heeft toegelicht, opgekomen voor de
belangen van zijn cliënt die ermee gediend was dat de zaak niet nog meer vertraging
zou oplopen en niet valt in te zien dat hij daarbij de belangen van de wederpartij
onnodig heeft geschaad. Klager leest in de woorden van verweerder allerlei – in zijn
optiek – kwalijke suggesties, maar daarin wordt klager niet gevolgd. De klacht wordt
daarom ongegrond verklaard.
Misbruik van recht
5.5 Uit het door verweerder gegeven overzicht blijkt dat klager sinds eind 2021
geregeld (namens zijn cliënt) klachten heeft ingediend tegen verweerder en zijn gemachtigde.
5.6 Uit de gegeven toelichting van verweerder leidt de raad af dat klager het
advocatentuchtrecht gebruikt om zijn ongenoegen te uiten over het civielrechtelijke
geschil dat heeft gespeeld tussen de cliënten van partijen. Geen van de door klager
ingediende klachten heeft tot gegrondverklaring van enig klachtonderdeel geleid. Klager
moet er dan ook rekening mee houden dat een volgende klacht over (ongeveer) dezelfde
feiten en gedragingen niet meer in behandeling zal worden genomen door de deken en/of
de raad vanwege misbruik van recht.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M. Kemmers,
leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 28 juli 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 juli 2025