Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2009:YB0242
Datum uitspraak:
28-04-2009
Datum publicatie:
10-07-2009
Zaaknummer(s):
2008.507
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping met aanzegging
Inhoudsindicatie:
Zonder nadere mededeling niet verschijnen op aangekondigde dag van beslaglegging. Uitbrengen van exploten die niet door de wet als zodanig worden erkend ("braakexploot').

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 28 april 2009 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 507.2008 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 10 november 2008 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

 

Op 9 december 2008 is het aangehechte verweerschrift met bijlagen, van de gerechtsdeurwaarder ontvangen.

 

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 maart 2009. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze beslissing is gehecht.

 

1. De feiten

a)                 De gerechtsdeurwaarder heeft zowel een deurwaarderspraktijk als een incassobureau. Hij handelt in beide hoedanigheden onder de naam Deurwaarders- en Incassobureau [     ] b.v. 

b)                De gerechtsdeurwaarder is door de Kamer voor Koophandel belast met de invordering bij klager van de aan de Kamer van Koophandel verschuldigde heffing 2008.

c)                 Op 6 juni 2008 is door het kantoor van de gerechtsdeurwaarder een brief aan klager gezonden waarin hij is gemaand een bedrag van € 93,73, te voldoen, bestaande uit de hoofdsom ad € 49,70 en incassokosten ad € 44,03.

d)                Op 17 juni 2008 heeft klager een bedrag van € 49,70 aan de Kamer voor Koophandel voldaan.

e)                 Bij brief van 26 juni 2008 is aan klager verzocht de resterende € 44,03 te voldoen. Daarbij is aangezegd dat na verloop van 5 dagen verdere rechtsmaatregelen kunnen volgen. Klager heeft dit bedrag niet betaald.

f)                  Op 20 augustus 2008 is een dwangbevel door de Kamer van Koophandel [     ] uitgevaardigd. De grosse van dit dwangbevel is op 8 september 2008 aan klager betekend.

g)                 Op 2 oktober 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder klager schriftelijk aangekondigd beslag op roerende zaken te zullen leggen tegen 28 oktober 2008. Op die dag is de gerechtsdeurwaarder niet verschenen.

h)                 Op 31 oktober 2008 is de gerechtsdeurwaarder wel verschenen op het adres van klager. Toen heeft klager hem de toegang geweigerd.

i)          Meteen daarop heeft de gerechtsdeurwaarder een zogeheten “braakexploot” uitgebracht, dat wil zeggen een exploot waarbij klager werd aangezegd / aangekondigd:

1. dat de requirante opdracht had gegeven tot het leggen van beslag op de (roerende) zaken van klager, gevolgd door openbare verkoop;

2. dat een gerechtsdeurwaarder binnen 3 weken daarna zou proberen dat beslag te leggen, waarbij de requirante, indien niemand zou worden aantroffen, onmiddellijk of eventueel later met behulp van een slotenmaker en in bijzijn van politie, de toegang tot de woning van klager zou kunnen verschaffen; dit met de toelichting dat voormeld binnentreden een recht is dat de wet een deurwaarder biedt en waarvan zonodig gebruik kan worden gemaakt;

3. dat de gemelde beslaglegging voorkomen zou kunnen worden door binnen drie werkdagen na heden (31 oktober 2008) voor betaling van € 224,59 op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder te zorgen (In dit bedrag zijn de kosten van het “braakexploot” ad € 52,94 begrepen).

 

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder – verkort samengevat – dat:

-        deze op 28 oktober 2008 niet is verschenen, terwijl klager een snipperdag had genomen om de gerechtsdeurwaarder uit te leggen dat de vordering al was betaald;

-        het om handelingen van een incassobureau gaat terwijl de gerechtsdeurwaarder doet voorkomen dat hij als gerechtsdeurwaarder handelt;

-        teveel kosten berekent;

-        zich intimiderend gedraagt.

Klager heeft verzocht om de gerechtsdeurwaarder te veroordelen tot betaling van schadevergoeding .

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder betwist dat:

-        hij zich ten onrechte als gerechtsdeurwaarder heeft voorgedaan;

-        er sprake is geweest van onbehoorlijk of intimiderend gedrag.

Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat klager:

-        hoewel na betekening en bevel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet alsnog het gevorderde heeft voldaan en na aanzegging van beslag geen contact heeft opgenomen;

-        de vordering pas op 17 juni 2008 voor een deel heeft voldaan nadat deze uit handen was gegeven en na sommatie;

-        alleen de hoofdsom, maar niet de incassokosten heeft voldaan;

-        pas nadat het zogeheten braakexploot van 31 oktober 2008 was betekend heeft gereageerd met het indienen van de onderhavige klacht, doch tot op heden geen contact heeft opgenomen met de gerechtsdeurwaarder.

 

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, wordt overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

Het gerechtsdeurwaarderskantoor kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. De verweervoerende gerechtsdeurwaarder heeft zich opgeworpen als beklaagde en wordt als zodanig aangemerkt. Hiermee is in de aanhef van deze beschikking al rekening gehouden.

 

4.2 Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet oplevert.

 

4.3 De gerechtsdeurwaarder erkent dat hij op 28 oktober 2008 niet is verschenen om het aangekondigde beslag te leggen. De Kamer is van oordeel dat het de gerechtsdeurwaarder te verwijten valt dat hij klager niet heeft gemeld dat het op 28 oktober 2008 voorgenomen beslag niet zou doorgaan. Hierdoor heeft hij klager ten onrechte en onnodig belast en in spanning gelaten. In de brief van 2 oktober 2008 van de gerechtsdeurwaarder is immers aangezegd dat erop werd gerekend dat er iemand thuis zou zijn, bij gebreke waarvan toegang tot de woning zou worden verschaft met behulp van de politie. Gelet op deze ingrijpende aankondiging is het alleszins begrijpelijk dat klager die dag - tegen zijn zin - vrijaf heeft genomen. De gerechtsdeurwaarder had hier rekening mee moeten houden. Gelet op het voorgaande heeft hij niet gehandeld zoals van een behoorlijk handelend deurwaarder mag worden verwacht.

 

4.4 Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder voorts erkend dat het op 31 oktober 2008 aan klager uitgebrachte zogeheten “braakexploot” overeenkomt met het vroeger gehanteerde “herhaald bevel” en dat hij zich ervan bewust is dat het uitbrengen daarvan niet langer is toegestaan.

 

4.5 De Kamer merkt op dat dit getuigt van juist doch laat gerezen inzicht. In zijn verweerschrift stelde de gerechtsdeurwaarder het “braakexploot” immers als een normaal exploot voor, onder meer door op te merken dat klager daarvoor de gebruikelijke helft van het geldende tarief voor executoriaal beslag roerende zaken in rekening werd gebracht. Uit de stukken blijkt verder, dat de gerechtsdeurwaarder  klager ook na de indiening van de klacht nog heeft aangemaand tot voldoening van de vordering met inbegrip van de kosten van het “braakexploot”. De Kamer leidt uit een en ander af dat het uitbrengen van exploten van dit type tot de gebruikelijke werkwijze van de gerechtsdeurwaarder behoorde.

 

4.6 De Kamer acht dit tuchtrechtelijk ernstig laakbaar.

 

4.7 De wet kent (art. 503 Rv.) het vernieuwde bevel, dat moet worden gedaan voorafgaand aan het executoriale beslag op onroerende zaken, indien de schuldeiser een jaar na het oorspronkelijke bevel heeft laten verlopen. Daarvan was hier geen sprake.

 

4.8 Inverband met executoriaal beslag op roerende zaken onderscheidt het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) twee gevallen waarin het niet of niet aanstonds doorgaan van een voorgenomen ambtshandeling leidt tot kosten die op de voet van artikel 434a Rv op de schuldenaar worden verhaald. Is de gerechtsdeurwaarder ter plaatse aangetreden voor beslag, maar gaat dit niet door omdat de schuldenaar de zaak afdoet, dan is de schuldenaar de helft van de kosten van een doorgegaan beslag verschuldigd (art. 4 jo. art. 2 onderdeel e Btag). Legt de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag op roerende zaken, nadat een eerdere poging daartoe door afwezigheid van de debiteur of een huisgenoot mislukte, dan worden de kosten van het wel gelegde beslag verhoogd met een vast bedrag, mits de gerechtsdeurwaarder bij zijn eerdere poging niet op goed geluk was aangetreden maar de schuldenaar vooraf schriftelijk over tijdstip en doel van zijn komst had ingelicht. De vaste verhoging is overigens minder dan de helft van de kosten van het beslag (art. 8 lid 2 Btag). Geen van beide gevallen deed zich hier voor.

 

4.9 De wet kent geen exploot van bericht van tijd en doel van de komst van de gerechtsdeurwaarder, laat staan dat de kosten van een zodanig “exploot” op de schuldenaar mogen worden verhaald.

 

4.10 Daargelaten zijn bevoegdheid tot het opmaken van een schriftelijke verklaring betreffende door hem persoonlijk waargenomen feiten van stoffelijke aard - een door art. 20 Gerechtsdeurwaarderwet (Gdw) toegelaten nevenwerkzaamheid - is de gerechtsdeurwaarder slechts bevoegd tot het uitbrengen van exploten die door de wet als zodanig worden erkend. Brengt de gerechtsdeurwaarder een quasi-exploot zoals een “braakexploot” uit dan handelt hij onbevoegd, dat wil zeggen niet in zijn ambt maar onder het mom daarvan.

 

4.11 Dit strijdt met de taak die de gerechtsdeurwaarder in het rechtsbestel is toegekend. De justitiabele moet kunnen vertrouwen op de schijn die de gerechtsdeurwaarder met zijn aantreden wekt, namelijk dat hij komt en handelt als openbaar ambtenaar.

 

4.12 Door klager boven het bedrag dat hij volgens het exploot van betekening en bevel moest voldoen, ook te belasten voor de kosten van het “braakexploot” heeft de gerechtsdeurwaarder klager te veel kosten berekend. Wat de andere kosten betreft merkt de Kamer op dat klager die aan zichzelf heeft te wijten. Hij betaalde te laat en ten dele. Mocht hij niettemin hebben gemeend dat de Kamer van Koophandel het dwangbevel ten onrechte had uitgevaardigd, dan had hij daartegen verzet kunnen instellen, zoals duidelijk in het dwangbevel was aangegeven.

 

4.13 De gerechtsdeurwaarder heeft intimiderende gehandeld door te doen alsof hij bij het uitreiken van het “braakexploot” handelde als openbaar ambtenaar, terwijl zijn ware identiteit op dat moment slechts was die van inner van een vordering, althans van iemand, doende met een poging tot het innen van gelden voor derden in de betekenis van artikel 20, derde lid, sub c, van de Gerechtsdeurwaarderswet, en door het zo voor te stellen dat klager beslag slechts zou kunnen voorkomen door betaling van een bedrag inclusief de kosten van het “braakexploot”.

 

4.14 De Kamer acht de klacht derhalve in alle onderdelen gegrond, zij het wat de kosten betreft slechts ten aanzien van de kosten van het “braakexploot”. De verwijten die de gerechtsdeurwaarder zijn gemaakt zijn ernstig. Zijn handelen heeft in ernstige mate afbreuk gedaan aan het gerechtvaardigde vertrouwen dat door het publiek in de gerechtsdeurwaarder als bekleder van een openbaar ambt wordt gesteld. Er is daarom aanleiding de hierna te noemen maatregel op te leggen.

 

4.15 Deze tuchtrechtprocedure leent zich niet voor het toekennen van schadevergoeding zo daartoe al aanleiding zou zijn.

 

5. Voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-        verklaart de klacht gegrond;

-        legt de maatregel van berisping op, met de aanzegging dat, indien andermaal door de gerechtsdeurwaarder een van de in artikel 34, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet, bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.

 

Aldus gegeven door mr. M.M Beins, plaatsvervangend voorzitter, en mr. A.C.A. Wildenburg en N.J.M. Tijhuis (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2009 in tegenwoordigheid van H.A.J. van der Lee, secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens