ECLI:NL:TADRAMS:2023:63 Raad van Discipline Amsterdam 22-925/A/NH
ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2023:63 |
---|---|
Datum uitspraak: | 27-03-2023 |
Datum publicatie: | 31-03-2023 |
Zaaknummer(s): | 22-925/A/NH |
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster stond in een familiekwestie de ex-vrouw van klager bij als advocaat. Klager stelt dat verweerster in de procedures waarin zij de ex-vrouw van klager bijstond, ten onrechte het woord ouderverstoting heeft gebruikt en dat verweerster daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klager wordt daarin door de raad niet gevolgd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 27 maart 2023
in de zaak 22-925/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 juli 2022 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 21 november 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/1998463
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 februari 2023. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de
op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5. Ook heeft de raad kennisgenomen
van door verweerster op 15 december 2022 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft een affectieve relatie gehad, waaruit twee kinderen zijn geboren,
te weten in 2006 en in 2009. In mei 2018 is de affectieve relatie geëindigd. De kinderen
verblijven sindsdien bij klager.
2.3 Bij beschikking van 4 september 2018 zijn de kinderen op verzoek van de moeder
door de rechtbank Amsterdam voor de periode van een jaar, derhalve tot 4 september
2019, onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam
(hierna: de GI) gesteld. De moeder werd in die procedure bijgestaan door verweerster.
2.4 Bij beschikking van 30 augustus 2019 heeft de rechtbank Amsterdam de ondertoezichtstelling
op verzoek van de GI voor de periode van een jaar verlengd, derhalve tot 4 september
2020. De moeder, die belanghebbende was in die procedure, werd ook in die procedure
bijgestaan door verweerster. Klager is tegen die beschikking in hoger beroep gegaan.
2.5 Bij beschikking van 10 maart 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking
van 30 augustus 2019 vernietigd en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling
afgewezen. Het gerechtshof heeft daartoe onder meer het volgende, voor zover hier
van belang, overwogen:
“5.6 Het feit dat (de kinderen) al geruime tijd iedere vorm van contact met hun
moeder categorisch afwijzen, acht het hof zonder meer zorgelijk. Dat geldt zeker nu
de moeder hen voorheen altijd heeft verzorgd en opgevoed. Het risico dat de kinderen
daarvan later een of meer ontwikkelingsproblemen zullen ondervinden zoals de GI aanvoert
(zie 5 .4), brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat in dit stadium kan worden
gesproken van een ernstige en concrete bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen.
Uitgaande van de volgens vaste jurisprudentie geldende maatstaf (zie 5.5 eerste alinea),
is de omstandigheid dat zich dergelijke problemen op latere leeftijd bij de kinderen
mogelijk kunnen voordoen, daarvoor niet voldoende. Dat is evenmin het geval als de
omstandigheden van het onderhavige geval, in het bijzonder de echtscheidingsproblematiek
van de ouders, het verdriet daarover van de kinderen en hun gevoelens jegens hun moeder,
in aanmerking worden genomen. De stelling van de GI dat sprake is van ouderverstoting
c.q. oudervervreemding wordt niet door een officiële diagnose onderbouwd, zodat niet
vaststaat of hiervan daadwerkelijk sprake is.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het thans goed gaat met de kinderen
en zij zich goed ontwikkelen, is niet voldaan aan de hoge eisen die aan oplegging
van een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling worden gesteld. (…).”
2.6 Bij beschikking van 26 augustus 2020 heeft de rechtbank de verzoeken van klager
en de moeder inzake de hoofdverblijfplaats van de kinderen afgewezen. De rechtbank
daarbij onder meer het volgende overwogen:
“2.6 (…) Het langdurig ontbreken van contact tussen de kinderen en de moeder is
echter zeer zorgelijk. In deze situatie heeft de vader als verzorgende ouder meer
dan gemiddeld de taak om te zorgen dat de kinderen contact hebben met de andere ouder.
Hierin is de vader tot nu toe niet geslaagd. (…)
(…)
2.9 (…) De rechtbank is met de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat het
voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen van groot belang is dat zij onbelast
contact kunnen hebben met beide ouders en er een zorgregeling zou worden vastgesteld.
Onder de huidige omstandigheden, waarin het de ouders niet lukt om de randvoorwaarden
daarvoor te creëren en de kinderen van de vader geen daadwerkelijke toestemming ervaren
om het contact met hun moeder aan te gaan, ziet de rechtbank daartoe geen mogelijkheden.
(…) Nu het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling is geëindigd, ligt de verantwoordelijkheid
voor het herstel van de relatie van de kinderen met de moeder weer volledig in de
handen van partijen, meer in het bijzonder van de vader. De rechtbank spreekt de hoop
uit dat de vader gaat inzien dat hij (de kinderen) ernstig tekort doet zolang hij
hen belast met de spanningen op ex-partnerniveau en zolang de scheiding van hun moeder
voortduurt. De vader zal alles in het werk moeten stellen om er voor te zorgen dat
de kinderen weer ruimte gaan voelen om onbelast contact te hebben met hun beide ouders.”
2.7 Op 12 oktober 2021 heeft verweerster in een procedure tussen de moeder en klager
bij het gerechtshof Amsterdam, namens de moeder een memorie van antwoord, tevens houdende
memorie van grieven incidenteel appel, ingediend. In die memorie van antwoord staat,
voor zover hier van belang, het volgende:
“Bespreking grief 9 combinatiekorting en kindgebonden budget
(…)
77. De combinatiekorting, voluit genoemd de inkomensafhankelijke combinatiekorting,
wordt
bovendien nooit maandelijks uitgekeerd door de belastingdienst, maar is een heffingskorting,
die
op jaarbasis een aftrekpost geeft van € (…). De berekening van de man klopt dan ook
in het
geheel niet. Overleggen met de man was ook geen optie. Uit de processtukken in eerste
aanleg
blijkt dat er helaas sprake is van ouderverstoting.
78. De man heeft zoveel extra kosten voor de vrouw veroorzaakt om haar alleen maar
uit de (woning) te
houden. Omdat het de vrouw helaas bekend was dat het de man uitsluitend om geld gaat,
heeft zij
inderdaad nog even geld overgemaakt. De vrouw was (en is nog steeds) zeer bezorgd
over het
welzijn van de beide kinderen en de aantoonbare ouderverstoting door de man. De vrouw
was
bevreesd dat de man haar het leven nog veel zuurder zou maken, indien ze geen geld
zou
overmaken. Helaas was dat zonde van het geld, want feit is dat de man de vrouw nog
steeds niets
gunt.
(…)
Bespreking grief 12
(…)
110. De man somt enkele voorwerpen op die de vrouw heeft meegenomen, maar erkent daarmee
impliciet dat 95% van de inboedel is achtergebleven en alsnog verdeeld diende te worden.
Gelet
op de ouderverstoting, waardoor de man de vrouw helaas niets gunt en haar niet of
nauwelijks in
de woning toeliet (de persoonlijke spullen waren bij het ophalen lukraak in de achtertuin
gezet),
diende de vrouw in deze voor een praktische oplossing te kiezen, aangezien duidelijk
is dat zij met
de man nimmer tot een eerlijke verdeling kon komen. Gelukkig zag de rechtbank dat
in, maar
heeft helaas de inboedel niet op de reële waarde kunnen vastzetten.”
2.8 Op 8 juni 2022 heeft verweerster bij de rechtbank Amsterdam namens de moeder
een verweerschrift ingediend inzake een door klager gedaan alimentatieverzoek. In
dat verweerschrift staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“8. Het hof overwoog dat duidelijk is dat de man de oorzaak van de echtscheiding
(maar partijen
waren niet gehuwd) bij de vrouw legt. Verder overwoog het hof helaas dat de stelling
van de
GI dat er sprake is van ouderverstoting c.q. oudervervreemding niet door een officiële
diagnose wordt onderbouwd en dat ook de man het eens zou zijn dat de kinderen contact
moeten hebben met beide ouders. Het hof overwoog tot slot dat het van groot belang
is dat
de ouders het advies van Altra zullen opvolgen en zich (onder meer) volledig zullen
inzetten
voor het traject bij Arkin en dat beide ouders ter zitting hebben toegezegd aan dit
traject hun
medewerking te zullen verlenen, ook als de ondertoezichtstelling niet zou worden verlengd.
9. De inkt was helaas nog niet droog en de man verzette zich weer op alle
mogelijke manieren.
Bij beschikking van 26 augustus 2020 heeft de rechtbank zich vervolgens genoodzaakt
gezien
alle verzoeken van partijen over vaststelling hoofdverblijfplaats en zorgregeling
af te wijzen,
zie productie 5. De rechtbank heeft overwogen dat nu het gedwongen kader van de
ondertoezichtstelling is geëindigd, de verantwoordelijkheid voor het herstel van de
relatie
van de kinderen met hun moeder weer volledig in de handen van partijen ligt, meer
in het
bijzonder van de man. Ook de rechtbank heeft in gemelde beschikking de hoop
uitgesproken dat de man gaat inzien dat hij (de kinderen) ernstig tekort doet zolang
hij hen belast met de spanningen op ex-partnerniveau en zolang de scheiding van hun
moeder voortduurt en dat de man alles in het werk zou moeten stellen om ervoor te
zorgen
dat de kinderen weer ruimte gaan voelen om onbelast contact te hebben met hun beide
ouders.
10. De man volhardt helaas in de ouderverstoting en kan het niet eens opbrengen
om de vrouw
op een normale manier te informeren omtrent het welzijn van de kinderen. De voor hem
klaarblijkelijk verplicht gevoelde berichten zijn veelal totaal inhoudsloos, zie als
voorbeeld
productie 6.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster
dat zij zich in gerechtelijke procedures onnodig grievend over klager heeft uitgelaten,
meer specifiek dat verweerster klager ten onrechte en ongefundeerd ervan heeft beschuldigd
dat er door klager jegens de moeder sprake zou zijn van ouderverstoting.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Voorop wordt gesteld dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om
de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn
cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden
doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij,
(b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs
kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de
belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk
doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen
aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het
algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden
is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af
te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan
hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt.
Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd
zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken,
onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
5.2 In familiekwesties geldt op deze maatstaf nog een aanvulling, namelijk dat
de advocaat in familiekwesties in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie
tussen de ex-echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid
worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen
spelen, met name belangen van kinderen.
De klacht
5.3 De klacht gaat in de kern over het door verweerster in haar stukken gebruiken
van het woord ouderverstoting (zie 2.7 en 2.8). Klager stelt dat de beschuldiging
van ouderverstoting onnodig en ernstig grievend is, te meer nu het gerechtshof Amsterdam
in de beschikking van 10 maart 2020 heeft geoordeeld dat er geen sprake is van ouderverstoting
door klager.
5.4 Verweerster heeft aangevoerd dat zij het woord ouderverstoting ook na de beschikking
van het gerechtshof van 10 maart 2020 is blijven gebruiken omdat voor haar cliënte
sinds mei 2018 de situatie ongewijzigd is. Haar cliënte heeft sinds mei 2018 geen
contact meer met de kinderen en door klager wordt er geen enkele vorm van informatie
over de kinderen aan haar cliënte gegeven. Door de betrokken instanties en ook door
de rechtbank Amsterdam in de beschikking van 29 augustus 2020 is dat aangeduid als
ouderverstoting. Althans dat is de strekking van wat de rechtbank in die beschikking
zegt, aldus verweerster.
5.5 De raad oordeelt als volgt. Dat verweerster het woord ouderverstoting in haar
processtukken gebruikt om daarmee aan te duiden dat klager het contact tussen de moeder
en de kinderen tegenhoudt zou onnodig grievend jegens klager kunnen zijn indien er
geen enkel aanknopingspunt is dat daarvan sprake is. In dat kader wordt allereerst
overwogen dat, anders dan door klager gesteld, in de beschikking van het gerechtshof
van 10 maart 2020 door het gerechtshof Amsterdam niet is geoordeeld dat klager het
contact tussen de moeder en de kinderen niet tegenhoudt. Het gerechtshof heeft enkel
geoordeeld dat de stelling van de GI dat er sprake is van ouderverstoting dan wel
oudervervreemding niet door een officiële diagnose wordt onderbouwd en dat de ouderverstoring
daarom niet vaststaat (2.5). Het ontbreken van een officiële diagnose, sluit dus nog
niet uit dat de feitelijke situatie overeenstemt met hetgeen de GI in die procedure
heeft aangevoerd.
5.6 Verweerster wordt voorts gevolgd in haar stelling dat uit de beschikking van
de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2020, die is gewezen ná voormelde beschikking
van het gerechtshof van 10 maart 2020, kan worden afgeleid dat naast de GI ook de
rechtbank Amsterdam van mening is dat klager het contact tussen de moeder en de kinderen
tegengaat. Zo overweegt de rechtbank in die beschikking dat de kinderen van klager
geen toestemming ervaren om contact met de moeder te hebben en spreekt de rechtbank
de hoop uit dat klager gaat inzien dat hij de kinderen ernstig tekort doet zolang
de scheiding met hun moeder voortduurt (zie 2.6). De overgelegde stukken noch het
ter zitting verhandelde bevatten aanwijzingen dat klager nadien zijn houding ten opzichte
van het contact tussen de moeder en de kinderen wezenlijk heeft gewijzigd. Gelet hierop
is de raad van oordeel dat het niet onbegrijpelijk is dat verweerster na de beschikking
van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2020 het woord ouderverstoting in processtukken
is blijven gebruiken om daarmee de situatie te duiden waarin haar cliënte sinds mei
2018 ten opzichte van haar kinderen verkeert. Verweerster heeft daarmee in het onderhavige
geval niet de vrijheid overschreden die zij als advocaat geniet om de belangen van
haar cliënte te behartigen. De klacht is daarmee ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond;
Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2023.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 27 maart 2023