Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2008:YB0067
Datum uitspraak:
15-04-2008
Datum publicatie:
29-01-2008
Zaaknummer(s):
2007.605
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Taak gerechtsdeurwaarder bij ontruiming.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

 

Beslissing van 15 april 2008 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 605.2007 van:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde [     ].

 

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 20 november 2007 heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief met bijlage van 2 januari 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 maart 2008 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 15 april 2008.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a)      Klaagster is veroordeeld tot ontruiming van haar woning. De ontruiming is klaagster op 19 februari 2007 door de gerechtsdeurwaarder aangezegd tegen 7 maart 2007.

 

b)      Bij brief van 5 maart 2007 is klaagster door de gemeente [     ] gewezen op de gevolgen indien zij niet zelf haar inboedel zou verwijderen en is klaagster erop gewezen dat door de gemeente de inboedel voor rekening en risico van klaagster gedurende dertien weken zou worden opgeslagen op de [     ], [     ] te [     ], na welke termijn de gemeente naar haar goeddunken met de inboedel zou handelen.

 

c)      Bij ongedateerde brief heeft de gemachtigde van klaagster de gerechtsdeurwaarder een voorstel voor een schuldenregeling tegen finale kwijting gedaan.

 

d)      Bij brief van 27 juni 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klaagster medegedeeld dat zijn opdrachtgever niet met het voorstel akkoord kon gaan.

 

e)      Bij brief van 2 juli 2007 heeft de gemachtigde van klaagster op de brief van de gerechtsdeurwaarder gereageerd.

 

f)        Bij brief verzonden op 5 september 2007 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder.

 

g)      Bij email van 29 oktober 2007 heeft de gemachtigde van klaagster de gerechtsdeurwaarder om een reactie verzocht op de klacht.

 

2. De klacht

 

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder haar klacht en email niet te hebben beantwoord. Tevens verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarder, samengevat, niet tijdig te hebben gereageerd op haar voorstel voor een schuldregeling tegen finale kwijting waardoor haar inboedel is vernietigd.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft erkend de brieven niet te hebben beantwoord. Hij excuseert zich daarvoor. De gerechtsdeurwaarder heeft verder samengevat aangevoerd dat op het betalingsvoorstel niet eerder kon worden gereageerd omdat hij in afwachting was van het antwoord van zijn opdrachtgever. Het standpunt van klaagster dat door de late beantwoording de inboedel is vernietigd, deelt de gerechtsdeurwaarder niet. Bij een ontruiming heeft de gerechtsdeurwaarder slechts als taak de aanwezige inboedel uit het gehuurde te verwijderen en aan de openbare weg te plaatsen. Klaagster is steeds op de gevolgen van een eventuele ontruiming gewezen en daarbij is klaagster eveneens duidelijk gemaakt dat zij ook bij een ontruiming zelf verantwoordelijk blijft voor haar bezittingen. Op het moment dat de inboedel op de openbare weg wordt geplaatst, voert de gemeente in de meeste gevallen de inboedel af. Zo is ook in dit geval gehandeld door de gemeente [     ]. De gemeente heeft klaagster bij brief van 5 maart 2007 uitgelegd wat er met haar inboedel zou gebeuren. De inhoud van die brief laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Alleen al door deze brief wist klaagster dat zij dertien weken na de ontruiming de tijd had haar inboedel bij de gemeente op te halen.

Verhuurder en de gerechtsdeurwaarder staan daar volledig buiten. Het al dan niet ophalen van de inboedel bij de gemeente staat los van het antwoord op het betalingsvoorstel. Klaagster wist dat en ook haar hulpverlener had dat kunnen weten.

4. Beoordeling van de klacht

 

4.1 Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, wordt overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechts-deurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [     ] kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Op grond van het verweer en hetgeen ter zitting daaromtrent is opgemerkt wordt gerechtsdeurwaarder [     ] aangemerkt als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van deze beschikking al rekening gehouden.

 

4.2 Ter beoordeling staat of door de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar is gehandeld in de zin van het bepaalde in artikel 34  van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.3 Ten aanzien van de klacht met betrekking tot het niet beantwoorden van brieven is dat het geval. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde zaak binnen een redelijke termijn beantwoordt. Dat heeft de gerechtsdeurwaarder niet gedaan. Betreffende het betalingsvoorstel had het op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen klaagster mede te delen dat hij het betalingsvoorstel aan zijn opdrachtgever had voorgelegd en dat hij in afwachting was van een antwoord daarop.

De klacht en rappelbrief van klaagster zijn in het geheel niet beantwoord, hetgeen door de gerechtsdeurwaarder is erkend. Deze klacht is daarom terecht voorgesteld.

 

4.4 Ten aanzien van de bij de ontruiming afgevoerde inboedel geldt het volgende. Bij een ontruiming van een woning geeft een gerechtsdeurwaarder uitvoering aan een hem bij wet voorgeschreven taak voor de uitvoering waarvan op hem een ministerieplicht rust. Op grond van de wet, art. 556 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, en rechtspraak van de Hoge Raad is een executerende gerechtsdeurwaarder gerechtigd de inboedel uit de woning te verwijderen en aan de openbare weg te plaatsen. De ambtelijke taak van de gerechtsdeurwaarder eindigt met het aan de openbare weg plaatsen van de inboedel. Nadat de ontruiming is voltooid, heeft de gerechtsdeurwaarder, behoudens bijzondere omstandigheden die in dit geval niet zijn gesteld of gebleken, geen zorgplicht meer ten aanzien van de ontruimde boedel.

 

4.5 Inhet onderhavige geval heeft de gemeente [     ] de taak op zich genomen de inboedel van klaagster af te voeren en op te slaan. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat een, op grond van een tussen diverse verhuurders en de gemeente gesloten convenant ingeschakeld verhuisbedrijf de inboedel van klaagster heeft afgevoerd en opgeslagen. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat dit verhuisbedrijf de inboedel van klaagster heeft opgeslagen op de [     ] te [     ].

 

4.6 Dit volgt ook uit de brief van 5 maart 2007 waarin de gemeente klaagster erop heeft gewezen dat als de inboedel op straat zou worden gezet, deze door de gemeente zou worden verwijderd en opgeslagen op het in de brief vermelde adres. Klaagster heeft ter zitting ook erkend dat zij die brief onder ogen heeft gehad. Klaagster heeft gelet op de inhoud van deze brief, vanaf de datum van de voortgezette ontruiming tot aan de datum van de in de brief genoemde termijn, dertien weken de gelegenheid gehad bij de gemeente te informeren naar haar inboedel waaronder haar persoonlijke bezittingen en deze veilig te stellen. Het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder als meest gerede partij het verhuisbedrijf feitelijk op de hoogte heeft gesteld van de datum van ontruiming en de rekening heeft voldaan, is onvoldoende om de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verantwoordelijk te houden voor het feit dat de inboedel van klaagster is vernietigd.

 

4.7 Dat de late beantwoording van het voorstel tot betaling tegen finale kwijting de oorzaak is van de vernietiging van de inboedel is ook niet aannemelijk gemaakt. Eerst in de brief van 2 juli 2007 is door de hulpverlener van klaagster de vraag gesteld of de bezittingen van klaagster nog waren opgeslagen en zo ja wanneer klaagster die bezittingen kon ontvangen.

Op die brief is weliswaar geen antwoord gekomen, echter de door de gemeente genoemde termijn van dertien weken was toen al nagenoeg verstreken en bovendien stond in de brief van de gemeente waarvan de inhoud aan klaagster bekend was, waar de bezittingen van klaagster zouden worden opgeslagen.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. Hoewel de klacht deels terecht is voorgesteld zijn er naar het oordeel van de Kamer geen termen aanwezig tot het opleggen van een maatregel over te gaan. De Kamer heeft meegewogen dat de gerechtsdeurwaarder daarvoor zijn excuses heeft aangeboden.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders;

 

-                     verklaart de klacht met betrekking tot het niet beantwoorden van brieven gegrond;

-                     laat het opleggen van een maatregel achterwege

-                     verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. A.C.J.J.M. Seuren, (plaatsvervangend) en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens