ECLI:NL:TADRAMS:2023:227 Raad van Discipline Amsterdam 23-744/A/NH
ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2023:227 |
---|---|
Datum uitspraak: | 11-12-2023 |
Datum publicatie: | 19-12-2023 |
Zaaknummer(s): | 23-744/A/NH |
Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter |
Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over het handelen van verweerster in haar hoedanigheid van deken. De kwestie die klager in zijn initiële klacht had aangekaart, was opgelost. Nader onderzoek door verweerster was dan ook niet relevant voor de beoordeling van de klacht. Bovendien betrof de door klager opgevraagde informatie bij het advocatenkantoor, geen informatie tot het verstrekken waarvan het kantoor verplicht was, zodat ook hier niet valt in te zien dat een tuchtrechtelijke norm zou zijn geschonden wanneer deze informatie niet onverwijld is verstrekt. Niet valt in te zien dat verweerster, met de wijze waarop zij in haar hoedanigheid als deken het klachtonderzoek heeft uitgevoerd, het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 11 december 2023
in de zaak 23-744/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland van 21 september 2023 met kenmerk mm/ks/2230536, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Tevens heeft de raad kennisgenomen van een nagekomen stuk van klager, te weten de beslissing van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2023.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 6 juli 2022 heeft klager een klacht over TEAM advocaten (hierna: TEAM) ingediend
bij verweerster in haar hoedanigheid van deken van de Orde van de Advocaten Midden-Nederland
(hierna: de Orde M-NL). De klacht hield kort gezegd in dat TEAM niet reageerde op
de vraag van klager welke advocaat een familielid van hem zou hebben bijgestaan.
1.2 De klacht over TEAM is door verweerster onderzocht, daarin bijgestaan door
een stafjurist van de Orde M-NL (hierna: de stafjurist). Bij e-mailbericht van 14
juli 2022 is klager in dat kader onder meer verzocht zijn persoonlijk belang bij de
klacht te onderbouwen, is aandacht gevraagd voor de geheimhoudingsplicht van een advocaat,
en, voor het geval van handhaving van de klacht, om nadere informatie gevraagd.
1.3 Op 20 juli 2022 heeft klager per e-mailbericht aan verweerster een toelichting
op zijn klacht over TEAM gegeven. Bij e-mailbericht van 21 juli 2022 is mr. G als
kantoorverantwoordelijke van TEAM (hierna: mr. G) verzocht te reageren op de klacht
van klager. Op 2 augustus 2021 heeft mr. G de stafjurist het volgende bericht, voor
zover relevant: “(…) Er is door [klager] aan ons kantoor gevraagd welke advocaat voor
zijn zus/tante heeft opgetreden. [Klager] is geen cliënt van ons kantoor, noch geweest.
Evenmin is [klager] een wederpartij (geweest). Daarnaast is [klager] ook niet gemachtigd
om voor zijn zus/tante op te treden. Onder deze omstandigheden zijn wij niet gehouden
enige informatie prijs te geven aan [klager]. Coulance halve hebben wij besloten om
[klager] in kennis te stellen van de advocaat voor zijn familielid heeft opgetreden,
[mr. R]. (…). Daarmee is - onverplicht - aan het verzoek van [klager] gedaan. Van
klachtwaardig handelen is in het geheel geen sprake.“
1.4 Bij e-mailbericht van 3 augustus 2022 heeft klager op voornoemd bericht gereageerd
met, voor zover relevant: “(…) 'Gehouden' of niet, het irriteert en creëert boosheid
als een consument 't via de Deken wel voor elkaar krijgt om binnen 24 uur reactie
te krijgen (…) terwijl 't daarvoor ruims weken stil bleef. Daar wringt 't. (…) Met
andere woorden: als 't dan zo helder ligt als u beweert, waarom dwong u mij dan tot
deze omweg? Is het niet praktischer en meer passend bij de reputatie van kantoor en
beroepsgroep wanneer een consument voortaan direct zo’n uitleg krijgt? (…)”
1.5 Op 4 augustus 2022 heeft de stafjurist namens verweerster klager per e-mail
bericht, voor zover relevant: “(…) Gezien de inhoud van het antwoord van [mr. G] namens
[TEAM] in zijn e-mail van 2 augustus jl. ga ik ervan uit dat de door u op 6 juli 2022
ingediende klacht is opgelost en dat ik derhalve over kan gaan tot sluiting van het
dossier. Uw reactie zie ik graag binnen twee weken na heden tegemoet (…).”
1.6 Bij e-mailbericht van 5 augustus 2022 heeft klager op voornoemd bericht gereageerd
met, voor zover relevant: “Nee, mijn klacht is nog niet opgelost en u kunt -vind ik-
nog niet overgaan tot sluiting van het dossier. (…). Een opnieuw nogal rigide reactie
van [de stafjurist] die breed voor een dupliek op mijn repliek gaat liggen. Terwijl
mijn vraagstelling aan [mr. G] toch draait om de kern van mijn klacht. nl: waarom
moet ik een omweg van ruim 5 weken maken? kan dat niet praktischer en chiquer worden
opgelost? Maar nee, vlgs [de stafjurist] is daar het tuchtrecht niet voor. Nou zeg!
(…) Mijn klacht bestond [bestaat] uit twee delen (…) 1. ik hoor alsmaar niks (…) 2.
Als er kennelijk goede redenen voor bestaan, waarom wordt ik dan tot deze omweg genoodzaakt:
waarom moet ik hier 6 weken op wachten? (…) ”
1.7 Bij e-mail van 5 augustus 2022 heeft de stafjurist namens verweerster klager
bericht dat zij diens bericht van 5 augustus 2022 als repliek zal beschouwen en dat
zij mr. G zal vragen hierop te reageren.
1.8 Op 23 september 2022 heeft mr. G zijn reactie toegezonden.
1.9 Bij e-mailbericht van 26 september 2022 heeft de stafjurist namens verweerster
het onderzoek in de klacht van klager gesloten. In dit e-mailbericht wijst de stafjurist
klager op artikel 46d lid 8 van de Advocatenwet waarin staat: "Indien de deken op
grond van zijn onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende
gewicht is, kan hij dat met redenen omkleed meedelen aan klager, de betrokken advocaat
en de raad van discipline." In het bericht staat verder, voor zover relevant: “(…)
Het is goed voorstelbaar dat het kantoor van verweerder niet onverwijld op de e-mails
van klager heeft gereageerd. Immers was klager geen cliënt, geen voormalig cliënt
noch gemachtigd door een cliënt. Daarbij was niet duidelijk voor welke advocaat de
vraag van klager bedoeld was en betrof de vraag een oude zaak. Dit alles naast het
feit dat een advocaat, evenals het kantoor van een advocaat, geheimhouding naar derden
toe dient te betrachten over zijn zaken en cliënten. De vraag resteert of de klacht
van [klager] van voldoende gewicht beschouwd zal worden. Immers de initiële vraag
van [klager], te weten welke advocaat op 28 februari 2017 een specifieke brief heeft
geschreven is geheel onverplicht en uit coulance toch door verweerder beantwoord.
Gelet daarop verneem ik graag of [klager] hierin aanleiding ziet om de klacht in te
trekken. Immers niet uit te sluiten valt dat de klacht door de tuchtrechter niet-ontvankelijk
of (kennelijk) ongegrond wordt verklaard. Overigens vermeld ik hierbij uitdrukkelijk
dat het uiteindelijke oordeel over de klachten is voorbehouden aan de tuchtrechter.
Indien [klager] zijn klacht wenst te handhaven zal de klacht ter beoordeling worden
doorgestuurd aan de Raad van Discipline. Voor de goede orde de goede orde meld ik
hierbij dat de klacht pas wordt doorgestuurd aan de Raad van Discipline indien door
[klager] tijdig het griffierecht van € 50,= is betaald. [Klager] zal daartoe een afzonderlijk
verzoek van mij ontvangen. De deken heeft geen behoefte meer aan nadere stukken en
de deken acht een (digitale} bespreking om een minnelijke regeling te beproeven in
dit klachtdossier niet zinvol. (…)”
1.10 De klacht van klager tegen TEAM is op 10 januari 2023 door verweerster doorgestuurd
naar de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden. Op 3 april 2023 heeft
de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwaren de klacht
ongegrond verklaard. Klager heeft hiertegen op 3 mei 2023 verzet ingesteld. Dit verzet
is op 4 december 2023 ongegrond verklaard.
1.11 Op 14 oktober 2022 heeft klager bij het Hof van Discipline de onderhavige
klacht tegen verweerster in haar hoedanigheid van deken van de Orde ML ingediend.
Deze klacht heeft hij op 2 juni 2023 aangevuld. Bij beslissing van 30 maart 2023 heeft
de voorzitter van het Hof van Discipline het onderzoek naar de onderhavige klacht
verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster
het onderzoek naar zijn klacht naar niet naar behoren te hebben verricht en daarmee
niet te hebben gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster in haar hoedanigheid
van deken van de Orde M-NL. De raad stelt bij de beoordeling voorop dat het in de
advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van
advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Wanneer een
advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft het advocatentuchtrecht
in die zin voor hem gelden, dat indien die advocaat zich bij de vervulling van diens
andere hoedanigheid zodanig gedraagt danwel misdraagt dat daardoor het vertrouwen
in de advocatuur wordt ondermijnd, sprake kan zijn van een handelen of nalaten in
strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk
verwijt gemaakt kan worden.
4.2 In artikel 4.1 van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek staat dat de deken
bepaalt wanneer het onderzoek is geëindigd. In artikel 4.4 van de Leidraad staat dat
de deken zijn verwachting kan uitspreken over het oordeel van de raad van discipline.
4.3 Klager verwijt verweerster in het kader van haar onderzoek naar de klacht tegen
TEAM niet aan mr. G te hebben gevraagd waarom klager vijf weken moest wachten op een
reactie. Door na te laten deze nadere vraag te stellen danwel stukken op te vragen,
heeft verweerster geen deugdelijk en professioneel onderzoek verricht. De inschatting
van verweerster, dat de klacht tegen TEAM mogelijk kennelijk ongegrond zou worden
beoordeeld, was volgens klager daarmee vooringenomen.
4.4 De voorzitter is van oordeel dat de onderhavige klacht tegen verweerster kennelijk
ongegrond is en licht dat als volgt toe.
4.5 In haar hoedanigheid van deken heeft verweerster onder meer de taak voorgelegde
klachten die tuchtrechtelijk van aard zijn, te onderzoeken. Bij de vervulling van
die taak komt verweerster - zoals ook volgt uit de onder 4.2 genoemde Leidraad - beleidsvrijheid
toe. De vraag die voorligt is dan ook of verweerster zich binnen die aan haar toekomende
beleidsvrijheid jegens klager zodanig heeft gedragen dat zij daardoor het vertrouwen
in de advocatuur heeft geschaad, op de onder 4.1 genoemde wijze.
4.6 De voorzitter stelt op grond van de overgelegde e-mailcorrespondentie vast
dat verweerster, klager en mr. G in de gelegenheid heeft gesteld om over en weer op
elkaars standpunten te reageren. Zoals vermeld onder 1.3 heeft mr. G in zijn bericht
van 2 augustus 2022 laten weten dat hij “uit coulance” alsnog de naam van de behandelend
advocaat aan klager kenbaar heeft gemaakt. Vervolgens heeft klager in zijn repliek
de vraag gesteld waarom hij via een omweg en pas zes weken later een antwoord van
mr. G heeft ontvangen op zijn vraag naar de naam van de behandelend advocaat. Op 26
september 2022 heeft verweerster partijen bericht dat zij haar onderzoek had gesloten
en dat er geen aanleiding meer bestond voor het stellen van aanvullende vragen. De
feiten die van belang waren voor de tuchtrechtelijke beoordeling van de klacht, waren
verweerster duidelijk. Verweerster heeft daarbij een (deken)visie op de klachtzaak
gegeven. In deze visie heeft zij onder meer overwogen dat de klacht door de tuchtrechter
mogelijk (kennelijk) ongegrond zal worden beoordeeld vanwege het ontbreken van voldoende
gewicht. Verweerster achtte het voorstelbaar dat TEAM niet onverwijld op de e mails
van klager had gereageerd, nu klager geen (voormalig) cliënt of gemachtigde was en
advocaten geheimhouding naar derden dienen te betrachten over hun zaken en over hun
(oud-)cliënten. Van het door TEAM schenden van een tuchtrechtelijke norm was dan ook
geen sprake. Daarnaast heeft verweerster klager gewezen op het feit dat mr. G enkel
uit coulance en geheel onverplicht de naam van de betreffende advocaat aan klager
kenbaar heeft gemaakt, waarmee inmiddels aan het verzoek van klager was voldaan en
de klacht in die zin ook was opgelost. Ook heeft verweerster klager gevraagd of hij
op grond van haar overwegingen aanleiding zag om zijn klacht in te trekken en zij
heeft hem daarbij uitdrukkelijk gemeld dat het uiteindelijke oordeel over de klachten
voorbehouden was aan de tuchtrechter.
4.7 Dat verweerster geen (nader) onderzoek meer heeft verricht naar de (aanvullende)
vraag van klager waarom hij zes weken heeft moeten wachten op het antwoord van mr.
G, kan haar naar het oordeel van de voorzitter niet tuchtrechtelijk worden verweten.
Op grond van de Leidraad, bepaalt de deken zelf wanneer een onderzoek is geëindigd.
Gelijk verweerster heeft toegelicht was de kwestie die klager had aangekaart met zijn
initiële klacht (het niet reageren op e-mails) opgelost, doordat de gevraagde informatie
alsnog aan klager was verstrekt. Nader onderzoek door verweerster was dan ook niet
relevant voor de beoordeling van de klacht. Bovendien betrof de door klager van TEAM
gevraagde informatie, gelijk de deken heeft opgemerkt, geen informatie tot het verstrekken
waarvan TEAM verplicht was, zodat ook niet valt in te zien dat een tuchtrechtelijke
norm zou zijn geschonden wanneer deze informatie niet onverwijld is verstrekt. Gelet
op al het voorgaande valt naar het oordeel van de voorzitter niet in te zien dat verweerster,
met de wijze waarop zij in haar hoedanigheid als deken het klachtonderzoek heeft uitgevoerd,
het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.8 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2023.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 december 2023