Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2009:YB0137
Datum uitspraak:
24-02-2009
Datum publicatie:
27-02-2009
Zaaknummer(s):
2008.238
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
Landelijke bevoegdheid gerechtsdeurwaarder. Gelding beslagvrije voet. Misbruik van recht? Ecxecutie vonnis voor niet bij vonnis toegewezen bedragen. 

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 24 februari 2009 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 283.2008 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Verloop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen ingekomen op 27 juni 2008 heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief met bijlagen ingekomen op 29 juli 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 januari 2009, alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 24 februari 2009.

 

1. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a)     De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een op 24 juli 2007 tegen klager door de kantonrechter te Rotterdam gewezen vonnis. Klager is veroordeeld om een lidmaatschapsbijdrage te betalen aan zijn tegenpartij over de periode van 1 februari tot en met 15 juni 2006. In die beslissing heeft de kantonrechter geen concreet bedrag vermeld. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat klager ook buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, maar de kantonrechter heeft verzuimd om klager tot betaling van deze kosten te veroordelen. De proceskosten zijn gecompenseerd dan wel bepaald op nihil.

b)     De gerechtsdeurwaarder heeft het vonnis op 13 augustus 2007 aan klager betekend en hebben daarbij voor een te hoog bedrag bevel tot betaling gedaan. Hij heeft de lidmaatschapsbijdrage gevorderd tot en met 30 september 2006 en de buitengerechtelijke incassokosten.

c)     De gerechtsdeurwaarder heeft ten laste van klager executoriaal derdenbeslag gelegd op zijn bankrekening.

 

 

2. De klacht

 

2.1 Aanvankelijk was de vordering uit handen gegeven aan een gerechtsdeurwaarder in [    ]. Volgens klager mag een gerechtsdeurwaarder echter alleen ambtshandelingen verrichten in het arrondissement waar hij is gevestigd en geldt dat dus ook voor de niet-ambtelijke praktijk. Er is daardoor in strijd gehandeld met artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

2.1 Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder, kort samengevat dat deze:

1)     de zaak van zijn collega in [     ] heeft overgenomen;

2)     het vonnis voor onjuiste bedragen heeft geëxecuteerd, inclusief proceskosten terwijl hij die kosten niet behoefde te betalen;

3)     bij de beslaglegging op zijn girorekening geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet;

4)     ten onrechte zijn uitkering aan bijzondere bijstand onder het beslag heeft gebracht.

 

3. Het verweer

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht deels bestreden en deels erkend. Hij heeft toegegeven dat het vonnis niet correct in zijn administratie is verwerkt. Hij heeft een te groot bedrag aan hoofdsom gevorderd, al had de kantonrechter niet een concreet bedrag in het vonnis opgenomen. Hij zal de vordering herberekenen en klager daarover informeren. Hij zal een herstelvonnis vragen met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten. Er is voor een te hoog bedrag bevel tot betaling gedaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.2 Het staat gerechtsdeurwaarders inderdaad vrij om in het gehele land zowel ambtshandelingen te verrichten als niet-ambtshandelingen. De gerechtsdeurwaarder mocht de zaak tegen klager dus wel overnemen van zijn collega in [     ] en de gerechtsdeurwaarder in [     ] was bevoegd om klager tot betaling te sommeren.

 

4.3 Uit rechtspraak van de Hoge Raad (21 mei 1999, NJ 2001,630) volgt dat de beslagvrije voet slechts geldt voor een beslag onder de uitkeringsinstantie. De beslagvrije voet geldt niet bij een beslag onder de bank waarop de uitkeringsinstantie de uitkering overmaakt. Een vordering die door een wettelijke beperking wordt getroffen, wordt daardoor slechts getroffen zolang die vordering bestaat. Wordt de oorspronkelijke vordering (de vordering van klager op de uitkeringsinstantie, bijvoorbeeld de Sociale Dienst) vervangen door een andere vordering, (de vordering van de klager op de bank) dan is de beslagbeperking ‘uitgewerkt’. Dit wordt niet anders, indien de nieuwe vordering nog te ‘herleiden’ is tot de oorspronkelijke vordering (het van een uitkeringsinstantie afkomstige bedrag is immers altijd identificeerbaar in het saldo van de bankrekening vertegenwoordigd).

4.3 Met de gerechtsdeurwaarder moet worden aangenomen dat het saldo van de bankrekening in het geheel vatbaar is voor beslag en niet getroffen wordt door het beslagverbod van artikel 475b Rv. nu het niet langer betreft de vordering van klager op zijn gemeente tot het ontvangen van de uitkering doch een vordering van klager op zijn bank tot uitkering van het daar op hun rekening aanwezige saldo. De strekking van artikel 475c Rv gaat niet verder dan te voorkomen dat aan een ontvanger het recht wordt ontnomen zijn salaris of periodieke uitkering in ontvangst te nemen en te zijner beschikking te krijgen. Klager heeft overigens niet aangetoond dat zijn uitkering onder het bankbeslag is gebracht.

 

4.4 Het voorgaande kan eerst anders zijn indien misbruik wordt gemaakt van recht. Dat kan het geval zijn als de regeling van artikel 475c Rv bewust zou worden ontdoken. Het is echter niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of een beslag als onrechtmatig gelegd kan worden aangemerkt of dat er misbruik van recht is gemaakt. Daarvoor dient klager zich te wenden tot de executierechter. Wel kan het zijn dat een beslag zo evident onrechtmatig is dat de gerechtsdeurwaarder die desondanks het beslag heeft gelegd daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden. Dat laatste is niet gebleken omdat er kennelijk niets is geïncasseerd.

 

4.5 Bij dagvaarding is gevorderd € 406,75 aan hoofdsom (over acht maanden) en      € 37,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, in totaal derhalve € 443,75. Toegewezen is aan hoofdsom vierenhalve maand, € 51,00 per maand, in totaal € 230,00 toegewezen. Er is op 13 augustus 2007 bevel tot betaling gedaan voor de oorspronkelijk gevorderde hoofdsom en de incassokosten, terwijl de kosten niet zijn toegewezen in de veroordeling. Het vonnis is voor wat betreft de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten verkeerd geëxecuteerd.

 

4.6 De kamer acht de gerechtsdeurwaarder hiervoor verantwoordelijk omdat de betekening van het vonnis onder zijn verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden. Volgens het exploot heeft hij het vonnis aan klager in persoon betekend en bovendien heeft hij het verweer gevoerd. De klacht wordt daarom geacht te zijn gericht tegen de gerechtsdeurwaarder. In de aanvang van deze beschikking is daarmee reeds rekening gehouden.

 

4.7 Met de kosten waartoe hij niet is veroordeeld, bedoelt klager kennelijk de kosten van betekening en beslag. Dat zijn executiekosten die hij wel is verschuldigd.

 

4.8 Het tweede onderdeel van de klacht is gegrond en de andere onderdelen zijn ongegrond. De Kamer acht gelet op de ernst van de verrichte gedraging, oplegging van na te noemen maatregel gerechtvaardigd voor het gegronde deel van de klacht.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders:

 

-          verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond;

-          legt voor het gegronde deel van de klacht aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en J. Smit (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2009 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroep schorst de beslissing waartegen het is gericht niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens