ECLI:NL:TADRAMS:2024:203 Raad van Discipline Amsterdam 24-718/A/A
ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2024:203 |
---|---|
Datum uitspraak: | 18-11-2024 |
Datum publicatie: | 25-11-2024 |
Zaaknummer(s): | 24-718/A/A |
Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij kennelijk niet-ontvankelijk; Klager heeft geen rechtstreeks eigen belang bij zijn klacht over de declaraties van verweerder aan zijn cliënt. De inrichting van declaraties betreft een aangelegenheid die uitsluitend speelt tussen de advocaat en zijn cliënt. Klager staat hier als wederpartij buiten. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 november 2024
in de zaak 24-718/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 3 oktober 2024 met kenmerk 2351485/JS/KV, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager nagezonden stukken d.d. 24 oktober 2024.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is een aannemersbedrijf en heeft met de heer N (hierna: N) een aannemingsovereenkomst
gesloten. N is ontevreden over de uitvoering van de werkzaamheden door klager. Tussen
klager en N is hierover een geschil ontstaan. Verweerder staat N als advocaat bij.
1.2 Verweerder is namens de heer N een procedure tegen klager gestart bij de
Raad van arbitrage voor de Bouw. In die procedure heeft verweerder afschriften van
een aantal van zijn declaraties overgelegd. Op deze declaraties staat niet N, maar
een bedrijf (hierna: het bedrijf) als cliënt vermeld.
1.3 Op 20 juni 2024 heeft klager dit bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw aan
de orde gesteld. Daarnaast heeft klager eveneens op 20 juni 2024 naar aanleiding hiervan
bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij zijn declaratie aan het bedrijf heeft gericht en niet aan zijn
cliënt, N.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder heeft hierin
toegelicht dat hij naar aanleiding van de klacht onderzoek heeft verricht en dat hem
was gebleken dat door zijn kantoor in dit dossier ten onrechte is gefactureerd aan
het bedrijf, een cliënte waarvoor verweerder al tientallen jaren werkzaamheden verricht.
De declaraties zijn ook door het bedrijf voldaan. Verweerder heeft na deze constatering
op 21 juni 2024 zijn administratie opdracht gegeven de onjuiste facturatie te corrigeren,
dat wil zeggen de declaraties aan het bedrijf te laten crediteren en op naam van N
te stellen. De betreffende (credit)facturen zijn op 25 juni 2024 verzonden.
3.2 Dat de facturering in dit geval niet goed is gegaan valt aldus verweerder
als volgt te verklaren. Verweerder is in deze zaak in eerste instantie benaderd door
de heer S (hierna: S), directeur van het bedrijf en de werkgever van zijn cliënt,
N. Ook S is een cliënt van verweerder en belt regelmatig met verweerder voor advies.
Verweerder schrijft de tijd in dat geval in een algemeen adviesdossier. Als blijkt
dat er sprake is van meer dan een eenmalig advies, dan laat verweerder een apart dossier
aanmaken. Zo is het ook in dit geval gegaan, maar daarbij is er door zijn administratie
vanuit gegaan dat de zaak het bedrijf zou betreffen. Verweerder heeft de fout niet
eerder geconstateerd. Dat de facturen betaald zijn door het bedrijf is verweerder
bekend. N heeft hem laten weten dat zijn werkgever hem helpt met de betaling van de
declaraties. Tussen N en het bedrijf zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop N
die voorgeschoten kosten zal terugbetalen. Verweerder ziet niet waarom hij daarover
nadere informatie zou moeten verstrekken aan klager. Wat de afspraken zijn tussen
N en het bedrijf is tussen hen, daar staat klager buiten. Verweerder concludeert dan
ook dat er inderdaad door een fout op verweerders kantoor onjuist is gefactureerd,
maar dat dit inmiddels is gecorrigeerd. De kosten van rechtsbijstand in dit dossier
komen voor rekening van de partij aan wie de rechtsbijstand is verleend en dat is
N.
4 BEOORDELING
4.1 De voorzitter zal eerst onderzoeken of klager voldoende belang heeft bij
onderhavige klacht. Het in de Advocatenwet voorziene recht om en klacht in te dienen
tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, doch slechts aan diegene die door het
handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan
worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure
is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken.
4.2 De voorzitter is van oordeel dat klager geen rechtstreeks eigen belang heeft
bij zijn klacht over de declaraties van verweerder aan zijn cliënt. De inrichting
van declaraties betreft een aangelegenheid die uitsluitend speelt tussen de advocaat
en zijn cliënt. Klager staat hier als wederpartij buiten.
4.3 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht kennelijk niet-ontvankelijk
verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2024.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 november 2024