ECLI:NL:TADRAMS:2023:237 Raad van Discipline Amsterdam 23-055/A/A 23-056/A/A
ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2023:237 |
---|---|
Datum uitspraak: | 18-12-2023 |
Datum publicatie: | 22-12-2023 |
Zaaknummer(s): |
|
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; (gedeeltelijk) gegronde klacht over de dienstverlening door de eigen advocaten (verweerders 1 en 2) in een (jeugd)strafzaak. De raad heeft allereerst geoordeeld dat zowel klager als klaagster kunnen worden ontvangen in hun klacht. Klager heeft een rechtsgeldige machtiging overgelegd, waarmee hij klaagster (zijn moeder) heeft gemachtigd namens hem een klacht in te dienen over verweerders. Klaagster heeft een rechtstreeks eigen belang bij de klacht. Klager was in de periode dat hij werd verdacht van een strafbaar feit minderjarig. Hierdoor liep de communicatie met verweerders over de rechtsbijstand voor het merendeel via klaagster, als moeder. Ook de opdrachtbevestiging is aan klager en aan zijn ouders (dus ook aan klaagster) gestuurd. De klacht is gegrond voor zover deze gaat over de schriftelijke vastlegging door verweerder 1. Verweerder 1 heeft nagelaten belangrijke informatie en afspraken over zijn rol in de bijstandverlening aan klagers schriftelijk vast te leggen en daarover aan klagers voldoende duidelijkheid te verschaffen. Hiermee heeft verweerder 1 wegens strijd met gedragsregel 16 lid 1 niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Hoewel verweerder 1 een lange antecedentenlijst heeft, volstaat de raad in deze zaak met oplegging van een waarschuwing met kostenveroordeling, omdat het verwijtbaar handelen in deze klachtzaak heeft plaatsgevonden in een periode voorafgaand aan de (meeste) andere tuchtrechtelijke verwijten waarvoor aan verweerder 1 een maatregel is opgelegd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 december 2023
in de zaken 23-055/A/A en 23-056/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerder 1
gemachtigde: mr. A. Çimen
verweerder 2
samen ook: verweerders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 april 2022 heeft klaagster (als moeder van klager) mede namens klager,
geboren 8 oktober 2001, bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerders. Klaagster heeft
een machtiging van klager overlegd.
1.2 Op 18 januari 2023 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1878685/EJH/FS
en 1904778 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is - na een eerdere aanhouding - behandeld op de zitting van de raad
van 20 november 2023. Daarbij was klaagster aanwezig. Ook waren verweerders aanwezig,
waarbij verweerder 1 werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de
op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de door klaagster bij e-mail van 22 mei 2022 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 8 augustus 2019 is - de toen nog minderjarige - klager door de politie aangehouden
op verdenking van doodslag. Klager heeft die dag een verklaring afgelegd. Nadat klager
eerst is bijgestaan door een andere advocaat (mr. S), heeft klaagster contact opgenomen
met verweerder 1 met het verzoek de verdediging van de strafzaak van haar zoon - klager
- over te nemen.
2.3 Na de inbewaringstelling door de rechter-commissaris op 12 augustus 2019 en
voor de raadkamer gevangenhouding op 20 augustus 2019 heeft het kantoor van verweerders
de verdediging overgenomen van mr. S. Verweerder 1 was bij het eerste verhoor van
klager aanwezig.
2.4 De kantoorgenoot van verweerder 1, verweerder 2, heeft klager vervolgens als
(behandelend) advocaat bijgestaan in de procedure in eerste aanleg. Ten behoeve van
klager is in dat verband een toevoeging verstrekt op 24 december 2019 op naam van
verweerder 2.
2.5 Verweerder 2 heeft klager bijgestaan op de raadkamerzitting op 20 augustus
2019, tijdens de pro forma behandelingen en tijdens de inhoudelijke behandeling op
13 maart 2020 van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank).
2.6 Op 10 oktober 2019 is uit naam van het kantoor van verweerders een ontvangstbevestiging
gestuurd aan klager en zijn ouders (waaronder dus klaagster). Hierin staat onder meer:
“Wij streven ernaar uw zoon van de best mogelijke rechtsbijstand te voorzien. Wij
werken op kantoor in teamverband samen. U/uw zoon heeft op kantoor weliswaar een vaste
advocaat, doch in voorkomende gevallen kan die zich laten vervangen door een kantoorgenoot.
Uw zoon is daardoor nooit alleen en nimmer verstoken van rechtsbijstand.”
2.7 Op 27 februari 2020 heeft de Observatieafdeling Forensisch Centrum Teylingereind
(Forca) een Klinisch Multidisciplinair onderzoek Pro Justitia opgemaakt over klager.
Het advies luidt een behandeling op te leggen in het kader van een voorwaardelijke
PIJ-maatregel.
2.8 Tussen klaagster en verweerder 2 is gedurende de bijstand van verweerder 2
aan klager veelvuldig per Whatsapp over de procedure van klager gecommuniceerd. Op
12 maart 2020 schrijft verweerder 2 aan klaagster, voor zover relevant:
“(…) Vandaag een goed bezoek aan [klager] gehad. Ik heb hem ook geprobeerd te coachen
in de juiste opstelling op de zitting. Hij zal proberen zo goed mogelijk te vertellen
wat er in zijn optiek gebeurd is. We hebben het ook gehad over hoe de rechter de zaak
letterlijk bekijkt. De rechtbank ziet [klager] zitten. De rechtbank ziet ook de ouders
van [het slachtoffer] en zijn vrouw zitten. De rechtbank heeft gelezen dat de kindjes
van [het slachtoffer] in de buurt waren. Ik hoop dat [klager] erin slaagt om niet
richting de slachtofferrol te bewegen. Dat zou zijn positie geen goed. Mijn pleidooi
zal zich niet richten op een gedetailleerde uiteenzetting van alle verschikkende verklaringen.
Als je nu alles leest en naast elkaar zet, dan is het heel goed mogelijk om de film
voor je te zien. (…). Waar ik als jurist moeite mee heb is te begrijpen welke aktie
welk gevolg heeft gehad. Heel concreet: kan vastgesteld worden dat de verwonding die
ten gevolge van het handelen van [klager] is ontstaan de dood ten gevolg heeft gehad.
Zo ja, dan is er sprake van doodslag. Zo niet, dan is daarvan geen sprake. Dit noemen
ze in het recht causaliteit. (…) Het is natuurlijk heel makkelijk om te zeggen: als
[klager] niet met een mes naar die meneer was gegaan en hem er niet mee verwond had,
was hij niet overleden. Aan de andere kant is dat in mijn optiek wat te kort door
de bocht. Er is immers fors medisch ingegrepen. Wat is daarvan het gevolg geweest?
Ik vind dat typisch een juridische discussie en ik wil niet dat [klager] of u daarover
spreekt. Ik wil echt dat [klager] zuiver berouwvol terugkijkt op de gebeurtenissen.”
2.9 Op 13 maart 2020 heeft de besloten zitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting
heeft verweerder 2 een pleitnota voorgedragen. In de pleitnota staat onder meer het
volgende:
‘Mijn visie is dat de verklaring van [klager], zoals hij die in zijn eerste verhoor
op de dag van zijn aanhouding reeds aflegde, als uitgangspunt kan gelden voor de vaststelling
van de feiten (4). (…) (5). Hij was opgewekt en had onder de douche zelf nog staan
rappen. Vervolgens hoort [klager] [het slachtoffer], die hij op dat moment niet kent,
ruzie maken met zijn vader. [Klager] ziet dus dat een jongere man ruzie maakt met
zijn oudere buurman. Hierbij wordt kennelijk behoorlijk met stemverheffing gesproken,
want niet alleen trekt het de aandacht van [klager] die zich op dat moment aan de
overzijde van de straat in zijn eigen woning bevindt, ook getuige [C] (bewoner van
nr 176), verklaarde dat hij wakker werd van geschreeuw (6). [Klager] kijkt uit het
raam en ziet dat zijn buurman geduwd wordt. Dit triggerde [klager]. Inmiddels is mij
uit de Forca-rapportage goed duidelijk geworden hoe het waarnemen van een dergelijk
incident tussen [het slachtoffer] en zijn vader bij [klager] binnenkomt. (…) (7).
[Klager] staat als het ware ‘op scherp’ wanneer zich ergens geschreeuw, ruzies of
conflicten voordoen. [Klager] gaat eropaf met, zo mag denk ik rustig zeggen, de beste
intenties. De eerste confrontatie tussen [klager] en [het slachtoffer] is dan een
feit. Ik denk dat daarbij over en weer stevige woorden zijn gebruikt, zoals [klager]
in zijn verklaring heeft aangegeven. Ik combineer weer wat ik heb gelezen over [klager]
in het Forca-rapport met wat ik terugzie in zijn eigen verklaring: het verbaal optreden
van [klager] op het vermeende onrecht had niet het beoogde resultaat / gewenste effect,
en [klager] ging een stap verder: hij gaf [het slachtoffer] een klap met zijn vlakke
hand. Dus, het feit dat [klager] op de situatie tussen [het slachtoffer] en zijn vader
toe loopt, en zich daarin verbaal mengt, leidt er niet toe dat [het slachtoffer] ‘afdruipt’
en de stresserende situatie blijft derhalve bestaan. In deze situatie wordt in het
Forca-rapport de hier opgetreden mogelijkheid van agressieve acting out omschreven.
Na die klap met de vlakke hand keerde [klager] terug richting zijn woning. De verbale
agressie die [klager] eerder op zijn buurman gericht zag, richtte zich nu op hem en
zijn moeder. Dit aanhoudende contact tussen [het slachtoffer] en [klaagster], triggerde
[klager] om opnieuw naar buiten te gaan: (…) (8) [Klager] ging met dat mes naar buiten.
Wat er toen gebeurde is ook weer door verschillende personen gezien en beschreven,
en ook weer op verschillende manieren. Zo verklaarde [klager] zelf op 08 augustus
2019 dat hij niet de intentie had om te steken, maar wel om bang te maken. [Klager]
zegt dat er een moment was waarop [het slachtoffer] op hem af kwam. Op dat moment
zwaaide [klager] met het mes en daarbij moet hij [het slachtoffer] geraakt hebben.
(…)”
2.10 Na de zitting, op 15 maart 2020 heeft verweerder 2 klaagster het volgende
Whatsapp-bericht gestuurd:
“(…), via collega [verweerder 1] vernam ik van uw / jullie onvrede over de manier
waarop de zaak is verlopen. Mijn voorstel is om - op het moment dat dit verantwoord
is - op kantoor een gesprek hierover te hebben waarbij zowel [verweerder 1] als ik
aanwezig zijn. Desgewenst natuurlijk.”
Klaagster heeft op dit bericht diezelfde dag geantwoord:
“(…) Ja ik zou heel graag dat gesprek op kantoor willen. En dan het liefste met z’n
allen rond de tafel zitten. Ik ben gister bij [klager] geweest en hij zegt mama er
waren zoveel beschuldigingen naar mij toe en de advocaat verdedigde mij niet eens.
Dit was echt een verschrikkelijke dag voor ons. Alles wat ik heb doorgegeven aan jullie
over het opvragen van informatie over het slachtoffer kwam niets van naar voren. De
feiten zijn gewoon omgedraaid.”
2.11 Op 27 maart 2020 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en klager veroordeeld
tot 21 maanden jeugddetentie en - in tegenstelling tot het Forca-advies - tot een
onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
2.12 Verweerder 2 heeft namens klager hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak
en de deskundigen van Forca als gewenste getuigen in hoger beroep opgegeven, aangezien
de rechtbank contrair aan hun advies een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel had opgelegd.
Daarna heeft verweerder 2 de verdediging overgedragen aan een opvolgend advocaat.
2.13 Bij arrest van 2 februari 2021 heeft het gerechtshof Den Haag (hierna: het
hof) het vonnis van de rechtbank bevestigd met dit verschil dat aan klager een voorwaardelijke
PIJ-maatregel is opgelegd. Het arrest van het hof hield ook in dat klager aan de nabestaanden
van het slachtoffer een bedrag van € 89.994,24 moet betalen.
2.14 Op 8 april 2022 heeft klaagster, ook namens klager, bij de deken een klacht
over verweerders ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar
hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerders
het volgende:
a) verweerder 1 heeft de strafzaak van klager aangenomen en ondanks zijn belofte
de zaak zelf te behandelen, de zaak uitbesteed aan verweerder 2. Verweerder 1 heeft
toezeggingen gedaan om klager in detentie te bezoeken, maar kwam ook deze toezeggingen
niet na;
b) verweerder 1 heeft verzuimd klagers te adviseren ook een civiele advocaat in
te schakelen in verband met de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding.
Als gevolg daarvan heeft klager nu een zeer hoge schuld;
c) verweerders hebben nagelaten de door klagers aangeleverde informatie te gebruiken
voor de verdediging van klager. Bovendien hebben zij nagelaten om deskundigen van
Forca uit te nodigen voor de zitting bij de rechtbank. Mede hierdoor is de straf van
klager hoger uitgevallen dan het advies van Forca.
d) verweerder 2 heeft ter zitting gedurende vijf tot tien minuten pleidooi gevoerd.
De rest van de zitting zat hij met zijn armen over elkaar. Ook heeft verweerder 2
aangegeven medelijden met de nabestaanden van het overleden slachtoffer te hebben.
4 VERWEER
4.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klagers
5.1 Voor alle weren stellen verweerders zich op het standpunt dat de klacht van
klaagster niet-ontvankelijk is, omdat tussen haar en verweerders geen cliëntrelatie
heeft bestaan en zij gelet hierop geen eigen rechtstreeks belang heeft bij de klacht.
Verweerder 1 stelt zich daarnaast op standpunt dat klager niet-ontvankelijk is, omdat
zijn machtiging aan klaagster niet rechtsgeldig is vanwege het ontbreken van een kopie
van een identiteitsbewijs.
5.2 De raad acht zowel klager als klaagster ontvankelijk in hun klacht. Met betrekking
tot klaagster overweegt de raad als volgt. Het in het Advocatenwet voorziene recht
om een klacht in te dienen over een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts
aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks
in zijn belang is of kan worden getroffen. Alleen de deken kan klagen over advocaten
in het algemene belang. De raad stelt vast dat de klacht ziet op de rechtsbijstand
van met name verweerder 2 aan klager, in een periode dat hij als minderjarige werd
verdacht van een strafbaar feit. De communicatie over die rechtsbijstand heeft voor
het merendeel plaatsgevonden tussen verweerder 2 en klaagster, die de moeder is van
klager. Ook de opdrachtbevestiging is aan klager en aan zijn ouders (dus ook aan klaagster)
gestuurd. De raad concludeert in verband daarmee dat klaagster een voldoende eigen
rechtstreeks eigen belang heeft om een klacht over verweerders in te dienen (Vgl.
Raad van discipline Amsterdam van 19 december 2022, ECLI:NL:TADRAMS:2022:270).
5.3 Verder is de raad, anders dan verweerder 1 heeft aangevoerd, van oordeel dat
klager een rechtsgeldige, door hem ondertekende, machtiging heeft overgelegd. Het
overleggen van een kopie van een identiteitsbewijs acht de raad hiervoor niet noodzakelijk.
Dat volgt ook niet uit de door verweerder 1 aangehaalde beslissing van de Raad van
Discipline Den Bosch van 18 november 2021 (ECLI:NL:TADRSHE:2021:211). In die zaak
ging het om een niet-ondertekende machtiging die daarom niet rechtsgeldig werd geoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling van de klacht
5.4 De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening
rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft bij de wijze waarop
hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico
- waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid
is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer
in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat
zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele
standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden
mag worden verwacht.
5.5 Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar
dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet
ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met
de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat
zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken.
Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil,
schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
Klachtonderdeel a)
5.6 In dit klachtonderdeel verwijten klagers verweerder 1 dat hij de strafzaak
van klager heeft aangenomen en hen had verzekerd dat hij de rechtszaak van klager
zelf zou doen. Toch heeft verweerder 1 de zaak vervolgens uitbesteed aan verweerder
2. Klagers verkeerden in de veronderstelling dat verweerder 2 de informatie die zij
hem verstrekten aan verweerder 1 doorgaf. Verweerder 1 had klagers namelijk op een
zeker moment gezegd dat verweerder 2 hun aanspreekpunt was, maar dat verweerder 1
wel zelf de zaak van klager op de zitting van 13 maart 2020 zou behandelen. Toen hij
ook dat niet had gedaan, hebben klagers hierover hun onvrede geuit.
5.7 Verweerder 1 voert aan dat hij tijdens zijn vakantie door klaagster is benaderd
met de vraag of hij haar - nog net minderjarige - zoon (klager) wilde bijstaan die
was aangehouden voor een levensdelict. Hij heeft haar toen geantwoord dat hij op vakantie
was, maar dat op zijn kantoor wel een voor het jeugdstrafrecht ingeschreven advocaat
beschikbaar was die de zaak zou kunnen oppakken. Dat was verweerder 2. Verweerder
1 beaamt dat hij niet op zittingen is verschenen. Zijn kantoor had de zaak in behandeling,
niet hij. Bij elke zitting was de behandelend en ook toegevoegde advocaat, verweerder
2, aanwezig. Dat hij klager, op een bezoek na, niet heeft bezocht in detentie is logisch,
omdat hij de zaak niet persoonlijk behandelde. Verweerder 2 bezocht klager vanzelfsprekend
wel. Die keer dat hij klager wel had bezocht, had te maken met de 'helicopterview'
die hij graag houdt over de zaken. Hij doet dat zeer regelmatig; cliënten van kantoor
even een hart onder de riem steken. Even kennismaken met cliënten van kantoor. Verweerder
1 heeft ter zitting toegelicht dat wanneer cliënten naar zijn kantoor bellen, zij
bijna altijd naar hem vragen, terwijl hij niet al die zaken zal behandelen. Juist
omdat hij dat weet, probeert hij altijd duidelijkheid te creëren over de vraag of
hij de zaak zelf in behandeling neemt of niet.
5.8 De raad overweegt dat een advocaat belangrijke afspraken schriftelijk dient
vast te leggen ter vermijding van onduidelijkheid (zie gedragsregel 16 lid 1). Indien
de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op de advocaat te rusten.
Anders dan verweerder 1 heeft betoogd, volgt uit het klachtdossier en hetgeen klaagster
ter zitting naar voren heeft gebracht niet dat het klagers zonder meer duidelijk was
dat verweerder 2 hun advocaat zou worden en blijven en dat verweerder 1 slechts een
beperkte rol op de achtergrond zou hebben. Ook de opdrachtbevestiging biedt geen duidelijkheid
hierover. Klagers hadden - zo is ook gebleken ter zitting - al hun hoop gevestigd
op rechtsbijstand door verweerder 1 persoonlijk en waren voor hem van advocaat gewisseld.
Zij accepteerden verweerder 2 als aanspreekpunt, maar verkeerden in de veronderstelling
dat verweerder 1 in ieder geval klager op de zitting zou bijstaan. De raad is van
oordeel dat het op de weg van verweerder 1 als naamgever van het kantoor lag om zonneklaar
en expliciet (schriftelijk) duidelijk te maken wie de zaak zou behandelen en wat zijn
rol hierin zou zijn. Nu hierover niets op schrift staat, komt de onduidelijkheid die
hierover bij klagers is ontstaan voor rekening en risico van verweerder 1. Ten overvloede
overweegt de raad dat rechtszoekenden in het strafrecht veelal veel waarde hechten
aan de persoon van hun advocaat. In dat licht ligt het temeer in de rede om over de
persoon van de advocaat geen enkele onduidelijkheid te laten bestaan. De handelwijze
van verweerders 1 is in strijd met gedragsregel 16 lid 1 en strookt daarmee niet met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en handelend advocaat mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) is gelet hierop gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.9 In dit klachtonderdeel verwijten klagers verweerder 1 dat hij verzuimd heeft
hen te adviseren ook een civiele advocaat in te schakelen in verband met de weerspreking
van de vorderingen van de benadeelde partijen (de nabestaanden van het overleden slachtoffer).
Als gevolg daarvan heeft klager nu een zeer hoge schuld.
5.10 De raad acht dit klachtonderdeel ongegrond. Verweerder 1 heeft in de eerste
plaats terecht aangevoerd dat hij de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld en daarom
ook geen adviezen over dit onderwerp heeft gegeven. Meer in het algemeen is - ook
door verweerder 2 die zich dit verwijt als behandelend advocaat heeft aangetrokken
- genoegzaam aangevoerd dat forse schadevergoedingen in het strafrecht vaker voorkomen,
wanneer er nabestaanden in het spel zijn. Nu in rechte is komen vast te staan dat
klager iemand opzettelijk van het leven heeft beroofd, komt daar min of meer vanzelf
bij dat hij als gevolg hiervan gehouden is de (immateriële) schade die nabestaanden
hebben opgelopen dient te vergoeden. Een civiele advocaat had hier geen soelaas kunnen
bieden. Bovendien zegt de hoogte van de verzochte schadevergoedingen niets over de
juridische complexiteit van die vordering. Volgens verweerder 2 was hij goed in staat
om die civiele vordering ter zitting te behandelen. Klachtonderdeel b) is derhalve
ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.11 In dit klachtonderdeel wordt beide verweerders verweten dat zij hebben nagelaten
de door klaagster aangeleverde informatie te gebruiken voor de verdediging van klager
en dat zij hebben nagelaten om de deskundigen van Forca uit te nodigen voor de zitting
bij de rechtbank. Mede hierdoor is de straf van klager hoger uitgevallen dan het advies
van Forca luidde.
5.12 De raad overweegt als volgt. Dit klachtonderdeel ziet met name op de bijstand
die verweerder 2 heeft verleend aan klager. Binnen de beroepsgroep geldt voor wat
betreft de vaktechnische kwaliteit dat geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk
vastgelegde professionele standaarden, zodat de raad toetst of verweerders hebben
gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende
advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (Hof van Discipline 3 april
2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:80). Verweerder 2 heeft terecht gesteld dat niet al het door
klagers aangedragen bewijs van belang was voor klagers zaak en dat het zijn taak als
advocaat is om te beoordelen welk bewijs hij voor de verdediging kan gebruiken. Over
het niet uitnodigen van de deskundigen van Forca heeft verweerder 2 toereikend aangevoerd
dat er geen aanleiding was om deze deskundigen uit te nodigen voor de zitting bij
de rechtbank, omdat het afgegeven advies klager een voorwaardelijke PIJ-maatregel
op te leggen, gunstig was voor hem. De gemachtigde van verweerder 1 heeft met betrekking
tot dit klachtonderdeel in zijn algemeenheid naar het oordeel van de raad terecht
bepleit dat het aan de raadsman is om de door klaagster aangedragen informatie op
juridische merites te beoordelen. Informatie die klaagster relevant acht hoeft dat
juridisch niet te zijn. Terecht heeft de gemachtigde van verweerder 1 aangevoerd dat
het aan de raadsman is te oordelen welke informatie al dan niet ter verdediging wordt
gebruikt. Het is de raad niet gebleken dat zowel verweerder 1 als verweerder 2 in
dit verband keuzes hebben gemaakt die geen redelijk handelend advocaat gemaakt zou
hebben. De raad komt aldus tot de slotsom dat niet gebleken is dat verweerder 2 (en
evenmin verweerder 1 op de achtergrond) tekortgeschoten is in de behandeling van klagers
zaak, hoe teleurstellend de uitspraak voor klagers ook heeft mogen zijn. Daarmee is
klachtonderdeel c) eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.13 In dit klachtonderdeel verwijten klagers verweerder 2 dat hij op de zitting
slechts vijf tot tien minuten pleidooi heeft gevoerd en de rest van de zitting met
zijn armen over elkaar heeft gezeten. Verweerder 2 heeft ook nog aangegeven medelijden
met de nabestaanden van het overleden slachtoffer te hebben.
5.14 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. De raad is met verweerder 2 van oordeel
dat de lengte van een pleidooi niet richtinggevend is voor de kwaliteit of klachtwaardigheid
ervan. Voor zover klagers zich over de lichaamshouding van verweerder 2 hebben beklaagd,
welke lichaamshouding verweerder 2 overigens heeft betwist, geldt dat de manier waarop
verweerder 2 ter zitting erbij zat evenmin grond kan zijn voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Ook het feit dat verweerder 2 ter inleiding van zijn pleitnota de nabestaanden
van het overleden slachtoffer sterkte heeft toegewenst is naar het oordeel van de
raad in deze situatie - hoe moeilijk dit ook voor klagers is - niet ongepast en daarmee
ook niet klachtwaardig. Klachtonderdeel d) is eveneens ongegrond.
5.15 De raad komt tot de slotsom dat de klachtonderdeel a) over verweerder 1 gegrond
is en dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn.
6. MAATREGEL
6.1 De raad ziet gelet op het voorgaande aanleiding verweerder 1 een maatregel
op te leggen. Verweerder 1 heeft nagelaten belangrijke informatie en afspraken over
zijn rol in de bijstandverlening aan klagers schriftelijk vast te leggen en daarover
aan klagers voldoende duidelijkheid te verschaffen. Hiermee heeft verweerder 1 wegens
strijd met gedragsregel 16 lid 1 niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een
redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Hoewel verweerder
1 een lange antecedentenlijst heeft, volstaat de raad in deze zaak met oplegging van
een waarschuwing met kostenveroordeling, omdat het verwijtbaar handelen in deze klachtzaak
heeft plaatsgevonden in een periode voorafgaand aan de (meeste) andere tuchtrechtelijke
verwijten waarvoor een maatregel is opgelegd.
7. GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht over verweerder 1 (gedeeltelijk) gegrond verklaart,
moet verweerder 1 op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde
griffierecht ter hoogt van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing
onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing
hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder 1 door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder 1 daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder 1 moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen
twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
1 door.
7.4 Verweerder 1 moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) over verweerder 1 gegrond;
- verklaart de klachtonderdelen b) (over verweerder 1), c) (over verweerders 1
en 2), d) (over verweerder 2) ongegrond;
- legt aan verweerder 1 de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder 1 tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;
- veroordeelt verweerder 1 tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder 1 tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. M. Kemmers en P.F.P. Nabben, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2023.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 december 2023