Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2009:YB0235
Datum uitspraak:
21-04-2009
Datum publicatie:
10-07-2009
Zaaknummer(s):
2008.478
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Betekening dagvaarding aan minderjarige zoon van klaagster. Kamer acht dat in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk laakbaar. Zie voor een geval van het binnnentreden van een woning waarbij door een minderjarige toestemming is verleend, Gerechtshof Amsterdam 1 november 2007 LJN BB9251

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM4

 

Beslissing van 21 april 2009 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 478.2008 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

 

tegen:

 

[     ],

kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Verloop van de procedure

Bij brief van 22 oktober 2008 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief met bijlagen van 29 oktober 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 maart 2009, alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. an de behandeling ter zitting is afzonderlijke proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 21 april 2009.

 

1. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

Op 22 oktober 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder zich naar het adres van klaagster begeven teneinde een dagvaarding uit te brengen. Op voornoemd adres heeft de gerechtsdeurwaarder gesproken met de tien jaar oude zoon van klaagster en de dagvaarding aan hem betekend.

 

2. De klacht

 

2.1 Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder kort gezegd de dagvaarding te hebben betekend aan haar minderjarige zoon. Klaagster acht die handelwijze onjuist nu er geen wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige aanwezig was.

 

2.2 Klaagster verwijt de gerechtdeurwaarder daarnaast dat toen zij met zijn kantoor contact opnam, onbeschoft te woord is gestaan.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

3.1 De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat hij zich ter betekening van een dagvaarding heeft begeven naar een adres te [     ]. Daar heeft hij gesproken met de zoon van klaagster. Na zich te hebben gelegitimeerd heeft hij gevraagd of een van zijn ouders aanwezig was en of deze in de mogelijkheid verkeerde hem te woord te staan. De zoon van klaagster heeft medegedeeld dat geen van zijn ouders aanwezig was in de woning. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder het doel van zijn komst uiteengezet en de zoon van klaagster gaf desgevraagd te kennen het belang van de dagvaarding te begrijpen. Gezien het feit dat hij alleen thuis mocht zijn van zijn ouders en verklaarde het belang van de dagvaarding te kennen, is de gerechtsdeurwaarder van mening dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend en geen gedragsregel is geschonden.

 

3.2 Met betrekking tot het daarop volgend telefonisch onderhoud heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat er geen sprake is geweest van onbeschoftheid. De betrokken medewerkster heeft klaagster slechts medegedeeld dat ten tijde van het telefonische onderhoud niet aan de wensen van klaagster kon worden voldaan. Om het dispuut in der minne op te lossen heeft de medewerkster gevraagd of klaagster de volgende dag terug kon bellen om de zaak inhoudelijk te bespreken met de gerechtsdeurwaarder die het exploot had betekend. Klaagster gaf te kennen hiervan geen gebruik te willen maken.

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.1 Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn (kandidaat) gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in voormelde zin oplevert.

 

4.2 Dat geval doet zich hier niet voor. Naar het oordeel van de Kamer heeft de gerechtsdeurwaarder zich er voldoende van vergewist dat de dagvaarding klaagster en haar echtgenoot zou bereiken, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd, en heeft hij niet in strijd met de wettelijke bepalingen gehandeld door de dagvaarding aan de minderjarige zoon van klager te betekenen.

 

4.3 Ten aanzien van de wijze waarop klaagster telefonisch te woord is gestaan kan niet worden vastgesteld dat klaagster daarbij onheus is bejegend, ook al omdat klaagster niet ter zitting is verschenen om dit onderdeel van de klacht nader toe te lichten.

 

4.4 De Kamer acht de klacht ongegrond.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders:

 

-                    verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. C.M. Berkhout, voorzitter, mr. H.M. Patijn en mr. A.C.J.J.M. Seuren (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens