Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2007:YB0190
Datum uitspraak:
15-05-2007
Datum publicatie:
20-04-2009
Zaaknummer(s):
2006.321
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
Meerdere klachtonderdelen waaronder een omissie in proces-verbaal van beslag. Beslag ten laste van vennootschap op inboedel in woning. Beslag onder Bank zonder aanwijzing dat daar een rekening werd gehouden. Naar het oordeel van de Kamer is de missie in het proces-verbaal geen "slip of the pen", beslag op inboedel woning onjuist en in verband met de maatschappelijke gronden is het beslag onder de bank zonder aanwijzing eveneens onjuist. Drie klachtonderdelen gegrond. 

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

 

Beschikking van 15 mei 2007 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 321.2006 van:

 

[     ] in zijn hoedanigheid als bewindvoerder van zijn moeder

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [      ],

beklaagde.

 

Verloop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen van 17 juli 2006 heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna de gerechtdeurwaarder.

Bij brieven van 14 en 16 augustus 2006 heeft klager aanvullende klachten ingediend.

Na verleend uitstel heeft de gerechtsdeurwaarder bij aangehechte brief met bijlagen van 16 november 2006 een verweerschrift ingediend.

De gerechtsdeurwaarder heeft medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

De klacht is behandeld ter zitting van 3 april 2007 alwaar klager is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 15 mei 2007.

1. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

a)      Bij op 15 december 2005 door de kantonrechter te [     ] gewezen vonnis is [     ], h.o.d.n. [     ] veroordeeld tot betaling van € 115,30.

 

b)      Bij exploot van 9 januari 2006 is voormeld vonnis door de gerechtsdeurwaarder in persoon betekend aan de directeur van [    ].

 

c)      Bij exploot van 27 januari 2006 heeft een aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder verbonden kandidaat-gerechtsdeurwaarder ten laste van [    ] beslag gelegd onder de Postbank.

 

d)      Bij exploot van 10 juli 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder op het kantooradres van [     ]  beslag gelegd op roerende zaken. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt daaromtrent  voor zover van belang:”.....mij begeven naar het kantooradres van gerequireerde aan de [     ], te[     ] (gemeente [     ]), alwaar ik niemand aantrof. Vervolgens heb ik deurwaarder ter plaatse, middels waarneming door de ramen, als vermeld de volgende roerende zaken in executoriaal beslag genomen: te weten:

-        4 stoelen + tafel

-        Eikenhouten eethoek

-        1 Mitsubischi kleurentelevisie

-        + houten meubel

-        JVC Geluids  +  videoapparatuur

-        1 Bank

-        2 Fauteuils

-        1 houten ronde salontafel

-        Diverse snuisterijen

-        Bosch vaatwasser

-        Ata.. gasfornuis

-        1 HE Magnetron

-        1 Philips koffiezetapparaat

-        1 Siemens droger

-        1 Bosch wasautomaat

-        1 Strijkplank + strijkbout

-        1 Stofzuiger

-        1 bureau + bureaustoel

-        1 kast + buroladen

-        1 Telefoon grijs

-        diverse potten, pannen , bestek, serviesgoed, glaswerk, stoffering, bekleding en alle overige huishoudelijke artikelen en elektrische apparatuur."

 

e)      Bij exploot van 17 juli 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder de executoriale verkoop aangezegd van de inbeslaggenomen roerende zaken op 14 augustus 2006.

 

2. De klacht

 

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder:

1.      beslag te hebben gelegd op goederen die bewijsbaar en aan de gerechtsdeurwaarder bekend aan haar en niet in eigendom aan de schuldenaar toebehoren;

2.      zich in het bijzijn van de directeur van de schuldenaar onaangekondigd tegen diens protest in de toegang te hebben verschaft tot ruimtes die niet van de schuldenaar zijn maar in privébezit van de moeder van klager zijn;

3.      in het proces-verbaal van beslag te hebben vermeld dat er niemand aanwezig was en raambeslag te hebben gelegd, terwijl de directeur in persoon bij de inbeslagname aanwezig was die er bovendien op heeft gewezen welke ruimte door de besloten vennootschap was gehuurd en welke inventaris eigendom was van de besloten vennootschap;

4.      de zaak bij de kantonrechter te hebben doorgezet voor het innen van zijn honorarium;

5.      de directeur op zijn privé- en zakelijk adres te hebben opgezocht en in het openbaar tegen hem te hebben gezegd dat beslag op zijn huis zou zijn gelegd;

6.      de verkeerde vennootschap te hebben aangesproken;

7.      beslag te leggen onder de Postbank terwijl de vennootschap daar geen rekening heeft.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat zij na vele malen te hebben getracht een vonnis op minnelijke wijze te incasseren uiteindelijk beslag heeft gelegd. Dit beslag heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de directeur van de besloten vennootschap. Die heeft weliswaar medegedeeld dat de aanwezige roerende zaken niet in eigendom aan de vennootschap toebehoorden, maar heeft daarvan geen bewijzen laten zien, zodat het beslag rechtsgeldig is gelegd. Dat de inbeslagname heeft plaatsgevonden middels waarneming door de ramen is een”slip of the pen”, hetgeen aan de essentie van het beslag niets afdoet.

Van een onaangekondigd en onrechtmatig beslag is geen sprake nu de directeur haar heeft binnengelaten en het huis heeft doorgeleid. Na aankondiging van de executieverkoop is de vordering voldaan en is de zaak met de opdrachtgever afgewikkeld. Kennelijk vindt klager dat er sprake is van een executiegeschil en dat het vonnis tegen de verkeerde B.V. is gewezen. Daarvoor had hij zich tot de daartoe bevoegde rechter moeten wenden. De opdrachtgever heeft opdracht gegeven tot het aanspreken van [     ] waartegen in rechte bezwaar had kunnen worden gemaakt. Het overige door klager gestelde is niet ter zake doende en kan als niet relevant worden beschouwd, aldus de gerechtsdeurwaarder.

 

4. Beoordeling van de klacht

 

4.1 Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, wordt overwogen dat ingevolge het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechts-deurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk (kandidaat-) gerechtsdeurwaarder betaamt.

Het gerechtsdeurwaarderskantoor [     ] kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Aangezien de ambtshandelingen zijn verricht door de gerechtsdeurwaarder en deze ook verweer heeft gevoerd wordt zij aangemerkt als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van deze beschikking al rekening is gehouden.

 

4.2 Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet oplevert.

 

4.3 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel geldt als uitgangspunt dat wanneer een gerechtsdeurwaarder beslag legt op zaken waarop een derde eigendom pretendeert, het in beginsel aan die derde is om zich tegen het beslag te verzetten. Het moment waarop beslag wordt gelegd leent zich immers niet voor een uitgebreid onderzoek naar de eigendomsverhoudingen van in beslaggenomen zaken.

In het onderhavige geval betreft het echter een executie ten laste van een besloten vennootschap terwijl blijkens de inhoud van het daarvan opgemaakte proces-verbaal beslag is gelegd op wat duidelijk de inboedel van een woning betreft. Mede gelet op het protest van de directeur van de vennootschap die ten tijde van de beslaglegging aanwezig was, was er naar het oordeel van de Kamer geen redelijke grond aanwezig om aan te nemen dat het hier zaken van het bedrijf betrof. Dit klachtonderdeel dient gegrond te worden verklaard.

 

4.4 Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel geldt dat het vonnis in persoon aan de directeur van de veroordeelde vennootschap is betekend. In het exploot van betekening wordt aangezegd dat indien niet aan het bevel tot betaling zou worden voldaan verdere tenuitvoerlegging van het vonnis zou volgen onder meer door het leggen van beslag. Vervolgens is een briefwisseling ontstaan waarbij is getracht zonder verdere executie het verschuldigde bedrag te incasseren. Bij brief van 14 juni 2006 is beslag aangezegd tegen 10 juli 2006 op welke datum het beslag ook is gelegd. Op grond hiervan kan niet worden gezegd dat de gerechtsdeurwaarder onaangekondigd is langsgekomen om beslag te leggen. Voor het overige is niet komen vast te staan dat de gebeurtenissen zich hebben voltrokken als door klager is gesteld.  Dit klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard.

 

4.5 In het proces-verbaal staat vermeld dat niemand werd aangetroffen en dat vervolgens raambeslag is gelegd. In haar verweer stelt de gerechtsdeurwaarder zelf dat de directeur haar de toegang heeft verschaft en door het huis heeft geleid. Ten onrechte is derhalve in het exploot vermeld dat niemand werd aangetroffen. Weliswaar wordt het beslag hierdoor niet aangetast, echter met het oog op authenticiteit van de akte en het daaraan te ontlenen bewijs dient het exploot naar waarheid te worden opgemaakt. De Kamer acht het handelen van de gerechtsdeurwaarder op dit punt tuchtrechtelijk laakbaar en niet af te doen als een "slip of the pen". Dit klachtonderdeel dient gegrond te worden verklaard.

 

4.6 Klachtonderdelen 4,5 en 6 worden gezamenlijk behandeld. Dat de zaak voor de rechter wordt gebracht voor het restantverschuldigde is een gebruikelijke gang van zaken. Uit de stukken blijkt dat de hoofdsom is voldaan na het uitbrengen van de dagvaarding. Dat de verkeerde vennootschap is gedagvaard had in de procedure bij de rechter aan de orde moeten worden gesteld. De directeur moet zelf klagen over verwijtbare gedragingen, niet is gebleken dat klager als zijn gemachtigde dit kon doen. Deze klachtonderdelen dienen ongegrond te worden verklaard.

 

4.7 Voor het leggen van beslag onder een bank dient er een aanwijzing te zijn dat de schuldenaar aldaar een positie inneemt. Het leggen van een beslag op goed geluk kan gelet op de (maatschappelijke) kosten niet worden aanvaard. Klager heeft aangevoerd dat de vennootschap geen rekening bij de bank heeft lopen. De gerechtsdeurwaarder is daar in haar verweer niet op ingegaan anders dan mede te delen dat het overige door klager gestelde niet relevant is. In het proces-verbaal van beslag onder de bank staat geen rekeningnummer vermeld. Het moet er daarom voor worden gehouden dat er geen aanwijzing was dat de vennootschap aldaar een rekening hield. Dit klachtonderdeel dient eveneens gegrond te worden verklaard.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. De Kamer acht gelet op de gegrond verklaarde klachtonderdelen termen aanwezig over te gaan tot het opleggen van na te melden maatregel.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-        verklaart de klachtonderdelen 1,3 en 7 gegrond;

-        legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

-        verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. M.M. Beins en M.J-M.L. Baudoin, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

Coll.:

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens