Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2011:YB0638
Datum uitspraak:
31-05-2011
Datum publicatie:
11-07-2011
Zaaknummer(s):
GDW810.2010
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 De gerechtsdeurwaarder heeft per abuis beslag gelegd op de bankrekening van de tweelingzuster van de schuldenaar. De klacht wordt gegrond verklaard. Omdat de gerechtsdeurwaarder de fout direct nadat hij hiervan op de hoogte werd gesteld heeft hersteld, door het beslag op te heffen, de bankkosten terug te betalen en de beslagkosten niet ten laste van de andere zuster te brengen ziet de Kamer geen aanleiding voor het opleggen van een maatregel.  

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM6, 4

Beslissing van 31 mei 2011 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 810.2010 ingesteld door:

 

Familie [     ],

wonende te [     ],

klagers,

 

tegen:

 

1. [     ],

2. [     ],

gerechtsdeurwaarders te [     ],

beklaagden,

gemachtigde: [     ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij brief ingekomen op 5 november 2010 hebben klagers een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders.

 

Op 10 december 2010 is het aangehechte verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders ontvangen.

 

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 april 2011. Van de behandeling ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

 

 

1. De feiten

 

De gerechtsdeurwaarders zijn belast met de executie van een op 28 april 2010 ten laste van J. [     ] te [     ] gewezen vonnis. Zij hebben op 27 oktober 2010 ten onrechte executoriaal derdenbeslag gelegd op een bankrekening toebehorend aan I. [     ], de tweelingzus van J. [     ]. Nadat zij door de moeder van I. [     ] op deze fout zijn gewezen, hebben de gerechtsdeurwaarders de bank dezelfde dag bericht dat het beslag moest worden opgeheven, zijn de kosten van de beslaglegging en de overbetekening tegengeboekt en is toegezegd de door de bank berekende kosten aan I. [     ] te vergoeden.

 



2. De klacht

 

Klagers, de ouders van J. en I. [     ], vinden het niet terecht dat hun dochter, J. [     ], is veroordeeld, omdat de hoofdsom was betaald (het betrof een rekening van een tandarts/orthodontist). Zij hebben de gerechtsdeurwaarders hierover een brief geschreven en hebben de overzichten van alle betalingen toegestuurd. Zij verwijten de gerechtsdeurwaarders - kort samengevat en in hoofdzaak - dat deze niet bereid zijn om de executie van het vonnis te staken en dat zij op de verkeerde bankrekening beslag hebben gelegd

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

 

3.1 De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd dat zij geen redenen hebben om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de executie van het vonnis.

 

3.2 De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat een van hun medewerkers een fout heeft gemaakt. Voorafgaand aan de beslaglegging is het adres van J. [     ] geverifieerd. Er is gezocht op de combinatie van achternaam, geboortedatum en gemeente. Op die manier is de tweelingzus van J. [     ] gevonden en ingevoerd in het computersysteem als debiteur. De verschillende voorletters zijn over het hoofd gezien. De gerechtsdeurwaarders achten deze fout echter niet tuchtrechtelijk laakbaar.

 

4. Beoordeling van de klacht

 

4.1       Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2      Het betreft hier onder andere een klacht ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een aan de gerechtsdeurwaarder ter hand gestelde executoriale titel.Bij een geschil met betrekking tot de (verdere) tenuitvoerlegging van een executoriale titel, zoals hier een vonnis, geeft artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een algemene regeling. Krachtens deze bepaling dienen geschillen met betrekking tot de executie voorgelegd te worden aan de bevoegde (executie)rechter. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg. Dit betekent dat wat klagers hebben aangevoerd over de vraag of de - aan het vonnis ten grondslag liggende – vordering terecht is, hier niet aan de orde kan komen.

 

4.3       Bij de beoordeling van deze klacht geldt voorts als uitgangspunt dat volgens artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet, de gerechtsdeurwaarder behalve ingeval van de in dit artikel genoemde uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn, altijd verplicht is in het gehele arrondissement waarin zijn plaats van vestiging is gelegen de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom wordt verzocht. Op het moment dat een gerechtsdeurwaarder een opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling ontvangt en er geen uitsluiting van bevoegdheid is, is daarmee automatisch de verplichting ontstaan tot het verrichten van de ambtshandeling. Gelet op vorenstaande hebben de gerechtsdeurwaarders terecht het standpunt ingenomen dat zij het vonnis moeten executeren.

 

4.4       De gerechtsdeurwaarders hebben erkend dat zij ten onrechte op 27 oktober 2010 ten laste van de tweelingzuster van J. [     ] beslag hebben gelegd onder de bank. Onweersproken is gesteld dat de gerechtsdeurwaarders nadat klaagster hen op 2 november 2010 op deze fout had gewezen, diezelfde dag het bankbeslag hebben opgeheven. De kosten van het beslag en de overbetekening daarvan zijn niet aan

J. [     ] in rekening gebracht.  Ter zitting hebben klagers bevestigd dat het bedrag van € 100,00, dat de bank vanwege het beslag aan I. [     ] in rekening had gebracht, vergoed is aan I. [     ] en dat excuses zijn aangeboden voor de gemaakte fout.

 

4.5       Gelet op vorenstaande is de klacht terecht voorgesteld, zodat deze gegrond dient te worden verklaard. Omdat de gerechtsdeurwaarders adequaat hebben gereageerd, ziet de Kamer geen aanleiding voor het opleggen van een maatregel.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-                    verklaart de klacht gegrond;

-                    ziet af van het opleggen van een maatregel.

 

Aldus gegeven door mr.G.H.I.J. Hage, voorzitter, mr. H.M. Patijn en

J.J.L. Boudewijn, (plaatsvervangend) leden,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens