Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2007:YB0176
Datum uitspraak:
12-06-2007
Datum publicatie:
20-04-2009
Zaaknummer(s):
2007.174verzet
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Beslag gelegd onder de bank waardoor onder mer de uitkering van klagers is getroffen. De voorzitter oordeelt dat het omzeilen van de beslagvrije voet niet is toegestaan. Echter het onder het beslag vallende bedrag viel niet te herleiden tot de hoogte van klagers uitkering.De Kamer is het met verbetering van de gronden en verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad met de voorzitter eens. Verzet ongegrond.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

 

Beschikking van 12 juni 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 174.2007 ingesteld door:

 

[     ] EN [     ],

wonende te [     ],

klagers,

gemachtigde: [     ]

tegen:

 

[     ] en [      ],

gerechtsdeurwaarders te [     ],

beklaagden,

gemachtigde: [      ].

 

1. Verloop van de procedure

 

Bij beschikking van 13 maart  2007 (zaaknummer 67.2007) heeft de plaatsvervangend-voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klager tegen beklaagde ingediende klacht.

Bij brief van 12 maart 2007 is klagers een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.

Bij brief van 23 maart 2007 hebben klagers tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. De gerechtsdeurwaarders hebben op 6 april 2007 een antwoord ingediend.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 april 2007. Namens de gemachtigde van klagers is [     ] verschenen en namens de gerechtsdeurwaarders is hun gemachtigde verschenen. Klagers hebben een pleitnotitie ingediend.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 12 juni 2007.

 

2. De gronden van het verzet

 

Verkort samengevat hebben klagers verwezen naar hun inleidende klacht. Zij hebben daar nog aan toegevoegd dat de klacht wordt uitgebreid ten aanzien van de gemachtigde. Rechtsoverweging 4.2 in de beschikking is onduidelijk en onbegrijpelijk. Klagers genieten alleen een uitkering van de gemeente [     ]. De gemeente past hierop verrekening toe op grond van een vordering. Het overblijvende gedeelte wordt door de gemeente gestort op de bankrekening van klagers. Deze gelden behoren gevrijwaard te blijven van verhaal en beslag. Ten onrechte zijn de gerechtsdeurwaarders van mening dat zij tot de beslaglegging gerechtigd zijn alsmede tot beslaglegging in de toekomst. Zij drijven klagers daarmee in het nauw. Dit is de essentie van de klacht en die essentie is door de voorzitter niet begrepen. Klagers ontvangen nog vergoedingen voor gemaakte kosten op hun bankrekening. Ook op deze gelden mag geen beslag worden gelegd. Het exploot van beslaglegging vermeldt een bedrag van € 930,28 aan proces-, incasso- en executiekosten, terwijl in het vonnis van 15 november 2002 slechts een bedrag van € 406,18 aan proceskosten is toegewezen. Volgens klagers hebben de gerechtsdeurwaarders deze post onrechtmatig verhoogd. In hun pleitnota hebben klagers hier nog aan toegevoegd dat de gerechtsdeurwaarders hebben toegegeven in hun antwoord op het verzet dat deze post onduidelijk is en onjuist is opgevoerd, omdat bepaalde posten daar ten onrechte onder zijn geschaard. Dit is onzorgvuldig.

 

3. De ontvankelijkheid van het verzet

 

Klagers hebben het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in hun verzet kunnen worden ontvangen.

 

De beslissing van de voorzitter

 

De voorzitter heeft op de inleidende klacht overwogen dat klagers terecht hebben aangevoerd, dat het omzeilen van de beslagvrije voet door het leggen van een bankbeslag, niet is toegestaan. Volgens artikel 475c, onder c van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is onder meer aan een vordering tot periodieke betaling van een uitkering een beslagvrije voet verbonden. Gesteld noch gebleken was echter volgens de voorzitter dat de uitkering van klagers en evenmin de kinderbijslag onder het beslag is gebracht zonder toepassing van een beslagvrije voet. Volgens de gerechtsdeurwaarder bleek in oktober 2006 een bedrag van 

€ 284,98 onder het beslag te vallen. Dit bedrag is niet te herleiden tot de hoogte van klagers uitkering of de kinderbijslag, aldus de voorzitter.  

 

4. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

4.1 Klagers zijn in appel gegaan van het kort geding vonnis. De gerechtdeurwaarders hebben aangevoerd dat in afwachting van de uitspraak van het gerechtshof, de behandeling van het verzet zou dienen te worden geschorst. Zij hebben voorts verwezen naar hun verweerschrift en hun memorie van antwoord ten behoeve van de behandeling door het gerechtshof. Daarin hebben zij uiteengezet dat het beslag op de bankrekening zich enkel uitstrekt tot het op de beslagdatum aanwezige saldo en dat daarbij niet van belang is hoe dat saldo tot stand komt.

 

4.2 De Kamer ziet geen aanleiding tot aanhouding van de zaak.

 

4.3 Uit rechtspraak van de Hoge Raad (21 mei 1999, NJ 2001,630) volgt dat de beslagvrije voet slechts geldt voor een beslag onder de uitkeringsinstantie. De beslagvrije voet geldt niet bij beslag bij een beslag onder de bank waarop de uitkeringsinstantie de uitkering overmaakt. Een vordering die door een wettelijke beperking wordt getroffen, wordt daardoor slechts getroffen zolang die vordering bestaat. Wordt de oorspronkelijke vordering (de vordering van klagers op de uitkeringsinstantie, bijvoorbeeld de Sociale Dienst) vervangen door een andere vordering, (de vordering van de klagers op de bank) dan is de beslagbeperking ‘uitgewerkt’. Dit wordt niet anders, indien de nieuwe vordering nog te ‘herleiden’ is tot de oorspronkelijke vordering (het van een uitkeringsinstantie afkomstige bedrag is immers altijd identificeerbaar in het saldo van de bankrekening vertegenwoordigd).

4.4 Met de gerechtsdeurwaarders moet worden aangenomen dat het saldo van de bankrekening in het geheel vatbaar is voor beslag en niet getroffen wordt door het beslagverbod van artikel 475b Rv. nu het niet langer betreft de vordering van klagers op hun gemeente tot het ontvangen van de uitkering doch een vordering van klagers op hun bank tot uitkering van het daar op hun rekening aanwezige saldo. De strekking van artikel 475c Rv gaan niet verder dan te voorkomen dat aan een ontvanger het recht wordt ontnomen zijn salaris of periodieke uitkering in ontvangst te nemen en te zijner beschikking te krijgen. Klager hebben ook in verzet niet aangetoond dat hun uitkering onder het beslag is gebracht.

 

4.5 Het voorgaande kan eerst anders zijn indien misbruik wordt gemaakt van recht. Dat kan het geval zijn als de regeling van artikel 475c Rv bewust zou worden ontdoken. Het is echter niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of een beslag als onrechtmatig gelegd kan worden aangemerkt of dat er misbruik van recht is gemaakt. Daarvoor dient klager zich te wenden tot de executierechter. Wel kan het zijn dat een beslag zo evident onrechtmatig is dat de gerechtsdeurwaarder die desondanks het beslag heeft gelegd daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden. Dit laatste is in verzet niet gebleken. Volgens de gerechtsdeurwaarders is een bedrag van  € 383,00 onder het beslag gebracht. Dit bedrag is niet te herleiden tot de hoogte van klagers uitkering. Klagers hebben dit niet weersproken.  

 

4.6 Het onderzoek in verzet heeft voor het overige naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot vaststelling van andere feiten  dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dat die vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de Kamer zich verenigt. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders is onderbouwd, zorgvuldig en zijn hebben de kosten afdoende verklaard. Het is op zich juist dat een gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk is voor het handelen van zijn medewerkers. Klagers hebben echter ook in verzet niet aangegeven wat zij de gemachtigde verwijten.

 

4.7 Hetgeen partijen nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

 

4.8 Het is de Kamer gebleken dat in de beschikking onder 4.6 ten onrechte productie II is vermeld, waar productie III is bedoeld.

 

4.9 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-        verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. R.G. Kemmers, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en N.J.M. Tijhuis (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

Coll.:

 

 

 

 

 

 

Ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet staat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel open.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens