Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:RBAMS:2007:YB0090
Datum uitspraak:
27-02-2007
Datum publicatie:
17-02-2009
Zaaknummer(s):
2006.238
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
Betekenen proces-verbaal van beslag op een onroerende zaak. Betalen van een bedrag ter finale kwijting. Veroorzaken van nodeloze kosten. Toepassen verkeerde beslagvrije voet en ondanks directe toezending van gegevens niet direct aanpassen van de beslagvrije voet.Doen van toezeggingen met betrekking tot opschorting van het beslag en een betalingsregeling. Onheuse bejegening. 

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

 

Beschikking van 27 februari 2007 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 238.2006 van:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

gemachtigde: [     ],

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Verloop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen van 19 mei 2006 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief met bijlagen van 14 juni 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven 29 mei 2006 en 19 juni 2006 heeft klaagster aanvullende stukken overgelegd.

De klacht is behandeld ter zitting van 16 januari 2007 alwaar klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 27 februari 2007.



1. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:



a)      De gerechtsdeurwaarder heeft in opdracht van een collega-gerechtsdeurwaarder en een andere opdrachtgever drie ten laste van klaagster gewezen executoriale titels betekend. Daarbij zijn vorderingen toegewezen van klaagsters voormalige advocaat en diens nieuwe en oude kantoor.

 

b)      Bij exploot van 23 september 2005 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op een deels in eigendom aan klaagster toebehorende onroerende zaak.

 

c)      Bij exploot van 4 oktober 2005 heeft de gerechtsdeurwaarder het op 23 september 2005 gelegde beslag betekend aan de hypotheeknemer, [     ] NV.

 

d)      Bij exploot van 1 maart 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van twee opdrachtgevers ten laste van klaagster beslag gelegd onder haar werkgeefster.

 

e)      Bij exploot van 8 maart 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van een andere opdrachtgever ten laste van klaagster wederom beslag gelegd onder haar werkgeefster.

 

f)        Bij brief van 9 juni 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster een brief geschreven met een reactie op de door haar gemachtigde op 19 mei 2006 ingediende klacht.

 

2. De klacht

 

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende.

 

1.      De gerechtsdeurwaarder heeft het proces-verbaal van beslag op de onroerende zaak betekend aan de verkeerde hypotheekhouder.

2.      Onder druk van het gelegde beslag heeft klaagster een bedrag ad € 1.000,00 aan de gerechtsdeurwaarder betaald die het vertrouwen heeft gewekt dat dit tegen finale kwijting gebeurde. Ondanks deze betaling is er tweemaal beslag gelegd onder haar werkgeefster.

3.      De gerechtsdeurwaarder heeft nodeloos kosten veroorzaakt door voor twee opdrachtgevers afzonderlijk beslag te leggen onder haar werkgeefster, terwijl bij één exploot beslag is gelegd op de onroerende zaak voor drie opdrachtgevers.

4.      Bij het beslag op haar loon is een verkeerde beslagvrije voet toegepast. Nadat zij haar gegevens had toegestuurd, is de beslagvrije voet niet direct aangepast.

5.      Een medewerkster van de gerechtsdeurwaarder heeft toezeggingen gedaan met betrekking tot opschorting van het beslag en een betalingsregeling. Deze toezeggingen zijn niet nagekomen.

6.      Klaagster is door een medewerker van de gerechtsdeurwaarder onheus bejegend.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

Op ter zitting nader aangevulde gronden heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat de betekening aan de hypotheekbank is geschied op grond van informatie van het kadaster waaruit bleek dat de door de bank gevestigde hypotheek nog immer stond ingeschreven op het inbeslaggenomen registergoed. Waarschijnlijk is door een omissie van de notaris de inschrijving niet doorgehaald.

Het beslag is op verzoek van de drie opdrachtgevers bij één proces-verbaal gelegd, ter voorkoming van onnodige kosten. Dit geldt ook voor de overbetekening daarvan.

De kosten van het gelegde beslag en de betekening daarvan aan klaagster en de hypotheekbank en de kosten van hernieuwd bevel tot betaling, in totaal een bedrag van

€ 322,54,  heeft de gerechtsdeurwaarder uit coulance tegengeboekt.

Het voorstel van klaagster tot betaling ad € 1.000,00 tegen finale kwijting heeft hij doorgeleid aan zijn opdrachtgever die echter integrale betaling van het verschuldigde bedrag wenste.

Op instructie van twee opdrachtgevers is beslag onder de werkgeefster gelegd en vervolgens is op verzoek van een andere opdrachtgever nogmaals beslag gelegd onder de werkgeefster.

Zodra de gerechtsdeurwaarder beschikte over alle gegevens, heeft hij de beslagvrije voet na het eerste onderhoud met klaagster gecorrigeerd en heeft hij de gecorrigeerde beslagvrije voet doorgegeven aan de werkgeefster. Het teveel ingehouden bedrag is nog dezelfde dag aan klaagster terugbetaald, aldus de gerechtsdeurwaarder.

 

4. Beoordeling van de klacht

 

4.1 Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht geldt dat de gerechtsdeurwaarder bij de betekening van het proces-verbaal van het gelegde beslag is uitgegaan van gegevens van het kadaster. Op het moment dat de gegevens werden geraadpleegd stond het recht van hypotheek nog gevestigd op naam van [     ] NV. Naar het oordeel van de Kamer kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden verweten dat hij het proces-verbaal aan deze bank heeft betekend. De gerechtsdeurwaarder heeft de kosten van overbetekening bovendien tegengeboekt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

 

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel 2 geldt het volgende De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat hij het voorstel van klaagster heeft doorgeleid naar zijn opdrachtgever die integrale betaling van het verschuldigde bedrag wenste. Omdat klaagster haar standpunt dat betaling van het bedrag € 1000,00 tegen finale kwijting is geschied, niet nader heeft onderbouwd, acht de Kamer dit klachtonderdeel ongegrond.

 

4.3 Klachtonderdeel 3 acht de Kamer ongegrond omdat het twee afzonderlijke opdrachten betrof aan welke opdrachten de gerechtsdeurwaarder op grond van zijn in de wet vastgelegde ministerieplicht gehouden was te voldoen. Deze opdrachten werden na elkaar verstrekt zodat door de gerechtsdeurwaarder niet bij één exploot beslag kon worden gelegd. Nog los van het antwoord op de vraag of een verplichting bestaat tot een dergelijke samenvoeging van beslagleggingen, is daarom niet gebleken dat er onnodige kosten zijn gemaakt.

 

4.4 Klachtonderdeel 4 is terecht voorgesteld. Klaagster stelt in haar e-mail van 22 mei 2006 dat het door haar ingevulde formulier inkomsten en uitgaven op 9 mei 2006 door een medewerker van de gerechtsdeurwaarder is ontvangen. Op die dag is aan klaagster telefonisch bevestigd dat de beslagvrije voet diende te worden aangepast. Klaagster heeft op 18 mei 2006 nogmaals contact met de gerechtsdeurwaarder opgenomen en verzocht om de beslagvrije voet uiterlijk 19 mei 2006 aan te passen hetgeen haar toen is toegezegd.

Dit is niet door de gerechtsdeurwaarder weersproken. Uit zijn verweer blijkt dat de beslagvrije voet op 24 mei 2006 is gecorrigeerd en de ten onrechte ingehouden bedragen op die datum aan klaagster zijn gerestitueerd. Naar het oordeel van de Kamer heeft de correctie van de beslagvrije voet derhalve niet onverwijld in de zin van het bepaalde in artikel 475d lid 7 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering plaatsgevonden. Dit klachtonderdeel is gegrond.

 

4.5 Klachtonderdelen 5 en 6 zijn eveneens terecht voorgesteld. Klachtonderdeel 5 omdat tegenover de gemotiveerde onderbouwing van dit klachtonderdeel de gerechtsdeurwaarder dit klachtonderdeel onvoldoende heeft bestreden. Ter zitting heeft hij daaromtrent slechts medegedeeld dit niet te hebben nagevraagd bij zijn medewerkster. Ten aanzien van klachtonderdeel 6 heeft de gerechtsdeurwaarder toegegeven dat het handelen van zijn medewerker op dit onderdeel geen schoonheidsprijs verdient en hij zijn heeft medewerker hierop aangesproken. Beide klachtonderdelen zijn daarom gegrond.

 

5. Het verzoek van klaagster om een schadevergoeding dient de Kamer te passeren, omdat in de onderhavige tuchtprocedure hiervoor geen plaats is.

 

6. Op grond van het voorgaande dient de klacht dan ook deels gegrond en deels ongegrond te worden verklaard. De Kamer acht termen aanwezig tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan.

 

7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-        verklaart de klachtonderdelen 2.4, 2.5 en 2.6 gegrond;

-        legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

-        wijst de overige klachtonderdelen als zijnde ongegrond af.

 

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en J. Smit, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

Coll.:

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens