Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2008:YB0010
Datum uitspraak:
16-12-2008
Datum publicatie:
27-01-2009
Zaaknummer(s):
2008.307
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
Beslag zonder rechtsgeldige titel (notariele akte). Vaststellen hoogte beslagvrije voet. Valsheid in geschrifte?

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

 

Beschikking van 16 december 2008 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 307.2008 van:

 

1. (wijlen) [     ],

2. [     ],

wonende te [     ],                                

klagers,

gemachtigde: mr. H.W. van der Schouw,

advocaat gevestigd te Oud-Beijerland,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Verloop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen van 14 juli 2008 hebben klagers een klacht ingediend tegen het kantoor van beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 8 augustus 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 november 2008 alwaar de gemachtigde van klagers en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 16 december 2008.

 

1. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

 

a)      De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een hypotheekakte gedateerd op 6 december 2001. Partijen bij deze akte zijn klagers en [ ]. De eigendom van de in hypotheek gegeven woning is op 29 december 2006 overgedragen aan een derde met instemming van [ ]. Bij brief van 4 januari 2007 heeft [ ] de hypotheek omgezet in een regulier krediet.

 

b)      Op 5 september 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder de in executoriale vorm uitgegeven grosse van de hypotheekakte aan klagers betekend met bevel tot betaling.

 

c)      Bij brief van 13 september 2007 gericht aan de advocaat van [ ] met afschrift aan de gerechtsdeurwaarder heeft de gemachtigde van klagers geschreven dat de hypothecaire geldlening was omgezet in een afbetalingsregeling met daarbij een akte van cessie, welke akte was vernietigd wegens misbruik van omstandigheden. De gemachtigde heeft verzocht hem mee te delen op grond van welke rechtsgeldige titel[ ] dacht te handelen. De gemachtigde heeft meegedeeld dat indien de executie zou worden voortgezet op basis van de betekende stukken dan wel de akte van cessie, hij overwoog om rechtsmaatregelen te zullen nemen.

 

d)      Op 29 oktober 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager sub 2 executoriaal derdenbeslag gelegd onder het UWV op zijn uitkering op basis van de in executoriale vorm uitgegeven grosse van de hypotheekakte.

 

e)      Op 13 november 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder op basis van artikel 438 lid 4 Rv. een proces-verbaal ingediend bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 29 november 2007 het beslag onrechtmatig verklaard en het beslag opgeheven.

 

f)        Bij brief van 29 november 2007, gericht aan het UWV Amsterdam, heeft de gerechtsdeurwaarder het UWV onder meer medegedeeld het op 29 oktober 2007 gelegde beslag als opgeheven te beschouwen en verzocht geen inhoudingen meer aan hem over te maken.

 

g)      Bij brief van 16 november 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klagers het volgende geschreven voor zover van belang:” (…..) Het is ons bekend dat beide partners inkomsten genieten. De door u aangehaalde beslagvrije voet van een echtpaar is dan ook niet correct. Ten minste zal deze beslagvrije voet gehalveerd dienen te worden. Daarnaast treft u een uittreksel uit de Kamer van Koophandel aan waaruit de gegevens van het bedrijf van uw cliënt blijkt. Vooralsnog zullen wij dan ook de gehanteerde beslagvrije voet van € 0,00 blijven hanteren. Mocht u een andere mening zijn toegedaan, dan kunt u stukken overleggen waaruit blijkt dat de inkomsten anders zijn en dat derhalve een andere beslagvrije voet gehanteerd dient te worden. Tevens dient u alsdan bewijzen van de ziektekostenpremie te overleggen, zodat daar desgewenst eveneens rekening mee gehouden kan worden. Daarnaast merken wij nog op dat het UWV niet eigenhandig een beslagvrije voet berekend, doch de bepaling hiervan overlaat/oplegt aan de beslaglegger. Het UWV gaat uit dat de gegevens omtrent de bepaling van de beslagvrije voet bekend zijn bij de beslaglegger. Op basis van de bekende gegevens is deze dan ook op 0,00 vastgesteld (…..)”

 

h)      Bij brief van 29 november 2008 heeft de gemachtigde van klagers de gerechtsdeurwaarder onder meer medegedeeld dat de inkomensgegevens van klagers blijken uit een aan [ ] verzonden brief van 22 maart 2007.

 

i)        Bij brief van 3 december 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klagers verzocht om toezending van een kopie van de brief van 22 maart 2007 omdat deze brief hem niet bekend was.

 

j)        Bij brief van 3 december 2007 heeft de gemachtigde van klagers de gerechtsdeurwaarder onder meer geschreven dat de gerechtsdeurwaarder de brief van 22 maart 2007 kon opvragen bij[ ] of bij haar advocaat, dat die brief als productie 1 was overgelegd bij het horen op het verlof tot het leggen van conservatoir beslag.

 

k)      De gerechtsdeurwaarder heeft op 11 december 2008 ten laste van klaagster conservatoir derdenbeslag gelegd onder het UWV op haar uitkering en heeft daarbij een beslagvrije voet vastgesteld van € 572,94 per maand.

 

2.  De klacht

 

2.1 Klagers verwijten de gerechtsdeurwaarder verkort samengevat het volgende.

              I.      De gerechtsdeurwaarder heeft beslag gelegd zonder rechtsgeldige titel. Bovendien zijn er twee verzwarende omstandigheden. De opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 10 september 2007 verzocht "zo mogelijk" voor beslaglegging en overbetekening zorg te dragen. Afgezien van een zelfstandige beoordelingsplicht die een gerechtsdeurwaarder heeft ten aanzien van de vraag of een akte als executoriale titel heeft te gelden, wordt het beoordelingsvermogen van de gerechtsdeurwaarder door de formulering van dit verzoek in dit geval zwaarder belast. Daarnaast was de gerechtsdeurwaarder een gewaarschuwd man. Hij heeft willen en wetens beslag gelegd in de wetenschap dat de hypotheekakte teniet was gegaan en derhalve geen executoriale titel inhield;

           II.      De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte de beslagvrije voet op nihil bepaald bij de executoriale beslaglegging;

         III.      De gerechtsdeurwaarder heeft in het proces-verbaal van beslaglegging valselijk vermeld dat hij de beslagvrije voet heeft vastgesteld op basis van bij hem bekende gegevens. Ten overstaan van de president van de rechtbank heeft de gerechtsdeurwaarder verklaard dat hij niet bekend was met inkomensgegevens van klager sub 2 en ook uit zijn brief van 16 november 2007 blijkt niet dat hij over inkomensgegevens beschikt. De gerechtsdeurwaarder heeft ook nooit naar die gegevens gevraagd. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte;

        IV.      De gerechtsdeurwaarder heeft bij het conservatoire beslag ten onrechte een beslagvrije voet van € 572,94 gehanteerd. Het is onduidelijk hoe hij aan dit bedrag is gekomen. In ieder geval is het niet conform artikel 475d Rv. De gerechtsdeurwaarder heeft nooit adequaat gereageerd op verzoeken om hieromtrent duidelijkheid te verschaffen;

           V.      De gerechtsdeurwaarder heeft in het proces-verbaal van conservatoir derdenbeslag vermeld dat hij op grond van de bij hem bekende gegeven de beslagvrije voet heeft vastgesteld, terwijl hij niet over andere inkomensgegevens beschikte dan bij zijn eerdere beslag. De gerechtsdeurwaarder was met die gegevens niet bekend. Ook hier is sprake van valsheid in geschrifte;

        VI.      De gerechtsdeurwaarder beschikt niet over voldoende vakbekwaamheid. Dat blijkt uit zijn brief van 16 november 2007 waarin hij vermeld heeft dat indien beide partners inkomen genieten, de beslagvrije voet dient te worden gehalveerd en dat deze op nihil dient te worden gesteld indien zoals hier klager sub 2 over een onderneming beschikt. Alleen indien een schuldenaar niet in Nederland woont of verblijft is het op voorhand mogelijk om de beslagvrije voet op nihil te stellen, aldus klagers;

      VII.      De gerechtsdeurwaarder heeft opzettelijk, althans onnodig de opheffing van het executoriale beslag onder het UWV vertraagd door het zenden van een brief per reguliere post (en niet per fax) en ook nog eens aan de feitelijk onjuiste instantie in Amsterdam en niet naar Rotterdam, terwijl de verklaring derdenbeslag van het UWV te Rotterdam afkomstig was;

   VIII.      De gerechtsdeurwaarder heeft tegenover de Deken van de orde van advocaten in het arrondissement [     ] een valse verklaring afgelegd, althans heeft hij deze opzettelijk misleid. Dit blijkt uit zijn brief aan de Deken d.d. 4 december 2007 waarin hij de bemiddeling van de deken vraagt. In deze brief meldt de gerechtsdeurwaarder dat de raadsman van DSB tijdens het kort geding een verzoekschrift heeft willen indienen om verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag in het geval dat klager sub 2 in het gelijk zou worden gesteld. Volgens de gerechtsdeurwaarder was het hem niet bekend wat er met deze aanvraag is gebeurd. Dit is echter niet juist, omdat in de fax van de advocaat van DSB d.d. 6 december 2007 is vermeld “Ik verzocht deurwaarder [     ] om in een exploot het conservatoire beslag te leggen en het executoriale beslag op te heffen, hetgeen mij wel zo efficiënt voorkomt”.

 

2.2 De gerechtsdeurwaarder heeft naar het oordeel van klagers willens en wetens onrechtmatig gehandeld en daarmee niet gehandeld als een goed gerechtsdeurwaarder betaamt.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

3.1 De gerechtsdeurwaarder, zowel als zijn opdrachtgever, waren van mening dat de grosse executabel was. Van dezelfde opdrachtgever ontving hij regelmatig opdrachten, zoals de onderhavige. Wanneer de opdrachtgever bekend is met inkomensgegevens krijgt de gerechtsdeurwaarder opdracht die te verifiëren en indien ze juist zijn over te gaan tot het leggen van beslag. Met "zo mogelijk" wordt uiteraard bedoelt dat de gerechtsdeurwaarder alleen beslag moet leggen indien de debiteur een inkomen geniet. Daarbij dient een gerechtsdeurwaarder uiteraard wel een zelfstandige toetsing te verrichten. Dat heeft de gerechtsdeurwaarder naar zijn oordeel gedaan. Achteraf is gebleken dat hij ten onrechte heeft gemeend dat de titel uitvoerbaar was.

 

3.2 De beslagvrije voet is volgens de gerechtsdeurwaarder op goede gronden op nihil gesteld, omdat hij uit kon gaan van de mededeling van zijn opdrachtgever dat klagers beiden over een inkomen beschikten en klager sub 2 als zelfstandige werkzaam was. De gerechtsdeurwaarder heeft bij het handelsregister geverifieerd dat de onderneming van klager sub 2 daar al sinds 9 april 2002 ingeschreven stond. Gelet op de bedrijfsomschrijving mocht hij uitgaan van inkomsten. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 16 november 2007 aan de gemachtigde de nodige gegevens gevraagd om indien nodig de beslagvrije voet te kunnen aanpassen. Deze brief is nooit beantwoord.

 

3.3 De gerechtsdeurwaarder ontkent dat door hem een valse verklaring is afgelegd. Hij is afgegaan op de door zijn opdrachtgever verstrekte inlichtingen. De gerechtsdeurwaarder heeft de gegevens zelf in het handelsregister nagegaan.

 

3.4 Er is van uitgegaan dat klagers beiden over inkomen beschikten. De beslagvrije voet van een echtpaar is gehanteerd. De brief van 16 november 2007 is niet beantwoord, dus andere gegevens waren niet bekend.

 

3.5 Er zijn geen valse gronden in het proces-verbaal vermeld. Als de toegepaste beslagvrije voet zo apert onjuist zou zijn, had het voor de hand gelegen dat klagers actie hadden ondernomen. Dat hebben zij niet gedaan.

 

3.6 Voor wat betreft zijn vakbekwaamheid heeft de gerechtsdeurwaarder verwezen naar zijn jarenlange ervaring en naar de vorige onderdelen van het verweer. De kwalificaties die de gemachtigde van klagers meent te moeten gebruiken zijn overdreven en kunnen niet uit dit ene voorval worden afgeleid.

 

3.7 Bij brief van 29 november 2007 is het UWV in Amsterdam schriftelijk meegedeeld dat het beslag als opgeheven kon worden beschouwd. Deze brief is naar de vestiging in Amsterdam verzonden omdat daar de administratieve afhandeling plaatsvindt en met het UWV de afspraak bestaat dat alle correspondentie naar Amsterdam dient te worden verstuurd om zo eventuele vertraging te voorkomen. De fax van de gemachtigde van vrijdag 30 november 2007 is die dag ontvangen om 16:57 uur. Op maandag 3 december 2007 in de ochtend heeft een medewerker contact opgenomen met het UWV in Rotterdam. Het beslag bleek echter al opgeheven, naar aanleiding van de brief van de gemachtigde die deze in kopie naar Rotterdam had gefaxt. De gerechtsdeurwaarder had geen enkel belang om de opheffing van het beslag te vertragen.

 

3.8 De Deken is niet misleid. De brief is geschreven om te vragen of de Deken in deze zaak kon bemiddelen. Tot de fax van 6 december 2007 van zijn opdrachtgever was het de gerechtsdeurwaarder niet bekend dat verlof tot het leggen van conservatoir beslag zou worden gevraagd.

 

4. Beoordeling van de klacht

 

4.1. Bij de beoordeling van klachtonderdeel I stelt de Kamer voorop dat de gerechtsdeurwaarder een openbaar ambtenaar is, belast met publieke taken. Voor wat betreft die ambtelijke taken rust op de gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht. Deze ministerieplicht, geregeld in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet, houdt in dat de gerechtsdeurwaarder verplicht is die ambtshandelingen te verrichten waartoe hij bevoegd is. Wel dient de gerechtsdeurwaarder zelfstandig te beoordelen of de uitvoering van een aan hem gegeven opdracht niet in strijd komt met de op dat punt geldende wettelijke voorschriften. Is dat laatste het geval, dan geldt de ministerieplicht niet. Bij twijfel staat hem de weg van artikel 438 lid 4 Rv ter beschikking.

 

4.2 Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of een titel al dan niet kan worden tenuitvoergelegd. Dat behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechter. Wel kan het zijn dat het zo evident is dat een titel niet kan worden tenuitvoergelegd dat de gerechtsdeurwaarder die de titel heeft betekend en verder heeft geëxecuteerd, daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden.

 

4.3 Dat laatste kan in het onderhavige geval naar het oordeel van de Kamer niet worden gezegd en, anders dan de gemachtigde van klagers meent, valt ook in het vonnis van de voorzieningenrechter niet te lezen dat het beslag evident ten onrechte is gelegd en dat door de gerechtsdeurwaarder onrechtmatig is gehandeld.

 

4.4 Ten aanzien van de door de gemachtigde van klagers aangevoerde verzwarende omstandigheden geldt het volgende. In de brief van 13 september 2007 heeft de gemachtigde van klagers aan de advocaat van de wederpartij kort gezegd zijn zienswijze medegedeeld aangaande de betekende akte en aangekondigd dat, indien enige actie zou worden ondernomen op grond van die akte, overgegaan zou worden tot het nemen van rechtsmaatregelen. Een kopie van die brief is aan de gerechtsdeurwaarder toegezonden. Daargelaten of de gerechtsdeurwaarder die toezending moest opvatten als een tot hem gerichte kennisgeving dat een beslag op basis van de genoemde hypotheekakte onrechtmatig zou zijn, kan hem gezien hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen niet worden verweten dat hij zich er niet reeds door de inhoud van de brief van heeft laten weerhouden beslag te leggen.

 

4.5 Zoals hiervoor al is vastgesteld rustte op de gerechtsdeurwaarder, die de opdracht had na te gaan of er voor beslag vatbare vermogensbestanddelen waren en zo ja, voor beslaglegging zorg te dragen, een ministerieplicht op grond waarvan hij verplicht was aan die opdracht te voldoen. Dat de beslaglegging volledig "uit de koker" van de gerechtsdeurwaarder is gekomen, als in dit klachtonderdeel aangevoerd, is niet gebleken althans kan niet worden afgeleid uit de enkele mededeling namens zijn opdrachtgever gedaan om “zo mogelijk” beslag te leggen. Dat is een als gebruikelijk aan te merken mededeling waarmee kennelijk slechts is aangeduid dat eerst onderzocht diende te worden of er wel vermogensbestanddelen zijn en dat zo ja beslag moest worden gelegd.

 

4.6 Er was, gelet op de door de gemachtigde van klagers in de brief van 13 september 2007 aangekondigde rechtsmaatregelen, voor de gerechtsdeurwaarder op dat moment evenmin aanleiding gebruik te maken van de in artikel 483 lid 4 Rv geopende mogelijkheid een deurwaarders-kortgeding in te leiden. Het lag eerder op de weg van klagers om een executiegeschil aanhangig te maken. Gelet op de periode gelegen tussen de betekening van de akte met bevel tot betaling op 5 september 2007 en de datum waarop het beslag is gelegd op 29 oktober 2007, was daar ruim de gelegenheid voor. Het lag ook voor de hand om een executiegeschil aanhangig te maken omdat de actie waarop de gemachtigde van klagers in de brief van 13 september 2007 doelt, al was aangekondigd in het exploot van 5 september 2007. Het eerste klachtonderdeel treft daarom geen doel.

 

4.7 Bij de beoordeling van klachtonderdeel II stelt de Kamer voorop dat ook hier geldt dat het in beginsel niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of de beslagvrije voet al dan niet juist is toegepast. Daarvoor dient de beslagene zich tot de executierechter te wenden. Wel kan het zijn dat het handelen van de gerechtsdeurwaarder zo evident onjuist is dat deze daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden. Beoordeeld dient te worden of dat het geval is.

 

4.8 Aan vorderingen tot periodieke betaling is een beslagvrije voet verbonden (art 475c Rv) die kort gezegd in beginsel neerkomt op 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. De toekenning van de beslagvrije voet heeft volgens de memorie van toelichting tot doel te voorkomen dat de schuldenaar wegens beslag op al zijn inkomsten een beroep op de bijstandsuitkering moet doen (Kamerstukken II, 1982/83, 17 987, nr. 3.p.15).

 

4.9 Bij het leggen van het beslag is de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd verplicht aan de schuldenaar op te geven hoeveel zijn beslagvrije voet bedraagt (art. 475g  lid 1e). De gerechtsdeurwaarder gaat daarbij af op de op dat moment bij hem bekende informatie.

Indien geen informatie bekend is dient de gerechtsdeurwaarder de in artikel 475d Rv genoemde beslagvrije voet toe te passen. Indien hij nadere inkomensinformatie wenst, dient hij die op een duidelijke wijze op te vragen.

 

4.10 Het beslag van 29 oktober 2007 is gelegd ten laste van klager sub 2. In het exploot is de beslagvrije voet door de gerechtsdeurwaarder vastgesteld op nihil. Dat is onjuist en in strijd met de wettelijke bepalingen. De wet kent slechts één geval waarbij geen beslagvrije voet geldt, namelijk in het geval van een schuldenaar die niet in Nederland woont. Dat geval deed zich hier niet voor. De veronderstelling dat beide klagers inkomsten genieten, als in de brief van 16 november 2007 door de gerechtsdeurwaarder gesteld, kan naar het oordeel van de Kamer niet zonder meer worden afgeleid uit gegevens van de Kamer van Koophandel. Slechts indien klagers weigeren hun bronnen van inkomsten op te geven, kan de beslagvrije voet worden gehalveerd. De verwijzing van de gerechtsdeurwaarder naar het bepaalde in artikel 475d lid 6 gaat niet op omdat dit artikel uitgaat van de veronderstelling dat de hoogte van de andere inkomsten bekend zijn. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder ook erkend dat de beslagvrije voet ten onrechte op nihil is gesteld. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

 

4.11 Ten aanzien van klachtonderdeel III geldt het volgende. Of er sprake is van valsheid in geschrifte is aan het oordeel van de strafrechter onderworpen. De Kamer stelt slechts vast dat uit het verweer van de gerechtsdeurwaarder blijkt dat hij van zijn opdrachtgever (de brief van 10 september 2007) bericht had ontvangen dat beide klagers inkomen hadden en klager sub 2 als zelfstandig ondernemer werkzaam zou zijn. Op grond daarvan is de mededeling in het proces-verbaal van 29 oktober 2007 dat de beslagvrije voet is vastgesteld op grond van “bij ons bekende gegevens” naar het oordeel van de Kamer niet tuchtrechtelijk laakbaar. Daaraan doet niet af dat achteraf een onjuiste beslagvrije voet is vastgesteld. Dit klachtonderdeel treft geen doel

 

4.12 Dit geldt ook voor de klachtonderdelen IV en V. In zijn brief van 16 november 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder de gemachtigde van klagers onder meer het medegedeeld dat indien hij een andere mening was toegedaan, stukken konden worden overgelegd waaruit blijkt dat de inkomsten anders waren en een andere beslagvrije voet diende te worden gehanteerd. Bij brief van 29 november 2007 heeft de gemachtigde van klagers gewezen op een brief van 22 maart 2007 waaruit de inkomensgegevens van klagers zouden blijken. Bij brief van 3 december 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder die brief bij de gemachtigde van klagers opgevraagd. Bij brief van 3 december 2007 heeft de gemachtigde van klagers de gerechtsdeurwaarder verwezen naar de DSB danwel haar advocaat.

 

4.13 Naar het oordeel van de Kamer lag het op de weg van (de gemachtigde van klagers) de brief van 22 maart 2007 aan de gerechtsdeurwaarder over te leggen. Nu desgevraagd de inkomensgegevens niet zijn overgelegd, is het niet tuchtrechtelijk laakbaar dat gerechtsdeurwaarder tot halvering van de beslagvrije voet is overgegaan. Ten aanzien van de bekendheid van de gegevens als vermeld in het proces-verbaal van 11 december 2007 wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent onder 4.11 is overwogen.

 

4.14 Dat de gerechtsdeurwaarder niet over voldoende vakbekwaamheid beschikt is te algemeen gesteld, is de Kamer niet gebleken en kan niet worden afgeleid uit de mededelingen als gedaan in de brief van 16 november 2007. Klachtonderdeel VI treft daarom geen doel.

 

4.15 Ten aanzien van klachtonderdeel VII geldt het volgende. De gerechtsdeurwaarder heeft op de dag dat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan aan UWV Amsterdam een brief verzonden met de mededeling dat het op 29 oktober 2007 onder het UWV gelegde beslag als opgeheven kon worden beschouwd. Een kopie van voormelde brief is door de gerechtsdeurwaarder toegezonden aan de gemachtigde van klagers. Uit de stukken blijkt dat het beslag feitelijk is opgeheven ergens tussen vrijdagmiddag 30 november 2007 (pleitnota gemachtigde onder 14) en maandagochtend 3 december 2007 om 09.40 uur (verweerschrift gerechtsdeurwaarder 3e bladzijde 5e alinea).

Gezien de tijdspanne gelegen tussen het vonnis van de voorzieningenrechter en het tijdstip waarop het beslag feitelijk is opgeheven, kan naar het oordeel van de Kamer niet worden gezegd dat het opheffen van het beslag door de gerechtsdeurwaarder onnodig is vertraagd.

Dat sprake was van opzet kan niet worden afgeleid uit de inhoud van de brief van 6 december 2007 van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft immers eerst op 6 december 2007 opdracht gekregen conservatoir beslag te leggen. Bij die brief heeft de opdrachtgever ook zijn brief van 6 december 2007 aan de gemachtigde van klagers overgelegd. Op dat moment was het executoriale beslag al opgeheven. Klachtonderdeel VII treft geen doel.

 

4.16 Op grond van dit laatste treft ook het klachtonderdeel VIII geen doel omdat het klachtonderdeel wordt onderbouwd door te verwijzen naar de inhoud van voormelde brief van 6 december 2007 van de inhoud waarvan de gerechtsdeurwaarder op 4 december 2007 nog geen kennis droeg.

 

5. Er zijn termen aanwezig om de gerechtsdeurwaarder voor het gegrond verklaarde onderdeel van de klacht de na te melden maatregel op te leggen

 

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders;

 

-                     verklaart de klachtonderdeel II gegrond;

-                     legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

-                     verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. C.M. Berkhout en J.P.J.J. Timmermans, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Coll.:

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens